woensdag 18 december 2013

Van kunde tot kolder, KtoK

Het is december. Behalve een tijd van bezinning is dat voor mij ook altijd een tijd om door alle papierstapels heen te lopen. Wat moet er nog worden afgewerkt en wat kan worden weggegooid, zodat ik in januari met een schone lei kan beginnen?

Al opruimende kwam ik promotiemateriaal tegen van een fabrikant van kolven, flessen en spenen. Dat spul is mij een aantal maanden geleden al toegezonden, zonder dat ik daarom had gevraagd. Al een paar keer stond ik ermee in de hand om het af te voeren naar de container, maar het zinde me ergens niet om er helemaal niets mee te doen. Ik heb er namelijk de pest over in, dat ik zulke zaken krijg toegestuurd, want ze laten me weer zien dat men het in het algemeen niet zo nauw neemt met de WHO-code en met het belang van borstvoeding. Dat ergert me en bovendien geeft het me een machteloos gevoel, omdat ik me ervan bewust ben dat ik er als kleine praktijk weinig tegen kan doen. Toch waag ik daartoe weer een poging middels dit blog en ook nu weer laat ik aan de hand van citaten zien waar het naar mijn mening mis gaat. Ik pak de meest storende zaken eruit.

De folder over de kolf:
Borstvoeding = beter
Borstvoeding is de beste start voor je baby. Uit onderzoek blijkt dat kinderen die borstvoeding krijgen minder vaak ziek zijn dan kinderen die geen borstvoeding hebben gehad. (…) Terwijl borstvoeding juist in het eerste halfjaar zo belangrijk is voor de ontwikkeling van je kind.

Wie mij een beetje volgt, weet natuurlijk al waarop ik blijf haken: kunstmatige zuigelingenvoeding is in deze tekst weer de norm waartegen borstvoeding wordt afgezet. Borstvoeding is beter, borstvoeding geeft minder ziekte… dat is de omgekeerde wereld! Borstvoeding is normaal, is wat zoogdierjongen nodig hebben. Daarmee vergeleken is kunstmatige zuigelingenvoeding *slechter* en geeft het *meer* ziekte. De misleiding van ouders blijft maar voortbestaan: ze krijgen voorgeschoteld dat borstvoeding een extraatje biedt, niet dat het kunstmatige alternatief risico’s oplevert.
En dan dat eerste halfjaar… daarmee wordt indirect gezegd dat het daarna niet meer zo belangrijk is. Weten de opstellers van die tekst niet dat in dat tweede halfjaar bepaalde immunologische waarden juist omhóóg gaan, omdat de baby in die levensfase meer mobiel wordt en met meer ziekteverwekkers in aanraking komt? Of weten ze dat dondersgoed en laten ze het bewust weg?

Vermeldenswaard is trouwens dat er heel wat negatieve ervaringen met deze kolf in omloop zijn. Een collega vertelde over een moeder die bijna geen opbrengst meer had met deze kolf. Ze vroeg tot drie keer toe een nieuw exemplaar en uiteindelijk vroeg ze haar geld terug. De kolf die ze daarna koos, leverde een vier à vijf keer zo hoge opbrengst bij het kolven.

Over de kolf:
Na afloop van het kolven kan je de afgekolfde melk (…) direct aan je baby geven door de flessenspeen op de (…)fles te draaien.

Direct aan je baby geven…? Als je baby en jij bij elkaar zijn… waarom zou je dan kolven?

De voorkant van het boekje waarin allerlei producten worden aangeprezen, laat een lachende baby zien met een speen in de mond. Een speen is om uiteenlopende redenen niet zo’n goed idee, maar met zo’n foto wordt weer benadrukt dat het beeld van een baby-met-speen heel normaal is, een soort ondeelbare eenheid. Op de eerste pagina binnenin, als inleiding van de directeur:
(naam bedrijf) bewijst dat zorgen voor en genieten van opgroeiende kinderen gecombineerd kan worden.

Zo, wel, nou dan… dus we hebben bedrijf X nodig om te laten zien dat het zorgen voor onze kinderen niet een constant drama is waarvan je niet kunt genieten…? Wat voor droevige visie ligt hieronder?

Pagina 5:
Deze slimme fles is vanaf de geboorte te gebruiken en ideaal in combinatie met borstvoeding.

Even voor de duidelijkheid… wie *borstvoeding* geeft, gebruikt *geen* fles. Wie moedermelk geeft, heeft misschien een fles nodig, maar ook niet per se. En áls je dan al een fles gebruikt, dan is dat natuurlijk niet ‘ideaal’, want je baby is gebaat bij drinken aan de borst, om immunologische, anatomische en hormonale redenen die deze schrijvers onbekend of onwelgevallig zijn.

Pagina 7:
Flessenspeen met zachte afwerking die aanvoelt als de moederborst en zorgt voor meer zuiggrip

Dit is apert in strijd met de WHO-code, die voorschrijft dat producten die vallen onder de scope (en flessen en spenen horen daarbij) niet geïdealiseerd mogen worden en niet als net zo goed of beter dan de borst mogen worden gepresenteerd.

Pagina 11:
De brede flessenspeen is een extra brede flessenspeen die lijkt op de moederborst.

Dames, leg je borst ernaast en maak een afspraak met de plastisch chirurg, want ik denk dat je borst sterk afwijkt van deze speen ‘die lijkt op de moederborst’. Kortom: misleiding.

Door het boekje heen wordt een aantal keren opgemerkt dat alle producten en informatie tot stand zijn gekomen met hulp van lactatiekundigen. Ik kom er zo één-twee-drie niet achter welke dat zijn, maar die horen zich aan de WHO-code te houden, zoals alle IBCLC’s. Hoe kan dit gebeuren en hoe kan hun input voortduren?

Pagina 16:
Veel baby’s hebben een sterke zuigbehoefte. Vaak steken ze hun eigen duim of vingers in hun mondje om op te sabbelen. Duimzuigen heeft als nadeel dat het een slechte invloed heeft op de vorm van de mond en de ontwikkeling van het gebit. Daarnaast is het makkelijker om een kind het zuigen op een fopspeen af te leren. Tips hiervoor zijn te vinden in het Stoppen met Foppen Boek.

Dat is fraai, zeg: eerst de kinderen aan de speen helpen, met het verhaal dat dat beter is dan duimzuigen (alsof een speen geen schade aan de orale anatomie veroorzaakt…!) en vervolgens een boek proberen te verkopen om het kind weer van het speengebruik af te helpen! En waar blijft de wérkelijk onschadelijke methode om de zuigbehoefte te bevredigen, namelijk zuigen aan de borst?

Bij het plaatje van de speen:
Stimuleert de juiste ontwikkeling van de kaak- en mondvorm

Euhm… zie boven.

Na zeven bladzijden over spenen volgt informatie over antilekbekers.
Over de informatie heb ik niet zo veel te melden. Zelf ben ik echter geen voorstander van dit soort bekers. Een kind leert daardoor niet hoe de zwaartekracht inwerkt op vloeistoffen. Dat ze uit een beker of een kopje op je kleren en op de grond stromen als je niet goed oplet, dat is een waardevolle ontdekking. Als je een kind een gewone beker aanbiedt op een leeftijd waarop het eraan toe is, kun je samen dat leerproces doorlopen. Wil je voorkomen dat het aldoor overal een puinhoop is, dan moet je als verzorger inderdaad goed opletten en… dus ook aanwezig zijn. Is dat de reden dat de antilekbekers zo in trek zijn geraakt, omdat aan die voorwaarde lang niet altijd wordt voldaan?

Op pagina 28 worden lepels vertoond. Er wordt een kindje gevoerd dat overduidelijk nog geen halfjaar oud is, dus ook hier gaat weer het één en ander mis met de aanbevelingen die zeggen dat een kind het beste een halfjaar lang niets anders krijgt dan borstvoeding.

En aan het einde op pagina 33 een verhaaltje over het ‘Stoppen met Foppen boek’, onder de header ‘Coaching & Guiding’:
Samen met medische experts ontwikkelde (naam bedrijf) een aantal boeken om ouders te ondersteunen bij mijlpalen in het leven van een kind.
Het populaire Stoppen meet Foppen boek bestaat uit een 15-daags stappenplan waarbij kinderen op spelenderwijs worden voorbereid op het afscheid nemen van de vertrouwde speen. Op de laatste dag van het stappenplan wordt het kind gevraagd de fopspeen op te sturen naar Soe Soe de fopspenenfee.

Mijlpalen in het leven van een kind… ik heb daarbij een andere voorstelling, maar dat kan natuurlijk aan mij liggen.

