Posts tonen met het label werk. Alle posts tonen
Posts tonen met het label werk. Alle posts tonen

zaterdag 1 februari 2014

Het 'werk'-paradigma

Het blijft een ingewikkelde kwestie, een grondige herziening van het paradigma ‘werk’ en de totale wereld van associaties die ermee is verbonden. Ik denk dan vooral ook aan de associaties met de term ‘niet werken’.
Onlangs had ik op twitter weer een boeiende uitwisseling van gedachten erover. De aanleiding was deze afbeelding en de opmerking: ‘Hier kan ik dus echt pissig van worden.’

Iemand reageerde met: ‘ik ook. Ga werken voor je geld.’

Er volgde een heen en weer over waar de verantwoordelijkheid van de vader ligt en of je desondanks niet gewoon kunt ‘werken’, of vader nu wel of niet betaalt.
Iemand veronderstelde dat deze vrouw om het gemak in de bijstand zat; een ander zag het probleem met name in het ‘helemaal te stoppen met werken om de kinderen’.

Dat lokte de reactie uit:
t Verbaast me elke keer weer hoe ondergewaardeerd t zorgen voor kinderen is.

Daar kon ik me in vinden en ik sloot erbij aan met de onderstaande opmerking, waaruit de erop volgende discussie voortvloeide (die met de ‘M’ ervoor zijn mijn bijdragen):

M: Wie geen betaalde baan heeft, werkt ook! Watch Your Language
Watch Your Language, really??
M: Yep! ;-) Wat is je definitie van het woord ‘werken’?
(met vervolgens drie links:

In deze discussie is de definitie: in je eigen onderhoud voorzien


M: Voorzien ambtenaren in hun eigen onderhoud? Salaris = overheidsgeld!

M: Voorzien niet-zorgende partners in eigen onderhoud? Brengen slechts € in!

Wacht, je bedoelt ouder die niks doet in huis want partner doet alles.

Ambtenaren doen iets waar iedereen profijt van heeft (meestal)

Je kunt niet individuele keuze afwentelen op maatschappij die daar geen zeggenschap in heeft gehad.

M: Ha, ik heb ook geen zeggenschap gehad over het bankiersgedrag! ;-)

Zo kun je bezig blijven natuurlijk. Feit blijft dat kinderen krijgen een persoonlijke keuze is. En wat mij betreft ben je dan in eerste instantie zélf verantwoordelijk voor die keuze.Volgens mij geef je kinderen in kwestie daar ook nog goed voorbeeld mee‘omdat mama en papa elkaar niet meer lief vinden wil mama nu leven van… … gemeenschapsgeld’ is geen boodschap die ik mijn kids zou willen geven

M: Van veilig gehechte, stressloze kinders heeft de maatschappij hééél veel profijt!
Dat kan ook heel goed zonder overheidsgeld!

M: Zeker, zonder meer, maar ook zonder beloning is die zorg nog wel werk.

M: Van veilig gehechte, stressloze kinders heeft de maatschappij hééél veel profijt!
Dat staat los van moeder die wel/niet werkt.

M: Ik distantieer mij van dit gebruik van het woord ‘werk’! :-)

Zeg je nu dat werkende moeders onveilig gehechte kinderen hebben?

M: I rest my case; twitter biedt te weinig ruimte voor nuance in dezen! ;)

De discussie was niet of het werk is, maar wie het moet betalen.

Toch bijzonder dat werkend blijkbaar gelijk staat aan niet-zorgend.

Voor mij niet hoor!