En dan tot slot de brief om nog meer aandacht voor de kolf te vragen; die opent als volgt:

“Ik lijk wel een melk koe!”
Professionals op het gebied van borstvoeding zullen deze uitspraak vaker gehoord hebben. Dit zou toch niet het beeld moeten zijn dat vrouwen hebben als ze aan kolven denken?
(…)
Ons doel: Moeders de kans geven om zo lang mogelijk zonder obstakels borstvoeding te geven.
Weg met het melk koe effect!
(…)
Als professional wil je de cliënt toch niet onthouden van de moderne mogelijkheden op het gebied van kolven. In samenwerking met een professioneel team waaronder 2 Lactatiekundigen hebben wij in 5 jaar tijd de (…) mama vriendelijke borstkolf ontwikkeld.

Nog afgezien van de diverse taalfouten in deze tekst… is het niet om droevig van te worden?
Is dit de manier waarop ik mij als professional wil laten aanspreken door een bedrijf dat niet borstvoeding, maar moedermelkvoeding wil stimuleren?
Ik lees op de laatste pagina van de brief dat ik mij kan laten trainen door dit bedrijf. Ik zal, onder toezending van de link naar dit blog, laten weten dat ik daarvoor geen belangstelling heb. De folders en het mapje met een geluidsopname van de werkende kolf kunnen nu wel weg.

woensdag 11 december 2013

Over (on)betaalde bezigheden

Helemaal kriegel word ik ervan, van die stukken in de krant die hele groepen diskwalificeren, niet alleen hele groepen mensen, maar ook hele groepen taken, hele groepen bijdragen aan wat in z’n totaliteit de samenleving vormt. Meer concreet gaat het me om het begrip ‘werk’ en wat er wel en niet onder wordt geschaard. Geregeld kom je in allerlei omgevingen namelijk die bijzondere termen tegen: ‘werkende vrouwen’, ‘werkende moeders’, maar ook ‘niet werkende vrouwen’ en ‘niet werkende moeders’. Bij mij komt dan altijd de vraag op: “Bestaan die dan, moeders die niet werken?”

In mei van dit jaar schreef ik samen met onze oudste dochter dit artikel op de website Joop.nl , Jouw Online OpiniePagina. Hierin gaven we aan wat ons bezwaar is tegen de veel gehanteerde definitie van ‘werk’. Ik schreef er trouwens al eerder diverse blogs over, zoals hier, en wil er nu opnieuw aandacht aan besteden, want het is een hardnekkige kwestie. Dat kan geneuzel lijken, maar taalgebruik heeft een grote invloed op de perceptie van begrippen. Ik breng in het kader daarvan nog maar weer eens het artikel van Diane Wiessinger onder de aandacht, ‘Watch Your Language’.

Ik heb op vanDale het woord ‘werken’ ingegeven, want als we niet weten waarover we het hebben, dan valt er moeilijk een zinnige uitspraak over te doen. Dit is wat ik vond:
wer·ken (werkwoord; werkte, heeft gewerkt)
1 bezig zijn, zijn krachten gebruiken: aan een roman werken
2 betaalde arbeid verrichten, een beroep uitoefenen: waar werk je?; werk ze! werk prettig!
3 uitwerking hebben: op de zenuwen werken invloed uitoefenen op
4 krimpen en uitzetten van hout door weersinvloeden
* iets naar binnen werken opeten; iemand de kamer uit werken maken dat hij de kamer verlaat

Wanneer er wordt gesproken over ‘werkende moeders’, wordt meestal op betekenis 2 geduid. Het betreft dan niet zozeer het woord ‘moeders’, maar het woord ‘werkende’. Het moederschap zelf wordt niet als beroep gezien en wat zij doet is geen werk.
Velen zijn van mening dat je werkt wanneer je een betaalde baan hebt, bij voorkeur buitenshuis, of nog specifieker: buiten je éigen huis, want als je bij iemand ánders in huis de rommel opruimt en voor de kinderen zorgt, dan heet het wel ‘werken’. Is dat niet merkwaardig? Stel je voor, ik heb een buurvrouw met jonge kinderen en onze eigen kinderen vergen ook nog zorg en aandacht. Wanneer wij allebei in ons eigen huis datgene doen wat nodig is om de zaken goed te laten verlopen, ‘werken’ wij geen van beide. Wisselen wij daarentegen van huis en doet zij bij mij de huishouding en ik bij haar en wij ontvangen daarvoor van elkaar een salaris… dan werken we allebei. Financieel schieten we er niets mee op (ervan uit gaande dat we beiden hetzelfde verdienen) en onze kinderen worden er ook niet veel wijzer van. Zij worden immers verzorgd en getroost door iemand die ze weliswaar goed kent, maar die niet dezelfde band met ze heeft als hun eigen moeder, die ze gedragen en gebaard heeft en mogelijk nog voedt.

Hoe komt het, dat het ouderschap en meer nog het moederschap in onze samenleving zo weinig aanzien heeft? Waarom worden het begeleiden van (eigen) kinderen naar volwassenheid en het erbij behorende zorgen voor een (eigen) veilige en gezonde thuisomgeving betiteld als ‘niet werken’? Wanneer je het woord ‘eigen’ vervangt door ‘andermans’, hebben we blijkbaar een totaal andere situatie en gaan de politieke debatten over de vraag hoe we de kwaliteit hoog kunnen houden met het oog op het economisch belang.

Dit hele onderwerp is een politieke aangelegenheid. Er ligt een sterke focus op geld en op activiteiten die in het huishoudboekje van de overheid worden geregistreerd en waaraan een prijskaartje kan worden gehangen. Arbeid die niet financieel wordt beloond met een salaris dat ergens wordt genoteerd, lijkt voor de overheid niet mee te tellen. De indruk wordt gewekt dat die vorm van inspanning geen bijdrage levert aan de samenleving, aan de economie, aan het welzijn en de welvaart. Wat niet in geld kan worden uitgedrukt, lijkt van ondergeschikt belang. En het is niet eens alleen een ‘rechts-liberaal’ issue; ook de partijen ter linker zijde gaan erin mee. Ook daar wordt het belang van aandachtige, liefdevolle en dus tijdrovende zorg in de jonge jaren van een kind schromelijk onderschat.
Pathologie die voortvloeit uit suboptimale of slechte zorg in het begin, leidt tot enorme persoonlijke, emotionele en gezondheidsschade later in het leven. Daarmee wordt het dan dus ook een sociale, maatschappelijke, economische aangelegenheid met financiële gevolgen, ook als je niet in exacte cijfers de vinger erop kunt leggen.

Op woensdag 27 november 2013 las ik een stuk in de Volkskrant met de kop ‘We zijn een traditioneel volk’. De ondertitel luidde: Nog steeds zijn het de mannen die vaker en langer werken en de vrouwen die meer tijd aan het huishouden besteden. Ook lunchen we massaal om half een en liggen we voor elven in bed.

Langer ‘werken’? Wat doen ze dan, als ze ‘werken’? En wat doen al die mensen die ‘niet werken’ in die tijd?
Het artikel vervolgt met meer uitleg. Op de eerste zin daarvan valt niets aan te merken; als dat is gemeten door het Sociaal en Cultureel Planbureau, dan is dat zo: De groei van het aantal uren dat wij betaalde arbeid verrichten, is tot stilstand gekomen. Dat is een constatering die verder niets zegt over hoe we onze tijd doorbrengen. Belangrijk is overigens wel dat dit niet per se betekent dat we minder zijn gaan werken! Dat hangt namelijk, zoals waanzinnig veel in het leven, volledig af van de definitie die je hanteert.
Als we spreken over ‘werken’, zou ik graag zien dat betekenis 1 van vanDale wat meer nadruk krijgt: bezig zijn, je krachten gebruiken. Met die definitie gaan de percentages van hoeveel iedereen werkt drastisch omhoog.

Wie werkt, begint vooral tussen 8 en 9.

Geloof me… wanneer we als ouders pas rond 8.00 uur beginnen, slagen we er zeer zeker niet in om onze kinderen op tijd op school te krijgen.

Vrouwen werken gemiddeld 17,9 uur, mannen 32,4 uur. Bijna veertig jaar geleden, in 1975, lag dat op 6,8 tegen 32,3 uur; in 1995 was de verhouding al iets minder scheef: 12,6 tegen 32,9 uur.

Boeiende cijfers, niet waar? Een week heeft 7 x 24 = 168 uur. Daarvan werken vrouwen in 2013 blijkbaar 17,9 uur, maar in 1975 waren ze maar gedurende 6,8 uur nuttig voor de samenleving. Wie gelooft dat…? Overigens is die samenleving blijkbaar arbeidsintensiever en drukker geworden in krap veertig jaar, want in totaal ‘werkten’ mannen en vrouwen samen 39,1 uur in 1975, 45,5 uur in 1995 en 50,3 uur in 2011 of 2013! Waar zijn we zo druk mee? Niet met zorg, want dat is geen ‘werk’, toch?