M: Voor mij ook niet, maar zorgend heet meestal wél niet-werkend..! :-o

Ik heb eens wat rondgeneusd op diverse websites en vooral op die van de Belastingdienst, waar bedragen over toeslagen voor kinderopvang worden genoemd. Zo lees ik daar dat je voor maximaal 230 uur per maand toeslag kunt krijgen en dat het uurtarief daarvoor maximaal € 6,70 is. Een klein sommetje brengt mij dan op € 1.541,00. Gaan we uit van het laagste maximum uurtarief voor buitenschoolse opvang door een gastouder (€ 5,37), dan komen we uit op € 1.235,10, nog altijd een aardig bedrag en dat is dus niet voor de hele week, inclusief de nachten en de weekends, maar voor maximaal 230 uur in de maand?
Kloppen deze bedragen echt? Ik sta er versteld van… wat een geld! Er moet wel iets mis zijn met mijn berekening… Ik houd me aanbevolen voor een correctie, als die nodig is!

Ook deze pagina biedt allerlei informatie, al zijn de meeste berichten alweer een paar jaar oud en is er juist het afgelopen jaar veel veranderd. Dat neemt niet weg dat duidelijk is dat de overheid miljarden steekt in de subsidiëring van kinderopvang. Verder worden er maatschappijbreed discussies gevoerd over de kwaliteit daarvan, want de zorg voor kinderen… daar moet je niet te lichtzinnig over denken, niet waar? Vraag Marianne Riksen-Walraven maar.

Binnen het Nederlandse belastingstelsel is dus een heel systeem opgetuigd om subsidie uit te keren aan ouders die gebruik maken van kinderopvang. Zoals bij alle overheidsuitgaven, wordt ook deze subsidie gefinancierd door de belastingbetalende burger.
De ouders die de formulieren netjes invullen, hebben ‘recht’ op deze subsidie omdat ze ‘werken’. De mensen die in de sector actief zijn (leidsters, leidinggevenden, opleiders) krijgen allemaal een salaris omdat ze ‘werken’. Ziet nu werkelijk niemand dat het krom is (of op z’n minst een kwestie van met twee maten meten) om te zeggen dat al díe mensen werken, maar dat degenen die thuis voor hun eigen kinderen die goede zorg verlenen, ‘niet-werkenden’ zijn? En wordt er stilgestaan bij het feit dat het vaak die ‘niet-werkenden’ zijn, die naast hun taak thuis allerlei vrijwilligersWERK doen op de school waar die andere ouders niet kunnen zijn omdat ze ‘werken’ of op de sportvereniging, waar die andere ouders niet zijn omdat ze ‘werken’?

De opvang door (groot)ouders is inmiddels sterk aan banden gelegd, want dat leidde tot ‘misbruik’ van de subsidies en tot torenhoge rekeningen voor de overheid aangaande de kinderopvang. In het algemeen wordt de hoogte van het salaris, de beloning voor het geleverde werk, gezien als een maatstaf voor de kwaliteit ervan, of voor de mate van complexiteit. Wat moeten we hieruit begrijpen… dat de zorg door grootouders kwalitatief minder is dan die door de voor het kind onbekende opvangprofessionals? Of moeten we eruit afleiden dat de zorg door/voor grootouders simpeler is dan door/voor gediplomeerde leid(st)ers en dat ze er dus niet zo veel voor hoeven te krijgen? Het diploma van de ‘broekies’ is meer waard dan de wijsheid en het geduld en de betrokkenheid en de liefde van de grootouders voor hun kleinkinderen (en daarmee inherent ook weer voor hun kinderen)? Hoe praten we dit alles sociaal en pedagogisch recht, terwijl het zo krom is als wat? Waarom heet het één ‘werk’ en het ander niet?

Nog een leuk bericht over de waarde van dat vrijwilligerswerk in het bruto binnenlands product:

Vergelijking
Het aandeel van vrijwilligerswerk aan het Nederlands bbp (4,7% - € 26,6 miljard) is bijvoorbeeld groter dan de aardgasbaten (3% - € 17 miljard) en vergelijkbaar met het aandeel van de bouwsector in het bbp (4,8% - € 27,2 miljard). Het bbp is de waarde van alle goederen en diensten die in een bepaald jaar in een bepaald land worden geproduceerd en geldt als een welvaartsmeter.

De hele scheiding van wat ‘werken’ en ‘niet werken’ wordt genoemd, is voor een belangrijk deel ontstaan door de industriële revolutie, toen meer en meer mensen zich naar een specifieke, industriële werkplek begaven en zo in een setting terechtkwamen waar ze hun sterk gespecialiseerde taken niet meer konden combineren met hun taken thuis. Het werk thuis raakte gescheiden van het werk elders en langzaam maar zeker heette dat werk thuis ineens geen ‘werk’ meer.
De neiging om niet-betaalde arbeid te scharen onder de kop ‘geen werk’, getuigt van een sterk kapitalistische manier van denken, eentje die de zaken indeelt op basis van geld en de voor niet-verwanten geleverde inzet en/of prestatie.
Immers… als jij voor mijn kinderen of mijn huishouden zorgt en ik voor die van jou… dan hebben wij allebei werk. Zorg jij voor die van jou en ik voor die van mij… dan ‘werken’ wij allebei ‘niet’. Verblijf ik overdag in een opvangcentrum en verdeel ik mijn aandacht over vier of vijf kinderen die in essentie mijn volle aandacht en mijn lijfelijke aanwezigheid nodig hebben, dan ‘werk ik in de kinderopvang’. Ben ik overdag thuis en bied ik mijn eigen kinderen de zorg die ze nodig hebben in hun vertrouwde omgeving, waarbij ik samen met hen de was kan doen of het eten kan voorbereiden (of de administratie kan doen terwijl ze met hun buurkindertjes spelen), dan ‘werk ik niet’ en ‘teer ik op de zak van mijn partner’. Die partner doet overigens geen boodschappen en stofzuigt niet, want hij moet een bijdrage leveren aan de economie door minstens 40 uur te werken en niet moeilijk te doen over overwerk. Als ik probeer om, samen met mijn buren, de ‘village’ te creëren die nodig is ‘to raise a child’, waarin we van elkaar leren en elkaars lastige momenten en elkaars kinderen helpen opvangen, dan werk ik nog steeds niet. Dan ‘zit’ ik thuis ‘op de bank’.

De ‘rat race’ die de westerse samenleving vaak is en die iedereen op hol jaagt (met alle mogelijke pathologie als gevolg) wordt enerzijds geregeld bekritiseerd, maar anderzijds volledig in stand gehouden door de visie op het hele begrip ‘werk’. Het leven lijkt pas nuttig wanneer er betaald werk wordt verricht. Zonder dat ben je (waarschijnlijk) een luie profiteur. En terwijl we zien hoe de aarde zucht onder de belasting van overmatige consumptie, drijft de premier ons verder voort door aan te moedigen tot meer en meer en meer consumptie.
Na de Tweede Wereldoorlog moest er veel worden opgebouwd wat vernield was geraakt. Die opbouw creëerde welvaart; een stevig huis dat goed verwarmd kan worden, creëerde bovendien welzijn. Hoe zit het nu met dat welzijn… kunnen we onder stressvolle omstandigheden nog omlummelen en zo creativiteit en geduld stimuleren? Worden onze kinderen er gelukkig van als hun beide ouders altijd op tijd staan omdat iedereen bij voortduring tijdschema’s moet halen? En als zij er niet gelukkig van worden… wat is dan eigenlijk het toekomstperspectief van zo’n maatschappijvorm?

woensdag 11 december 2013

Over (on)betaalde bezigheden

Helemaal kriegel word ik ervan, van die stukken in de krant die hele groepen diskwalificeren, niet alleen hele groepen mensen, maar ook hele groepen taken, hele groepen bijdragen aan wat in z’n totaliteit de samenleving vormt. Meer concreet gaat het me om het begrip ‘werk’ en wat er wel en niet onder wordt geschaard. Geregeld kom je in allerlei omgevingen namelijk die bijzondere termen tegen: ‘werkende vrouwen’, ‘werkende moeders’, maar ook ‘niet werkende vrouwen’ en ‘niet werkende moeders’. Bij mij komt dan altijd de vraag op: “Bestaan die dan, moeders die niet werken?”