De arbeidsparticipatie van vrouwen van 20 jaar en ouder lag in 2011 op 64 procent. Dat betekent dat bijna tweederde van de vrouwen ten minste twaalf uur per week werkt. Een jaar na de geboorte van het eerste kind heeft slechts 10 procent van de moeders een volledig baan.

Die 10 procent… zorgt die volledig voor hun kind, náást het verrichten van 40 uren betaalde arbeid? Hoe moet ik mij dat voorstellen? Wat betekent dat voor de behoeftebevrediging van die baby’s?
En als er iemand anders voor die baby’s zorgt… werkt die dan wél? En waarom die 90% dan niet?

Over dit aspect schrijft Ingeborg Bosch (zie hier mijn blog van vorige week over haar visie) het volgende in haar boek ‘De onschuldige gevangene’: We zouden met de moderne kennis van de psychologie misschien eindelijk eens een generatie groot kunnen brengen die zichzelf en het leven werkelijk aankan. De mensen die dat op zich nemen, en voor het merendeel zijn het nu eenmaal vrouwen, zouden we moeten koesteren. Ze zouden cursussen moeten kunnen volgen en er een financiële vergoeding voor krijgen. Dat is een gezamenlijke maatschappelijke verantwoordelijkheid ten opzichte van de volgende generatie. Het argument tegen zorgloon is dat het de kans op terugkeer naar de arbeidsmarkt zou verkleinen. Dat houdt dus de visie in dat de zorg thuis geen onderdeel van het arbeidsproces is. Wat een onderschatting en wat een minachting. Het feminisme heeft een gaatje laten vallen: veel moeders met kleine kinderen zitten maatschappelijk nog steeds in de klem.

Zorg voor baby’s en jonge kinderen is een hoogwaardig (arbeids)onderdeel van de samenleving, of je er nu wel of niet een salaris aan koppelt. Het wordt tijd voor ‘evidence based’ politiek beleid op dit terrein!

zondag 8 december 2013

Wat doen we ze aan?


En alweer was het zaterdag vandaag. Die dag begint bij mij in principe met ontbijt en het Volkskrant-magazine. Ook vorige week, zaterdag 30 november, was dat het geval en de hele week al ligt het magazine naast mijn laptop op tafel. Er stond namelijk een stuk in dat me aan het denken heeft gezet, een aangrijpend artikel. De titel is ‘Wraak van een vader’ en het gaat over de gedachten van de moeder over de dood van haar twee zoons. De tekst is geschreven door Maud Efting en de inleiding luidt als volgt:
Lucelle, de moeder van de tweeling (10) die begin september in Schoonloo door hun vader werd vermoord, wil dit gezegd hebben: haar zoons waren gelukkig, en hun vader had het recht niet hen van het leven te beroven. ‘Daar is nooit een reden voor.’

Voor de helderheid: ik ben het er uiteraard volstrekt mee eens dat ouders hun kinderen niet van het leven mogen beroven. Moord is daarvan de ultieme vorm. Er zijn echter vele andere manieren waarop je als ouders je kinderen voor een deel van hun gelukkige leven kunt beroven. Sommige daarvan zijn sociaal gezien zelfs uitermate geaccepteerd en worden in het geheel niet gezien als iets waartoe ouders het recht niet hebben. Daarom wordt dit mogelijk een oncomfortabel blog. Het zij zo; ik ben van mening dat bepaalde zaken te vaak onder het vloerkleed worden geveegd en ik wil dat vloerkleed eens optillen. Ik zal dat, zoals geregeld de laatste tijd, doen aan de hand van citaten, dit keer uit het magazine van vorige week.

Lucelle is bijna 18 als ze Bernd voor het eerst ontmoet in een ruige nachtkroeg in Groningen. (…) Bernd is drie jaar ouder, een totaal ander type. (…) Op dat moment zit ze in haar eindexamenjaar. Ze woont bij haar moeder, maar dat gaat niet goed. Sinds de scheiding van haar ouders mag ze haar vader nauwelijks zien, en daar verzet ze zich tegen: ze wil dat het eerlijk wordt verdeeld. ‘Ik was kwetsbaar. Bernd was een van de eerste mannen die ik tegenkwam en we woonden al snel samen. Ik was verliefd. Bernd was charmant; hij kon alles voor elkaar krijgen bij mensen. Pas veel later kwam ik erachter dat hij twee gezichten had. Hij kon heel onaangenaam zijn. Onberekenbaar. (…) Als kind was hij onhandelbaar. (…) Ook zijn ouders konden hem op een gegeven moment niet meer aan. Ze hebben hem zelfs een tijd lang uit huis laten plaatsen, in een jeugdinternaat. Ze vonden dat hij hard moest worden aangepakt.

Deze alinea zit al tjokvol met zorgelijke aspecten. Lucelle is kind van gescheiden ouders en de periode na de scheiding verloopt moeizaam. Ze wil ook bij haar vader zijn; de loyaliteit naar beide ouders toe verscheurt haar emotioneel en ze wordt er onzeker van. Dat heeft invloed op haar partnerkeuze.
Bij Bernd thuis gaat het ook niet goed. Zijn ouders zijn niet in staat hem de zorg te bieden die hij blijkbaar nodig heeft, want hij word ‘onhandelbaar’ en wordt uiteindelijk zelfs uit huis geplaatst. Ze denken dat een harde aanpak de oplossing is. Bernd wordt hierdoor waarschijnlijk voor het leven getekend, met uiteindelijk tragische gevolgen.Voor meer ideeën over de gevolgen van straf en een harde aanpak verwijs ik graag naar het werk van Alfie Kohn. (Overigens is uit huis plaatsen voor een wat ouder kind denk ik vergelijkbaar met het wegleggen en alleen laten van een huilende baby: beide kinderen krijgen niet de liefdevolle zorg die ze, juist als het moeilijk met ze gaat, zo vreselijk hard nodig hebben.)

‘Ik was ergens in de 20, zegt Lucelle, ‘toen ik erachter kwam dat Bernd er naast mij andere vrouwen op nahield.’ Het zijn er velen, al weet ze dat dan nog niet. (…) Talloze keren maakte ze het uit. ‘Maar steeds wist hij me op kwetsbare momenten weer naar zich toe te trekken. (…) Ik had alle reden, zegt Lucelle, om bij hem weg te gaan. Ik neem het mezelf nu elke dag kwalijk dat ik dat toen niet heb gedaan. Ik heb daar wel boeken over gelezen. Zonder al te veel te willen psychologiseren, weet ik dat er vrouwen zijn met een nogal vergaand, helpend karakter. Vrouwen die voortdurend proberen iemand te helpen die eigenlijk niet geholpen wil worden. Kennelijk haalde ik daar iets uit. Anders was ik niet zo lang bij hem gebleven.’

Hier wordt gesteld dat Bernd er telkens weer in slaagt om Lucelle voor zich te winnen. Zoiets heeft echter alleen maar kans van slagen als ook de ander, Lucelle in dit geval, met dat spel meedoet. De oorzaak dat deze dynamiek in stand blijft, ligt dus bij beide partners. Ze vallen vermoedelijk beide ten prooi aan een diep verlangen om de onvervulde behoeften van de kindertijd alsnog te bevredigen en zo houden ze elkaar gevangen in een destructieve interactie.

Lucelle ontdekt op een goed moment, als inmiddels de tweeling is geboren en Bernd op de maandagen uitstapjes maakt met de kinderen, dat hij toch weer in het geheim een relatie met een andere vrouw heeft. Hij heeft die andere vrouw verteld dat hij in scheiding ligt. Lucelle krijgt contact met deze vrouw en samen ontdekken ze dat er heel veel niet klopt in de uitspraken van de man met wie ze samenleven.

Dat was het moment waarop ik besloot dat ik niet meer gemanipuleerd wilde worden.

Deze gedachte is blijkbaar niet nieuw. Lucelle weet dat ze wordt gemanipuleerd en heeft zich dit jaren laten aanleunen. Ligt het voor de hand dat een mens dat accepteert, wanneer er sprake is van een goed ontwikkeld zelfbewustzijn? Wanneer je weet wat je waard bent, laat je dan jaar in jaar uit toe dat degene met wie je getrouwd bent, misbruik maakt van je vertrouwen?

Ze vertelt Bernd dat ze wil scheiden en zijn reactie is heftig.
Ik sliep, maar ineens hoorde ik enge geluiden. Toen ik naar beneden ging, leek hij aan de trap te hangen. Maar toen ik er was, had hij zichzelf al bevrijd. Trillend stond ik daar. Ik dacht: oh god, straks hebben mijn kinderen geen vader meer. Maar ik wist dat ik moest doorzetten. Nog steeds denk ik dat hij het niet echt heeft willen doen. Hij wilde laten zien: dit gebeurt er als je weggaat.