In mei van dit jaar schreef ik samen met onze oudste dochter dit artikel op de website Joop.nl , Jouw Online OpiniePagina. Hierin gaven we aan wat ons bezwaar is tegen de veel gehanteerde definitie van ‘werk’. Ik schreef er trouwens al eerder diverse blogs over, zoals hier, en wil er nu opnieuw aandacht aan besteden, want het is een hardnekkige kwestie. Dat kan geneuzel lijken, maar taalgebruik heeft een grote invloed op de perceptie van begrippen. Ik breng in het kader daarvan nog maar weer eens het artikel van Diane Wiessinger onder de aandacht, ‘Watch Your Language’.

Ik heb op vanDale het woord ‘werken’ ingegeven, want als we niet weten waarover we het hebben, dan valt er moeilijk een zinnige uitspraak over te doen. Dit is wat ik vond:
wer·ken (werkwoord; werkte, heeft gewerkt)
1 bezig zijn, zijn krachten gebruiken: aan een roman werken
2 betaalde arbeid verrichten, een beroep uitoefenen: waar werk je?; werk ze! werk prettig!
3 uitwerking hebben: op de zenuwen werken invloed uitoefenen op
4 krimpen en uitzetten van hout door weersinvloeden
* iets naar binnen werken opeten; iemand de kamer uit werken maken dat hij de kamer verlaat

Wanneer er wordt gesproken over ‘werkende moeders’, wordt meestal op betekenis 2 geduid. Het betreft dan niet zozeer het woord ‘moeders’, maar het woord ‘werkende’. Het moederschap zelf wordt niet als beroep gezien en wat zij doet is geen werk.
Velen zijn van mening dat je werkt wanneer je een betaalde baan hebt, bij voorkeur buitenshuis, of nog specifieker: buiten je éigen huis, want als je bij iemand ánders in huis de rommel opruimt en voor de kinderen zorgt, dan heet het wel ‘werken’. Is dat niet merkwaardig? Stel je voor, ik heb een buurvrouw met jonge kinderen en onze eigen kinderen vergen ook nog zorg en aandacht. Wanneer wij allebei in ons eigen huis datgene doen wat nodig is om de zaken goed te laten verlopen, ‘werken’ wij geen van beide. Wisselen wij daarentegen van huis en doet zij bij mij de huishouding en ik bij haar en wij ontvangen daarvoor van elkaar een salaris… dan werken we allebei. Financieel schieten we er niets mee op (ervan uit gaande dat we beiden hetzelfde verdienen) en onze kinderen worden er ook niet veel wijzer van. Zij worden immers verzorgd en getroost door iemand die ze weliswaar goed kent, maar die niet dezelfde band met ze heeft als hun eigen moeder, die ze gedragen en gebaard heeft en mogelijk nog voedt.

Hoe komt het, dat het ouderschap en meer nog het moederschap in onze samenleving zo weinig aanzien heeft? Waarom worden het begeleiden van (eigen) kinderen naar volwassenheid en het erbij behorende zorgen voor een (eigen) veilige en gezonde thuisomgeving betiteld als ‘niet werken’? Wanneer je het woord ‘eigen’ vervangt door ‘andermans’, hebben we blijkbaar een totaal andere situatie en gaan de politieke debatten over de vraag hoe we de kwaliteit hoog kunnen houden met het oog op het economisch belang.