De situatie wordt met dit voorval grimmiger. Er kan worden gezegd dat Bernd alle mogelijke chantage- en manipulatiemethoden in de strijd werpt. Evengoed kan worden gezegd dat de wanhoop die Bernd als kind voelde, steeds grotere vormen aanneemt en tot steeds extremer gedrag leidt. Kunnen we hem dit aanrekenen?

In 2006 scheiden ze. ‘Ik herinner me nog goed dat ik in mijn auto zat, met de kinderen achterin en een boedelbak met de belangrijkste spulletjes. Ik dacht: en nu ben ik echt weg.’

De kinderen maken dit allemaal mee. Wat doet dit met hun loyaliteitsgevoel? Hoe verhoudt zich hun emotionele beleving tot die van Lucelle toen zij zelf met de scheiding van haar ouders te maken kreeg?

Er volgt co-ouderschap.
‘Zo wilde ik het ook. Door mijn verleden had ik een sterk rechtvaardigheidsgevoel: het moest eerlijk gaan.’ De regeling loopt goed. (…) Wel krijgen ze een financieel conflict. ‘Ik zei: Bernd, je hebt me verschrikkelijk belazerd, ik wil dat je dit rechtzet. Eerst probeerde ik het zelf op te lossen, maar hij stond nergens voor open. Uiteindelijk ben ik naar de rechter gegaan.’ De tweeling merkt daar niets van. ‘Ik heb het ze nooit verteld. Hij deed dat volgens mij ook niet.’
De kinderen wennen snel aan het ritme. ‘Ze hebben er nooit echt verdriet over gehad. Het was zo. Als ze bij mij kwamen, zeiden ze altijd: we hebben je zo gemist, mama. En dan knuffelden we.

Lucelle geeft hier aan dat ze een sterk rechtvaardigheidsgevoel heeft ontwikkeld. Om te weten of dingen ‘eerlijk’ gaan of ‘eerlijk’ voelen, zouden we echter niet de ouders, maar de kinderen moeten vragen. Wat ouders als ‘eerlijk’ ervaren, kan door de kinderen heel anders worden beleefd. En al gaat het nóg zo ‘eerlijk’, dan hoeft het nog steeds niet prettig te zijn. En daarvoor hoeft er ook niet per sé te worden geschreeuwd. Kinderen nemen op een subtiel niveau waar of dingen in orde zijn. Ze voelen de stress van de ouders; cortisol is besmettelijk, zogezegd. En wanneer je midden in een rechtszaak zit en er financiële problemen zijn, dan is stress onvermijdelijk. Dat kinderen wel vóelen dat er van alles aan de hand is, maar niet weten wát er speelt, dat maakt het juist extra ingewikkeld voor ze. Dat ze niet klagen, betekent niet onvermijdelijk dat ze gelukkig zijn en nergens wat van merken. Puur het feit dat papa niet meer in huis woont, is immers al onontkoombaar. Als ze dan ook nog thuiskomen en zeggen dat ze mama zo hebben gemist… kunnen we dan in alle redelijkheid volhouden dat deze kinderen geen verdriet van de situatie hebben ondervonden?

‘De jongens zeiden nooit dat ze niet naar hun vader wilden. (…) Wel ging het soms mis als Jasper of Marijn met een vriendje had afgesproken. Bernd kon soms zomaar ineens zeggen dat het niet doorging. Hun vriendjes stonden dan teleurgesteld op het schoolplein, maar daar had hij geen boodschap aan. Hij liep gewoon door. ‘Marijn had daar de meeste moeite mee. Voor de zomer had hij een belangrijke kampioenswedstrijd van voetbal, maar ineens zei zijn vader: we gaan niet. Marijn was in tranen. Ik ben een week bezig geweest om te onderhandelen met Bernd. Maar zijn credo was: ik zeg het en dus moeten mijn kinderen luisteren. Dat was het enige waarover de jongens klaagden. Maar het werd nooit zo erg dat ik dacht dat het niet kon worden opgelost. We hadden een financieel conflict, maar we zaten niet in een vechtscheiding. In het bijzijn van de kinderen hebben we nooit ruzie gemaakt. Ze hebben ons nog nooit horen schreeuwen. Jasper en Marijn waren gelukkig.

De onredelijkheid, de oneerlijkheid van de beslissingen van hun vader… dat was ‘het enige’ waarover de kinderen klaagden. Is dat een kleinigheid…? Of leidt die onhebbelijkheid van hun vader tot beslissingen die de jeugd van deze jongens kleurt? En hoe komt het dat Lucelle dit soort zaken, die diep ingrijpen in hoe een kind de veiligheid bij en het vertrouwen in de ouders ervaart, niet als heel ernstig beschouwt? Komt dat omdat ze zelf nog veel ergere dingen meemaakte toen ze jong was? Of komt het omdat we als samenleving te weinig de ernst van dit soort gebeurtenissen inzien, dat we ons niet of onvoldoende realiseren wat de impact ervan is op het functioneren van het kind als het eenmaal volwassen is?

‘Wat als ik hem had gezien voor de man die hij was? Had ik het kúnnen voorzien? Had ik het moeten zien? Waarom ben ik zo lang bij hem gebleven? (…) Hij had wel zakelijke problemen en er was een relatie verbroken. Maar dat zijn geen redenen om je kinderen iets aan te doen. Daar is nooit een reden voor. (…) Ik elke geval neem ik het mezelf nu verschrikkelijk kwalijk dat ik daar nooit het gevaar van heb ingezien [van het zelfbeeld van Bernd, MVK]. Daar moet ik nu doorheen. Ik weet echt niet hoe ik daar verder mee moet leven. Ik wilde dat ze hun vader even vaak zagen als hun moeder. Daar zorgde ik voor, ondanks het feit dat ik hem vaak een onhebbelijke man vond en het liefst niets meer met hem te maken wilde hebben als er geen kinderen waren geweest. Maar ze hadden recht op een vader en op een jeugd zonder geruzie. Dat heb ik ze gegund – vanaf het allereerste begin.

We nemen in de opvoeding waarschijnlijk allemaal als uitgangspunt dat we onze kinderen niets willen aandoen wat hen schade berokkent. Toch is het een gegeven dat we in onze onvolmaaktheid allemaal dingen doen die hen pijn doen, lichamelijk of geestelijk. Moord is daarvan het aller-uiterste. Toch kunnen we hun ziel ook beschadigen en hun levenslust een stukje doden door minder extreme handelwijzen: schelden, straffen, vernederen, slaan, alleen laten, behoeften negeren, hun veilige thuis ontmantelen, er niet voor ze zijn met liefde en aandacht omdat we te weinig tijd vrijmaken, hun plannen niet serieus nemen, hun enthousiasme inperken. Hoe zwaarder belast de geschiedenis van de beide ouders is, hoe groter de kans dat ze de zorg voor hun kinderen als belastend ervaren en er niet in slagen de veilige basis voor hun gezin te behouden. De situatie met Lucelle en Bernd en hun kinderen is daarvan een uitzonderlijk voorbeeld. Laten we ons er als ouders bewust van zijn dat het vaak een gradatieverschil is en geen wezenlijk verschil, hoe erg in dit geval de uitkomsten ook zijn. Lucelle en Bernd waren allebei beschadigd door hun baby- en kindertijd en dit transgenerationele effect is helaas meer regel dan uitzondering. Mijn conclusie is dan ook dat in dit gezin iedereen slachtoffer was en beide ouders een aandeel hadden in het verloop van het geheel.
Wat kunnen we doen als samenleving om schade aan kinderen te voorkomen? Deel gerust je visie hieronder!

woensdag 4 december 2013

Richtlijn excessief huilen en Ingeborg Bosch

Afgelopen week las ik het boek ‘De onschuldige gevangene’ van Ingeborg Bosch.
Dit boek beschrijft de risico’s van het niet bevredigen van de behoeften van pasgeboren baby’s en jonge kinderen. De schrijfster legt uit hoe dat tot afweermechanismen leidt die in het volwassen leven je functioneren in de weg staan. Het boek is geen pleidooi voor ongebreideld verwennen in een latere levensfase, maar voor de erkenning van de intense afhankelijkheid van baby’s in de vroege fase. Het is een zeer ongemakkelijk boek voor wie zijn of haar rol als ouder niet heel kritisch onder de loep wil nemen.