Dit hele onderwerp is een politieke aangelegenheid. Er ligt een sterke focus op geld en op activiteiten die in het huishoudboekje van de overheid worden geregistreerd en waaraan een prijskaartje kan worden gehangen. Arbeid die niet financieel wordt beloond met een salaris dat ergens wordt genoteerd, lijkt voor de overheid niet mee te tellen. De indruk wordt gewekt dat die vorm van inspanning geen bijdrage levert aan de samenleving, aan de economie, aan het welzijn en de welvaart. Wat niet in geld kan worden uitgedrukt, lijkt van ondergeschikt belang. En het is niet eens alleen een ‘rechts-liberaal’ issue; ook de partijen ter linker zijde gaan erin mee. Ook daar wordt het belang van aandachtige, liefdevolle en dus tijdrovende zorg in de jonge jaren van een kind schromelijk onderschat.
Pathologie die voortvloeit uit suboptimale of slechte zorg in het begin, leidt tot enorme persoonlijke, emotionele en gezondheidsschade later in het leven. Daarmee wordt het dan dus ook een sociale, maatschappelijke, economische aangelegenheid met financiële gevolgen, ook als je niet in exacte cijfers de vinger erop kunt leggen.

Op woensdag 27 november 2013 las ik een stuk in de Volkskrant met de kop ‘We zijn een traditioneel volk’. De ondertitel luidde: Nog steeds zijn het de mannen die vaker en langer werken en de vrouwen die meer tijd aan het huishouden besteden. Ook lunchen we massaal om half een en liggen we voor elven in bed.

Langer ‘werken’? Wat doen ze dan, als ze ‘werken’? En wat doen al die mensen die ‘niet werken’ in die tijd?
Het artikel vervolgt met meer uitleg. Op de eerste zin daarvan valt niets aan te merken; als dat is gemeten door het Sociaal en Cultureel Planbureau, dan is dat zo: De groei van het aantal uren dat wij betaalde arbeid verrichten, is tot stilstand gekomen. Dat is een constatering die verder niets zegt over hoe we onze tijd doorbrengen. Belangrijk is overigens wel dat dit niet per se betekent dat we minder zijn gaan werken! Dat hangt namelijk, zoals waanzinnig veel in het leven, volledig af van de definitie die je hanteert.
Als we spreken over ‘werken’, zou ik graag zien dat betekenis 1 van vanDale wat meer nadruk krijgt: bezig zijn, je krachten gebruiken. Met die definitie gaan de percentages van hoeveel iedereen werkt drastisch omhoog.

Wie werkt, begint vooral tussen 8 en 9.

Geloof me… wanneer we als ouders pas rond 8.00 uur beginnen, slagen we er zeer zeker niet in om onze kinderen op tijd op school te krijgen.

Vrouwen werken gemiddeld 17,9 uur, mannen 32,4 uur. Bijna veertig jaar geleden, in 1975, lag dat op 6,8 tegen 32,3 uur; in 1995 was de verhouding al iets minder scheef: 12,6 tegen 32,9 uur.

Boeiende cijfers, niet waar? Een week heeft 7 x 24 = 168 uur. Daarvan werken vrouwen in 2013 blijkbaar 17,9 uur, maar in 1975 waren ze maar gedurende 6,8 uur nuttig voor de samenleving. Wie gelooft dat…? Overigens is die samenleving blijkbaar arbeidsintensiever en drukker geworden in krap veertig jaar, want in totaal ‘werkten’ mannen en vrouwen samen 39,1 uur in 1975, 45,5 uur in 1995 en 50,3 uur in 2011 of 2013! Waar zijn we zo druk mee? Niet met zorg, want dat is geen ‘werk’, toch?

De arbeidsparticipatie van vrouwen van 20 jaar en ouder lag in 2011 op 64 procent. Dat betekent dat bijna tweederde van de vrouwen ten minste twaalf uur per week werkt. Een jaar na de geboorte van het eerste kind heeft slechts 10 procent van de moeders een volledig baan.

Die 10 procent… zorgt die volledig voor hun kind, náást het verrichten van 40 uren betaalde arbeid? Hoe moet ik mij dat voorstellen? Wat betekent dat voor de behoeftebevrediging van die baby’s?
En als er iemand anders voor die baby’s zorgt… werkt die dan wél? En waarom die 90% dan niet?