Onlangs schreef ik in een uitwisseling op Facebook dit aan een collega:
“Ik denk dat veel kinderen de onrust van hun ouders spiegelen. Voor onze oudste, die ook enorm veel heeft gehuild, gold dat denk ik ook. Ik ben benieuwd hoe ik daar nu mee zou omgaan, met de kennis en de inzichten die ik nu heb. Het idee dat de onrust van een kind in essentie de onrust van de ouders is, is voor veel ouders (én zorgverleners) echter een heel glibberig terrein, een gebied waarop velen zich niet durven wagen, want het betekent dat je naar je eigen geschiedenis moet kijken, naar hoe je ouders met jóu omgingen toen je zo klein was. Zoals Alfie Kohn in De Rode Hoed zei: "It is too troubling for people to consider the fact that their parents were not as terrific as they made them up." Het is een eindeloze keten van oorzaak en gevolg en we staan allemaal ergens op dat continuüm. De literatuur die ik de laatste jaren heb gelezen over stressregulatie en epigenetica hebben me de intense, holistische samenhang tussen dingen laten zien. Het is puur evolutionair gewoon ondenkbaar dat zoveel kinderen zoveel huilen en vervolgens zoveel inperking nodig hebben. Zo had onze soort nooit kunnen overleven. Het zegt volgens mij heel veel over hoe we onze samenleving hebben ingericht, over hoe het geboorteveld vorm heeft gekregen en over hoe we met de vroege ouderschaps-/kinderjaren omgaan.”

Het boek van Ingeborg Bosch (en de door haar ontwikkelde therapie Past Reality Integration) gaat over de bagage van de ouders, de afweermechanismen die ze als gevolg daarvan hebben ontwikkeld en hoe dat alles van invloed is op de zorg die ze hun kinderen kunnen bieden. Ze vertelt hoe jonge kinderen al die ervaringen weliswaar nog niet in hun narratieve geheugen kunnen opslaan, omdat dat nog niet volgroeid is in die eerste periode, maar hoe ze desondanks een herinnering opbouwen. Op het Indonesische eiland Bali , zo schrijft Bosch, worden baby’s gezien als een gift van de goden. Baby’s moeten daarom met respect worden behandeld, omdat ze zich anders wellicht bedenken en terugkeren naar de godenwereld. Balinese baby’s raken daarom de eerste maanden van hun leven de aardse grond niet aan, maar worden altijd gedragen en men laat ze nooit huilen.

Wie schetst mijn verbazing toen ik in het kader van dit onderwerp op bladzijde 77 de volgende tekst tegenkwam:
Hoe kunnen we anders bijvoorbeeld verklaren dat er officiële adviezen zijn voor het omgaan met ‘huilbaby’s’ – nota bene gedefinieerd als dat wat de ouders ervaren als een huilbaby [een bezwaar dat ik ook altijd heb gemaakt ten aanzien van de definitie in de huilrichtlijn! MVK] – waarbij de ouders een aantal weken lang naast het aanbrengen van regelmaat en voorspelbaarheid in de dagindeling, volgens een bepaald schema hun kind in bed moeten achterlaten als het huilt. Er wordt gesteld dat een baby het nodig heeft om 5 à 20 minuten te huilen om dan ‘opeens’ in slaap te vallen. Geadviseerd wordt om een kookweker op 30 minuten te zetten om zo de huiltijd objectief in de gaten te houden. (…)

Heeft de baby geleerd zichzelf te troosten of tegen zichzelf te zeggen dat mama straks echt wel weer komt? Of om ‘zelfbekwaam te worden in het reguleren van zijn gedrag’, zoals in het advies wordt gesteld? Ik denk het niet. Hoe kan een jonge baby van 1 tot 13 weken, want om die groep gaat het in dit advies, ‘bekwaam worden in het reguleren van zijn eigen gedrag’? Dit arme kind heeft geleerd dat het geen zin heeft om te huilen. Het heeft het opgegeven, zijn onmacht en hulpeloosheid zijn tot een maximum gestegen. In de woorden van Van der Kolk: zijn psyche is verstijfd/verstard geraakt, de ervaring zelf is in brokstukken afgesplitst in de lagere hersenen en de baby huilt niet of nauwelijks meer. Of nogmaals in de duidelijke en veelzeggende woorden van Marianne Riksen [Walraven, hoogleraar ontwikkelingspsychologie]: ‘Het zenuwstelsel van een baby beschikt niet over een rem om de stress te stoppen. Dat moet een buitenstaander doen. Als je een baby stelselmatig lang laat huilen, zal hij later moeite hebben met stressregulatie en het omgaan met spanningen.’

Blijkbaar duurt het een paar weken voordat een kleine baby zover is dat hij een staat van opgeven – eerst wanhoop (toename van huilen) en daarna hopeloosheid en onmacht (afname van huilen) – bereikt. Hoe schrijnend dat de afname in huilen door de opstellers van deze adviezen gezien wordt als een positief teken. Dit laat zien hoe ver wij nog afstaan van het goed aanvoelen en afstemmen van onze reactie op de gevoelens en verwachtingen van de baby – de eerdergenoemde wezenlijke vaardigheid van attunement of empathie.

Bladzijde 79:
Het is pijnlijk om te bedenken dat de soort aanpak waarbij geadviseerd wordt baby’s net zo lang te laten huilen totdat ze zelf in slaap vallen, met de kookwekker op 30 minuten [in de nieuwe versie wordt maximaal 20 minuten gezegd…], vanuit overheidswege wordt geadviseerd aan nietsvermoedende ouders die de traumaliteratuur niet kennen. Als we weten dat bij slechts 3 procent van de huilbaby’s een somatische oorzaak wordt gevonden voor het huilen, weten we dat al het andere excessieve huilen te maken heeft met emotioneel onbehagen. Een situatie waarin de baby ons maar al te hard nodig heeft om getroost, gerustgesteld, gekoesterd te worden in warmte, liefde en veiligheid. Hoe vinden we het nu, nu we volwassen zijn, als er niet gereageerd wordt op onze signalen van ontstemd zijn? (…)

Overigens wordt in hetzelfde officiële advies voor het omgaan met huilbaby’s, dat dateert uit 2005, geadviseerd om de baby niet continu te dragen en deze niet te voeden als zij huilt. De kern van het advies is zoals gezegd om niet direct te interveniëren, ‘zodat het kind zelf bekwaam wordt in het reguleren van zijn gedrag.’ Op aanraden van de overheid dus een aanzienlijke verlaging van de ouderlijke responsiviteit. Bovendien wordt in het rapport de suggestie gedaan om deze ‘bewezen effectieve aanpak’ ook toe te passen als preventieve maatregel. Als het zo goed werkt bij huilbaby’s, waarom dan de aanpak niet ook breed inzetten en op iedere baby toepassen? Misschien moeten we snel een kijkje nemen op Bali bij de goddelijke baby’s en vooral bij hun ouders?

Terugkeren naar de godenwereld betekent in de Balinese traditie: zuigelingensterfte. Men houdt de baby dus constant bij zich om sterfte te voorkomen en de baby veiligheid te bieden. In de richtlijn wordt het veelvuldig dragen echter min of meer ontmoedigd en het laten huilen wordt zoals gezegd aangemoedigd. Er is duidelijk nog een lange weg te gaan en ik wil graag herhalen wat ik vorige week zei: laten we er als samenleving alles aan doen dat onze kinderen niet met een achterstand beginnen. Er komt nog genoeg op hun pad waarvoor ze alle zeilen moeten bijzetten. Dan moeten die zeilen geen gaten bevatten die tot schipbreuk leiden. Bij tegenwind moeten ze juist de wind kunnen opvangen, zodat er koers kan worden gehouden.
Welke sturing zal de Nederlandse overheid op deze route kunnen en willen bieden? Heeft ze de moed om een richtlijn af te keuren en te laten terugtrekken op grond van de wetenschappelijke inzichten die royaal voorhanden zijn? Op pagina 16 van de richtlijn lezen we immers: De geldigheid van deze richtlijn verloopt eerder, indien resultaten uit wetenschappelijk onderzoek of nieuwe ontwikkelingen aanpassing vereisen.
Het is zover! De resultaten zijn er, allang, en de nieuwe ontwikkelingen ook, dus... herzien die tekst!

P.S. Ik weet dat Bosch naar de richtlijnversie van 2005 verwijst, maar helaas zijn veel van de punten die ze aanhaalt, ook in de huidige versie nog steeds terug te vinden. Er is in die tussenliggende acht jaar dus veel te weinig verbeterd.

woensdag 27 november 2013

Richtlijn excessief huilen en Alfie Kohn

Op 14 november woonde ik de beide lezingen bij die Alfie Kohn gaf in De Rode Hoed in Amsterdam. De afgelopen periode las ik zijn boeken ‘Unconditional Parenting’ (Onvoorwaardelijk ouderschap) en ‘Punished by Rewards’ (Gestraft door beloningen). Beide boeken bepleiten een verstandhouding tussen ouders en kinderen (en docenten en leerlingen/studenten, en werkgevers en werknemers) die is gebaseerd op vertrouwen en waardering. Dat de één in de relatie theoretisch meer ‘macht’ heeft, zou er niet toe moeten leiden dat die macht ook wordt ingezet. “Hoe meer macht je gebruikt”, zegt Kohn, “hoe minder invloed je hebt. Macht is verwoestend voor de relatie met de ander.” Hij benadrukt dat dwang en macht slechts tot tijdelijke gehoorzaamheid leiden en niet tot een intrinsieke motivatie die het kind (of de student of de werknemer) aanzet tot datgene wat goed en fijn en wenselijk is. Voor meer van zijn uitspraken, zie hier.
(Foto via Live on Demand)

Wanneer de angst voor straf, de angst niet beloond te worden of de angst voor onthouding van prettige dingen, leidend is voor de keuzes die je in het leven maakt, dan is er geen sprake van vrij en ongedwongen creatief en leergierig zijn. Je zult dan veel minder geneigd zijn om risico’s te nemen, uitdagingen aan te gaan en fouten te maken. Je kiest daarentegen een aanpak die de grootste kans op succes en beloning biedt en de kleinste kans op straf. Bij een gemakkelijke opgave is de kans op een 10 immers groter.
Nog meer intrigerende uitspraken: “Het is veel gemakkelijker om ervan uit te gaan dat het probleem bij het kind ligt in plaats van bij het systeem. We moeten ons echter afvragen wat er aan de hand is. Als het kind niet doet wat wij zeggen, als het niet aan onze verwachtingen voldoet, dan is het zeer wel mogelijk dat het probleem bij onze verwachtingen en eisen ligt, in plaats van bij het kind.”

Wanneer we kijken naar de langetermijnwensen voor onze kinderen, is ‘compliance’, volgzaamheid, daar dan één van? Willen we dat onze kinderen klakkeloos opvolgen wat hun door anderen wordt opgelegd? Of zien we graag dat ze zich tot autonome, creatieve denkers ontwikkelen, die in hun sociale omgeving met empathie met anderen kunnen omgaan, zich kunnen inleven in wat hun handelingen voor anderen betekenen, zowel op kleine als op grote, mondiale schaal?
Belangrijke vragen zijn dus: “Wat wensen we onze kinderen toe voor de lange termijn?” en “Wat heeft het kind daarvoor nodig en hoe kan ik als ouder dat bieden?”

Dat is een heel grote vraag, eentje die ons de rest van ons leven als ouder zal bezighouden. Een boek als ‘Evolution, Early Experience and Human Development’ biedt prachtig zicht op waar die behoeften van onze kinderen liggen. Wat ze het allermeeste nodig hebben, is een gevoel van veiligheid. En zoals Kohn zegt: “Als je kinderen er een potje van maken en alles loopt mis... juist dán hebben ze jouw onvoorwaardelijke liefde het hardst nodig.”

Hoe verhoudt zich dit alles tot wat er in de richtlijn voor het omgaan met excessief huilen wordt bepleit? Bij die richtlijn hoort dus helaas ook het boekje van Ria Blom, dat ik de afgelopen twee weken heb geanalyseerd. Je vindt deze blogs hier en hier. Het boekje ademt een sfeer van macht waarmee ik grote moeite heb. Het suggereert dat die kleine, intens afhankelijke baby zo snel mogelijk onafhankelijk moet worden, zodat ze je niet meer nodig heeft.
Wat doet het met onszelf, als iemand duidelijk maakt dat we een enorm beslag op zijn of haar tijd leggen en dat dat liefst zo snel mogelijk voorbij moet zijn... ondersteunt dat ons zelfvertrouwen? Voelen we ons er gelukkig door, op ons gemak? Of jaagt het onze stress aan, waarna we met hogere cortisolspiegels alsmaar onrustiger worden, fouten gaan maken, niet goed meer kunnen nadenken en enkel nog aan het overleven zijn in de relatie met die ander?

“Huilen is goed voor de longen”, werd vroeger (of nog steeds?) gezegd. Een treffende variant die ik daarop ooit hoorde, is: “Bloeden is goed voor de aderen.” Ze zijn natuurlijk beide onzinnig.
Niet gehoord en geholpen worden is voor een baby vergelijkbaar met gestraft worden. Straffen, zo zegt Alfie Kohn op basis van onderzoek, is de grootste voorspellende factor voor ontwrichtend en verstorend gedrag. Wanneer je je het slachtoffer van bestraffing voelt, is de kans bovendien groter dat je zelf slachtoffers zult maken. Ergens in je systeem huist dan de drang tot compensatie, genoegdoening, vergelding… of milder en meer to-the-point geformuleerd: het alsnog bevredigen van de onvervulde behoeften.

Uiteindelijk gaat het er in de omgang met anderen (en dus ook in het ouderschap) niet om wat je intenties waren, maar of die ook zo zijn overgekomen. Heeft de ander het gevoel dat je het beste met hem of haar voorhad? Voelt de ander zich gehoord, gezien, gesteund, gewaardeerd, bemind? We kunnen het een huilende baby van een paar weken niet vragen. We zullen in ieder geval geen verbaal antwoord krijgen op de vraag of haar behoeften zijn bevredigd. Ik durf echter de stelling wel aan dat een kind dat huilend alleen wordt gelaten, niet door een intens geluksgevoel wordt overspoeld. Voor de neurologische en de hersenontwikkeling en voor de stressregulatie is dat geluksgevoel (oxytocine!) echter van groot belang. Al deze dingen zullen ons levenslang kunnen ondersteunen in ons functioneren of ons op achterstand zetten. Laten we er als samenleving alles aan doen dat onze kinderen niet met een achterstand beginnen. Er komt nog genoeg op hun pad waarvoor ze alle zeilen moeten bijzetten. Dan moeten die zeilen geen gaten bevatten die tot schipbreuk leiden. Bij tegenwind moeten ze juist de wind kunnen opvangen, zodat er koers kan worden gehouden. Ik hoop dat de instanties die richtlijnen uitvaardigen, zich daarvan ook bewust zijn. Ik zal er misschien nog maar weer eens een brief aan wagen.

woensdag 20 november 2013

Richtlijn excessief huilen, deel 10

Vandaag is de tweede helft aan de beurt van het boekje ‘Inbakeren brengt rust’, geschreven door Ria Blom, in de uitgave van februari 2011. Dit boekje is via een verwijzing in Bijlage 4 onderdeel van de ‘Multidisciplinaire richtlijn excessief huilen bij baby’s’.

Pagina 29
Laat je baby het eerste half jaar op jouw slaapkamer slapen, in zijn eigen bed en niet bij de jou in bed. Dit algemeen geldende advies staat beschreven in de folder Veilig Slapen van de Stichting Wiegedood/Consument en Veiligheid. Vraag ernaar op je consultatiebureau.

Het is winst dat er tegenwoordig expliciet wordt aangegeven dat coslapen in de vorm van rooming-in wenselijk is. Ouders horen echter ook gedegen informatie te krijgen over hoe ze coslapen in de vorm van bedding-in veilig kunnen vormgeven. De derde vorm van coslapen, een cosleeper, verdient zeer zeker ook aandacht.

Zet overdag het bed zo neer dat je naar je kind kunt gaan kijken zonder dat je kind je opmerkt.

Tja, stel je voor, dat je kind ziet dat je voor haar zorgt en haar in de gaten houdt…

Pagina 31
Een uitgerust kind drinkt bovendien krachtig en efficiënt. Voeden op verzoek en regelmaat gaan dan ook goed samen, mits de borstvoeding goed op gang is.

Het is mooi dat het ‘goed op gang’ zijn als voorwaarde wordt genomen, maar wanneer is de borstvoeding goed op gang? Veel moeder-kindkoppels hebben daar een heel aantal weken voor nodig. En zeker als er sprake is van onrust in de baby (uitgangspunt voor het inbakeren), duurt het vaak langer voordat het voeden goed loopt. De stelling dat ze elkaar niet bijten, lijkt dan ook voorbarig.

Wanneer je kind de regelmaat eenmaal te pakken heeft, zal hij zich uit zichzelf op zijn tijd melden voor de voeding. Het kan bijvoorbeeld zijn dat hij in de ochtenduren vier uur tussen de voedingen laat en in de namiddag/avond drie uur. Ook dit is een mooie regelmaat.

Tussenpozen van drie à vier uur, bij een baby van een paar weken… Reken even door en je komt tot de conclusie dat er in dat geval maximaal van 6 à 7 voedingen sprake kan zijn. Dat is weinig voor een pasgeborene. Het is in ieder geval een aantal dat de gemiddelde volwassene zeker niet haalt. Tel maar eens, hoe vaak je op een dag iets in je mond steekt. Onder de 10 keer blijft vrijwel niemand. En dan ben je een volwassen mens met een ontwikkeld rationeel brein dat inzicht heeft in tijdsverloop en dat tot probleemoplossing en zelfregulatie kan komen. Bovendien… als er wordt aangegeven dat de baby zich op ‘zijn tijd’ zal melden, bouw je dus de mogelijkheid in dat de frequentie (ruim) hoger ligt. Terecht, trouwens.