Over dit aspect schrijft Ingeborg Bosch (zie hier mijn blog van vorige week over haar visie) het volgende in haar boek ‘De onschuldige gevangene’: We zouden met de moderne kennis van de psychologie misschien eindelijk eens een generatie groot kunnen brengen die zichzelf en het leven werkelijk aankan. De mensen die dat op zich nemen, en voor het merendeel zijn het nu eenmaal vrouwen, zouden we moeten koesteren. Ze zouden cursussen moeten kunnen volgen en er een financiële vergoeding voor krijgen. Dat is een gezamenlijke maatschappelijke verantwoordelijkheid ten opzichte van de volgende generatie. Het argument tegen zorgloon is dat het de kans op terugkeer naar de arbeidsmarkt zou verkleinen. Dat houdt dus de visie in dat de zorg thuis geen onderdeel van het arbeidsproces is. Wat een onderschatting en wat een minachting. Het feminisme heeft een gaatje laten vallen: veel moeders met kleine kinderen zitten maatschappelijk nog steeds in de klem.

Zorg voor baby’s en jonge kinderen is een hoogwaardig (arbeids)onderdeel van de samenleving, of je er nu wel of niet een salaris aan koppelt. Het wordt tijd voor ‘evidence based’ politiek beleid op dit terrein!

dinsdag 9 april 2013

Opzij gezet door werk, deel 2

Een paar dagen geleden maakte ik in mijn blog een begin met een beschouwing naar aanleiding van een artikel in het blad ‘Opzij’ van april. Graag wil ik er nog wat meer over zeggen, want op grond van allerlei maatschappelijke en psychologische omstandigheden denk ik dat het onderwerp aandacht verdient.

Aansluitend op het stuk over de moedermythes las ik trouwens een epistel van een vader, Opzij-columnist Cor Vos. Hij zegt onder andere: “Er zijn globaal twee soorten zorgtaken. Enerzijds voorlezen, buiten spelen of wandelen; leuke dingen om te doen, gericht op de ontwikkeling van kinderen. Anderzijds zijn er zorgtaken als aankleden, eten geven en naar bed, school of opvang brengen. Hoe meer de ene ouder deze laatste soort taken op zich neemt, hoe meer vrijheid de andere ouder krijgt om te gaan werken. Het is dus belangrijk dat ouders met name deze taken gelijk verdelen.”
Zal deze columnist werkelijk de mening zijn toegedaan dat de taken in de categorie ‘Anderzijds’ niet op de ontwikkeling van kinderen zijn gericht…? Wat zegt dat over zijn beeld van hoe een kind zich ontwikkelt? Wat is zijn inschatting van wat een kind nodig heeft om die ontwikkeling te laten uitmonden in een stabiele, veilig gehechte persoonlijkheid waarmee je de wereld aan en in kunt?

‘Koester je kleintje’ is nu helemaal af en een heel deel is gewijd aan de neurologische ontwikkeling van een kind. Als gevolg daarvan moet ik bij teksten over het opgroeien van kinderen steeds vaker denken aan dat jonge, nog lang niet volgroeide brein en wat zich daarin afspeelt. Hoe kunnen ouders de veiligheidsbeleving optimaliseren? Een aantal vragen naar aanleiding van de moedermythes en de vadergedachten.



Mythe 1: Laveren tussen werk en kroost is loeizwaar.

Een mythe, zegt Daphne van Paassen, want ‘werkende’ moeders (aanhalingstekens van mij, ook alle volgende keren) zijn gelukkiger en gezonder dan de thuisblijfmoeders. Verklaring? “[D]oordat ‘werkende’ moeders op het werk de support krijgen en de vaardigheden leren die ze thuis ontberen.”
Wat gaan we daaraan doen, aan die ontbrekende support?
“Moeders ervaren het vertoeven in beide werelden als verrijkend.”
Wat is de reden dat ouderschap en werknemerschap zozeer gescheiden zijn geraakt?
“Want als ik om half zes vloekend (…) wegren naar de trein kan ik nog piekeren (…), maar een uur later – knuffelend, kokend, kletsen, troostend, voorlezend – is ‘werk’ voor een paar uur volkomen uit mijn hoofd.”
Zijn kinderen en de zorg voor hen een vorm van afleiding voor de werkdruk en de werklast?

Mythe 2: Werkende moeders zijn slechte opvoeders.

Niet waar, betoogt de schrijfster.
“Net als veel andere moeders zat ik begin dit jaar tegen het plafond toen ik minister Ronald Plasterk een appel hoorde doen op ouders: ze moeten van hem weer beter en meer gaan opvoeden. (…) Ouders moeten weer normen en waarden bijbrengen, zei hij in De Telefgraaf. Dan stopte het geweld tegen overheidsdienaren vanzelf, dacht hij.”
Is dat werkelijk zo’n raar idee van Plasterk? Waar leert een kind, een mens, waarden en normen? Waar leer je geduld en respect? Waar leer je dat het belangrijk is om tijd en aandacht voor een ander te hebben? Doet goed voorbeeld goed volgen of is dat een mythe?
“Uit onderzoek (…) blijkt dat vrouwen tussen 1980 en 2005 weliswaar veel meer uren zijn gaan ‘werken’, maar niet minder zijn gaan opvoeden. Integendeel.”
Wat is hier de definitie van het begrip ‘opvoeden’?
“Niet-‘werkende’ moeders besteden maar een klein beetje meer tijd aan hun kinderen dan de parttime en fulltime werkende moeders – zij stoppen wel meer tijd in het huishouden.”
Wat is de definitie van ‘huishouden’ en waar begint dat en eindigt ‘opvoeden’? Samen koken, samen opruimen, samen boodschappen doen… is dat ‘huishouden’ of is dat ‘opvoeden’?
“Moeders in grote deeltijdbanen beleven de opvoeding bovendien positiever dan moeders zonder ‘baan’ (ook deze aanhalingstekens zijn van mij) en zeggen dat ze hun kind meer genegenheid tonen.”
Interessant; en wat zeggen de kinderen daar zelf over? Kunnen de kinderen trouwens een vergelijking maken met hoe het zou zijn als hun moeder een andere dagindeling had?
“We zijn misschien zelfs juist wel een beetje te fanatiek gaan opvoeden, blijkt uit onderzoeken van het opvoedblad J/M. (…) Het kind als project, mogelijk onder invloed van het ‘werk’: waarom niet thuis ook doelen stellen en stappenplannen maken als je daar op het ‘werk’ goede resultaten mee boekt?”
Andermaal: wat is de definitie van ‘opvoeden’? Het kind als project… is dat ‘opvoeden’ of is dat doorgeslagen carrièredrift, waarin de acceptatie van het kind als kind ver te zoeken is…?

Goed, nog vragen te over, dus mythe 3 en 4 bewaar ik voor volgende week!

zaterdag 6 april 2013

Opzij gezet door werk, deel 1

Het was alweer jaren geleden dat ik een exemplaar onder ogen had, maar tijdens het Paasweekeinde las ik een aantal artikelen in het tijdschrift ‘Opzij’. In de uitgave van april kan men lezen over ‘De moedermythes’. Dit zijn ze, volgens schrijfster Daphne van Paassen:
Mythe 1: Laveren tussen werk en kroost is loeizwaar.
Mythe 2: Werkende moeders zijn slechtere opvoeders.
Mythe 3: Moeders zijn lastige werknemers.
Mythe 4: Werkende moeders doen niets op school.