Pagina 32
Over de gewenningsfase en je eigen vragen daarbij:
Hoe ziet de dag eruit; wat doe je bij verzet en hoe lang laat je je kind huilen? (…)
Je geeft hem de kans zelf in slaap te komen, weliswaar huilend. (…) Een oververmoeide baby van vijf weken heeft wellicht minder krachten ter beschikking om fel te protesteren.

Dit laatste wordt als een voordeel gezien: wie te moe is van het huilen, heeft geen energie óm te huilen en zal snel in slaap vallen. Hoe dan ook: het huilen hoort er duidelijk bij en wordt als ‘gezond protest’ gekwalificeerd. Desondanks wordt het genegeerd en wordt er niet getroost.

Pagina 33
Wetende dat deze aanpak bij de meeste kinderen op korte termijn resulteert in aanzienlijk minder huilen en meer slapen, weegt het enkele keren huilen voor het in slaap vallen ruimschoots op tegen troosten met alleen effect voor het moment. (…) Verder speelt een rol wat je zelf kunt verdragen. (…) Je hoeft je hierdoor [door het felle protest] niet te laten afschrikken. Hoe zekerder je je voelt over de juistheid van deze nieuw ingeslagen weg, hoe beter je het huilen kunt verdragen zonder te reageren. (…) [Veel ouders] merken dat hun kind des te harder gaat huilen als ze weer weg gaan [zonder te troosten]. Geef je kind de ruimte voor gezond protest. Zo geef je hem ook de ruimte eigen krachten in te zetten om zélf kleine probleempjes op te lossen.

Wat zullen we hiervan zeggen…? Het is een groot misverstand dat troosten alleen maar effect heeft voor het moment. Troosten geeft in de baby een reactie die mede vormend is voor zijn hersenontwikkeling en stressregulatie, voor zijn veiligheidsbeleving in de wereld. Dat is niet een ‘effect voor het moment’, maar een levenslange imprinting. Dat een kind fel protesteert als het de ouders ziet weggaan zonder getroost te zijn, is logisch. Het is de ‘separation distress call’ die een baby laat horen om zijn overlevingskansen te vergroten. Alleen achterblijven staat voor een baby gelijk aan blootstaan aan levensbedreigende gevaren. Je kind weet immers niet dat er geen tijger om de hoek ligt, want haar amygdala registreert wel diezelfde angst, die primitieve, instinctieve angst voor roofdieren, voor opgegeten worden, voor hulpeloosheid.
Als dan wordt gesteld dat dit huilen opweegt tegen het troosten… over wie hebben we het dan? Voor wie weegt het ertegenop? Voor de baby…? Ik waag dat te betwijfelen.

Je kind mag de eerste paar dagen best 15 tot 20 minuten ongestoord huilen voordat hij in slaap valt. (…) Wanneer je het huilen goed beluistert, zul je na ongeveer tien minuten steeds vaker een kleine pauze horen. Laat jezelf hierdoor gerust stellen. Het betekent dat je kind toch niet zo overstuur is als het lijkt.

Wat een dramatische conclusie… Een kind dat van het huilen volledig overstuur raakt, zal inderdaad pauzes inlassen: de wanhoop en de uitputting slaan toe. Dat heet wanhoop of dissociatie.
Het woord ‘ongestoord’ in deze context is overigens ook zorgelijk; ‘ongestoord’ moet gelden voor prettige activiteiten, niet voor zaken die tot torenhoge stress en gevoelens van eenzaamheid leiden.

Pagina 34
Zoals hier beschreven klinkt het misschien nogal heftig en zul je er als ouder tegenop zien – je kind alleen laten huilen is het allermoeilijkste wat er is en gaat helemaal tegen je moedergevoel in –

Ja, voor veel ouders is dat gelukkig inderdaad nog het geval, ondanks alle slechte adviezen die ze krijgen. Het is te hopen dat ze dat gevoel volgen en dat ‘allermoeilijkste’ niet proberen te bereiken.

Wanneer je het nodig vindt iets te doen, doe het dan liefdevol, zwijgzaam en zo neutraal mogelijk.

Dit soort manieren van omgaan zijn in het verleden al wel uitgeprobeerd. Ze heten de ‘still face procedure’ en ze zijn voor een kind angstaanjagend. Het gebrek aan emotie in de primaire hechtingsfiguur terwijl het kind van slag is, is een ontluisterende ervaring voor het kleine mensje.
Bekijk dit filmpje maar eens; het gaat je door merg en been en mij springen er iedere keer weer de tranen van in de ogen. En dan te bedenken dat dit onderzoek al zo’n 35 jaar oud is… Willen we zo’n methode werkelijk aanbevelen?

Pagina 35
Wanneer dit niet helpt, kun je een speentje geven of op de slaapkamer een klein slokje aan de borst of uit de fles. (…) Deze manieren van troosten zijn hulpmiddelen voor de eerste paar dagen. Laat het geen nieuwe gewoonte worden.

Hier is andermaal sprake van een gebrekkig inzicht in de functie van het voeden aan de borst. Ook het voorstel voor het geven van een speen roept vraagtekens op. Daar zijn bezwaren tegen aan te voeren met het oog op de vaardigheid aan de borst. De dreigende toon in dit advies getuigt verder van een paternalistische, autoritaire aanpak.

Pagina 39
Over het afbouwen van de doeken en de aanpak in die fase, als er weer meer onrust ontstaat:
Je gaat bijvoorbeeld vaker lopen voor een speentje of je kind toch weer opnemen wanneer hij huilt. (…) Voor je het weet is je kind weer afhankelijk van je!

Dat een kind afhankelijk is van de ouders… dat duurt zo’n jaar of 18 (en als het kind gaat studeren, duurt het nog weer een jaar of vijf extra). Wat een onbegrijpelijke conclusie, dat je geen moer bent opgeschoten als je kind na een aantal weken inbakeren ‘weer’ van jou afhankelijk is. Natuurlijk is dat het geval! Je kind heeft je nodig, nog jarenlang, op allerlei gebieden. Je kind is op die leeftijd niet ‘weer’ van jou afhankelijk, maar NOG STEEDS en voorlopig ook nog heel lang!

Op pagina 44 vinden we de nabeschouwing met een aantal conclusies.
Na een verkwikkende slaap kan het uitgeruste kind zich weer vol overgave richten op de wereld om hem heen. Hij zal langer en aandachtiger met hetzelfde kunnen spelen zonder de ouder daarbij nodig te hebben. Wanneer we de regelmaat, eenduidigheid en het inbakeren zien als het bieden van grenzen, staan ze niet op zichzelf. Op een andere wijze kan het bieden van grenzen een vervolg hebben. Zoals grenzen in het speelgoedaanbod en in wat wel en niet geoorloofd is. Ook in pedagogische zin is liefdevolle begrenzing nodig. Zonder dit zla het nu bereikte resultaat in een volgende ontwikkelingsfase, bijvoorbeeld in de nee-fase, weer verloren kunnen gaan.

Wat hier gebeurt, is dat ouders een stevige waarschuwing krijgen: als je nu niet met inbakerdoeken grenzen aanbrengt, dan kun je het straks in de peutertijd wel vergeten, want dan wordt je kind onhandelbaar. Dit is klinkklare onzin. Natuurlijk heeft een kind op diverse manieren begrenzing en duidelijkheid nodig, maar daarbinnen moet er wel aan zijn primaire behoeften tegemoet worden gekomen.
Dit boekje laat op allerlei manieren zien dat er met die behoeften een loopje wordt genomen. Ik vind dat een verontrustende aangelegenheid en beschouw, net als ik dat een aantal jaren geleden deed, de verwijzing naar het werk van Ria Blom dan ook nog steeds als een groot probleem. Baby’s en ouders verdienen waarachtig betere pleitbezorgers dan diegenen in de kernredactie die tot deze stap hebben besloten. Deze aanbeveling is een misstap; hoe gaat de overheid deze bedreiging van de volksgezondheid een halt toeroepen? Als je suggesties hebt... plaats ze in de comment-box hieronder!

woensdag 13 november 2013

Richtlijn excessief huilen, deel 9

Vorige week liep ik wat vertraging op in het bemachtigen van de benodigde achtergrondinformatie, maar sinds gisteren heb ik die in huis en dus volgt nu deel 9 in de serie over de ‘Multidisciplinaire richtlijn excessief huilen bij baby’s’.