Zoals we weten van wetenschappelijk onderzoek, is het ondoenlijk om tot steekhoudende conclusies te komen wanneer je de definitie van de gehanteerde begrippen niet duidelijk en ondubbelzinnig hebt omschreven. In die zin is er al het één en ander te zeggen over het tijdschrift.
Voorop de cover staat in een witte cirkel de naam van het blad: Opzij, met daarboven de pay-off: ‘de vrouwelijke opinie’. DE vrouwelijke opinie… of EEN vrouwelijke opinie? Welke groep vertegenwoordigt Opzij? De gemiddelde Nederlander zal op deze vraag wellicht antwoorden: “Nou, da’s toch algemeen bekend? De feministische vrouw!” Aha… en wat is dat dan, ‘feminisme’? Volgens Wikipedia is dit “de verzameling maatschappelijke en politieke stromingen of bewegingen die ongelijke (machts-)verhoudingen tussen mannen en vrouwen kritisch analyseren en vrouwenemancipatie nastreven.”, waarbij het er bij vrouwenemancipatie om gaat “de mannendominantie op juridisch, politiek, economisch, sociaal en cultureel vlak [te] verkleinen.”

Het valt niet mee om een beeld te schetsen van wat dit allemaal bij mij oproept. Laten we om te beginnen vaststellen dat iedere visie wordt bepaald door het perspectief dat je kiest. Welke invalshoek je voorkeur heeft, wordt op zichzelf ook weer door een overvloed aan aspecten beïnvloed.
Eén van de punten waarover ik altijd struikel, is het ogenschijnlijk simpele woord ‘werken’. De meeste mensen zullen wel een beschrijving kunnen geven van wat ze daaronder verstaan, maar wanneer je ze geplaatst ziet in de context van de bovengenoemde mythes, wordt duidelijk dat het er nogal op aankomt op welke activiteiten je het label ‘werk’ plakt. De mythes gaan er namelijk allemaal vanuit dat ‘werk’ en ‘moederschap’ twee tegengestelde grootheden zijn. Dat wat moeders doen vormt een lastige combinatie met werken. Dat impliceert dan tevens dat hetgeen moeders doen in hun rol als moeder, niet als werk dient te worden betiteld.



In menig andere setting zijn de taken waarmee ze zich bezighoudt echter wel werk: verzorgen, schoonmaken, opruimen, administratie bijhouden, vervoer regelen van handelingsonbekwamen, koken, catering doen, inslaan van benodigdheden op allerlei terrein, evenementen organiseren, uitnodigingen regelen, mondeling, telefonisch en schriftelijk communiceren met lesinstellingen, voortgangsevaluaties houden (intern en extern), hovenierswerk verrichten, klein en groot onderhoud van het pand uitvoeren of aanbesteden, budgetteren, algemene beschouwingen doen, counselling en mediation vormgeven, meerjarenbegrotingen opstellen, investeringsonderhandelingen voeren, telecommunicatie reguleren, archieven bijhouden, scholingsniveau van de medewerkers monitoren en zo nodig verhogen (intern of extern), ecologisch bewustzijn bevorderen, verantwoorde amusementsprogramma’s aanbieden, gesprekstherapie voeren, creatieve therapie aanbieden, uitleg verstrekken over gezonde slaap- en voedingspatronen… en er is meer, maar dit volstaat denk ik voor nu. You get my drift.

Doet een moeder dit alles buitenshuis in dienst van een ander, tegen een financiële vergoeding, voor relatieve vreemden, dan werkt zij.
Doet een moeder dit alles voor haar eigen gezin, dan werkt zij niet.
Het is een schandelijke vertoning dat deze definitie van werken nog altijd de meest gehanteerde is.
Dit op geld en prestige gebaseerde uitgangspunt helpt de samenleving om zeep. De yin-en-yang-balans raakt volledig zoek en zoals Michel Odent met zijn zwaar Franse accent zegt, over het mondiale tekort aan oxytocine: “What will it do for ze human capacity to looowva?”

Wordt spoedig vervolgd, met meer beschouwingen over de genoemde mythes!