In Bijlage 4 van de richtlijn wordt het onderwerp ‘Inbakeren’ behandeld en daarbij wordt verwezen naar het boekje ‘Inbakeren brengt rust’ van Ria Blom, uitgave februari 2011. Zoals al eerder opgemerkt ben ik van mening dat de kernredactie met de verwijzing naar deze uitgave een groot risico neemt, in mijn beleving een onaanvaardbaar risico. Ik had zelf de versie van 2003 in de kast staan en hoopte dat die van 2011 op grond van alle inzichten een structureel ander document zou zijn. Die hoop is gistermiddag tijdens het lezen vervlogen. Het boekje staat bol van wonderlijke uitgangspunten en het is moeilijk te bepalen waar ik zal beginnen en wat ik zal behandelen en wat niet. Laat ik maar gewoon een start maken en zien waar we uitkomen. Zo nodig moet deel 10 ook over het inbakeren gaan. Ik zal zinnen citeren en mijn gedachten eraan toevoegen. Ook nu geldt weer dat ik het niet zonder meer eens ben met de dingen die ik niet bespreek. Ik pak de essentie eruit.
Ik wil er overigens op wijzen dat op bladzijde 7 dr. Monique L'Hoir (projectleider) en dr. Bregje van Sleuwen (onderzoekster) het voorwoord ondertekenen en zich daarmee duidelijk verbinden aan de inhoud van het boekje. Zij zijn ook degenen die zich sterk maken voor de implementatie van de richtlijn.

Pagina 8:
Vaak is dit [jengelgedrag rond drie weken] het gevolg van een onregelmatig slaap- en drinkpatroon.

Hoe kunnen we dat zeker weten? Een baby van drie weken hééft meestal nog helemaal geen duidelijke regelmaat; die is nog volop bezig om aan de wereld te wennen en heeft vooral nabijheid nodig. Daarnaast: wat is de definitie van ‘onregelmatig’? Dit wordt vooralsnog niet toegelicht.

Dan wordt het kind steeds in slaap geholpen in plaats van uit zichzelf in slaap te vallen.

Kan iemand mij vertellen hoe je voor een ander in slaap kunt vallen in plaats van dat zelf te doen?

Dezelfde kinderen drinken tien keer kleine beetjes aan de borst in plaats van vijf keer een volledige voeding.

Vijf keer? Op welke leeftijd? En ‘volledig’? Wat is de definitie? Waar is de fysiologie in deze visie?

Pagina 9:
Het inbakeren zelf moet worden gezien als een tijdelijk hulpmiddel om te komen tot regelmaat en zelfredzaamheid. Zo kan het kind weer toekomen aan de eigen slaap-, drink- en speelbehoefte.

Regelmaat, maar vooral zelfredzaamheid is de komende maanden (voor sommige aspecten zelfs jaren!) nog lang niet aan de orde. De mens is een draagzoogdier en een mensenkind is totaal afhankelijk van de verzorgers en dus van coregulatie. Het kind kan haar behoeften aangeven en het is aan de ouders om daar responsief op te reageren.

Inbakeren gebeurt niet in de kraamtijd. Ouder en kind moeten de kans krijgen zich op elkaar af te stemmen en natuurlijkerwijs in een regelmaat te komen.

Het is totaal onrealistisch om te verwachten dat dit afstemmingsproces na een week is voltooid.

Het leren ‘lezen’ van de lichaamstaal helpt daarbij en wordt zichtbaarder bij een niet ingebakerd kind.

Dat lijkt een juiste constatering, dus waarom dan al zo snel inbakeren?

Pagina 10
Naar de buik draaien wordt aanzienlijk bemoeilijkt door op de juiste manier in te bakeren en het bed op de juiste manier op te maken.

Naar de buik leren draaien is een ontwikkelingsstap in het leven van een kind. Waarom zou je die ontwikkeling willen bemoeilijken als het eenmaal zover is?

Pagina 11
Er worden indicaties voor inbakeren genoemd:
-          ontevredenheid/niet alleen kunnen zijn/spelen
-          veel huilen door onverklaarbare darmkrampjes

Een pasgeboren baby hoeft helemaal niet alleen te kunnen zijn of alleen te kunnen spelen. Daarvoor is het veel te vroeg. En wat de darmkrampjes betreft… die hebben dikwijls best een oorzaak waaraan met aangepast voedingsbeleid iets is te doen. Als er sprake is van de ‘normale’ onrust, dan helpen warmte en massage vaak goed, net als het gedragen worden.

Pagina 12
Deze kinderen [met onrustig drinkgedrag] blijven vaak aanmerkelijk beter ‘bij de les’ wanneer zij stevig gewikkeld in een omslagdoek of ingebakerd de borst of de fles aangeboden krijgen.

Borstvoeding geven met het kind in de bakerdoek lijkt mij een slecht plan. Voeden aan de borst is een belangrijke zintuiglijke ervaring voor zowel moeder als kind en de baby heeft daarbij de armen en haar hele lijfje nodig om zich op mama te kunnen oriënteren en de borst te vinden en te pakken.

Pagina 14
Met regelmaat wordt bedoeld: dezelfde opeenvolging van gebeurtenissen in de volgorde: slapen – wakker worden, dan ontbakeren – voeden – naar behoefte knuffelen op de arm of op schoot – alleen spelen in de box – moe, dan inbakeren en wakker in bed te slapen leggen.

De vraag die bij mij opkomt: op wiens behoefte aan knuffelen wordt hier gedoeld? En waarom mag een baby niet aan de troostende, warme borst in slaap vallen? Is dat niet wat heel veel jonge zoogdieren doen, bij mama liggen en genieten, terwijl mama ook zelf volop geniet?

Met eenduidigheid wordt bedoeld: dezelfde gebeurtenis op dezelfde plek, met name: altijd alleen-spelen van de baby in de box (…)

Waarom moet een baby alleen spelen? Waarom mag de primaire hechtingsfiguur niet de vertrouwde speelkameraad zijn, die de baby helpt de wereld te leren kennen vanuit de veiligheid van de armen?

Pagina 15
Wanneer je je handelen laat afhangen van de situatie, is er geen voorspelbaarheid.

Tsja, that’s life, dat niet alles voorspelbaar is. De grootste kunst die ouders zich eigen kunnen maken, is nu juist dat ze hun handelen wél van de situatie laten afhangen en er flexibel mee omgaan.

Het spreekt voor zich dat er na de late avondvoeding en in de nacht niet gespeeld wordt. (…) Leg je ingebakerde kind na de nachtvoeding wel terug in het eigen bed.

Dat het na verloop van maanden een goed idee is om er in de nacht geen feestje van te maken, daarin kan ik me vinden, maar we spreken hier nog over baby’s van dagen, weken oud. Die hebben nog geen idee van dag en nacht en hebben gewoon de klok rond liefdevolle aandacht nodig. Die mag echter niet bij de ouders in bed gegeven worden, want het ‘eigen’ bed is voorschrift…

Accepteer huilen voor het in slaap vallen in de overgangsfase naar een nieuw ritme met eenduidige patronen. (…) Sommige kinderen hebben het nodig zichzelf kortdurend in slaap te huilen.

Andermaal ontbreekt hier een definitie; wat moeten we onder ‘kortdurend’ verstaan? Hoe dan ook, het in slaap laten huilen wordt hier als volstrekt aanvaardbaar neergezet.
Op pagina 16 wordt het allemaal nog een flink stuk erger. Ik geef een lang citaat en wil daarmee graag laten zien dat de kookwekker weliswaar uit de richtlijntekst is verdwenen, maar er met het opnemen van dit boekje in de bijlage via de achterdeur tóch weer in komt (en nu geruststellend een ‘wekkertje’ wordt genoemd)! Dit is een beschamende aangelegenheid.
Dit citaat is voor deze week het laatste deel van het boekje. Pagina 17 tot en met 28 gaat over het daadwerkelijke inbakeren. Volgende week start ik op pagina 29, vanaf waar we nog meer dubieuze zaken over voeden en protest tegen het inbakeren tegenkomen.

Goed, het citaat dat mij grote zorgen baart, op pagina 16:
Spreek met jezelf af hoe lang je kind mag huilen. In het onderzoek werd ouders gevraagd om zich maximaal 30 minuten niet aan hun kind te laten zien. Dit om hem de kans te geven zelf in slaap te leren vallen. Om een reëel besef van de huilduur te hebben werd de kookwekker als hulpmiddel aangeraden, net als in de voorgaande drukken van dit boekje. Een aantal ouders/beroepsgenoten vond deze 30-minutengrens (de meeste kinderen huilen korter!) te lang. De kookwekker stuitte op weerstand. Uit ervaring is gebleken dat het omslagpunt van huilen naar slapen vaak rond de 15 minuten ligt. Daarom is besloten om het advies voor ongestoord (sic! MVK) laten huilen naar 15 tot 20 minuten te verlagen. Uiteraard is de keuze aan de ouder hoe deze tijd in de gaten te houden. Voor de een kan het helpen om op te schrijven hoe laat het kind naar bed gaat, de ander gebruikt liever een wekkertje.

Laat je gedachten erover gaan, mensen, en vraag je af of je graag deze behandeling zou ondergaan als je een baby was…