Posts tonen met het label opvoeding. Alle posts tonen
Posts tonen met het label opvoeding. Alle posts tonen

donderdag 2 oktober 2014

Referentie

Veel Nederlandse woorden vinden hun oorsprong in het Latijn. Dat was één van mijn lievelingsvakken op de middelbare school. Ik raakte er na het eerste of tweede jaar helemaal aan verslingerd, omdat het zo heerlijk was om te puzzelen en te stoeien met woorden. Zo slecht als ik de analyse van de wiskundige opgaven onder de knie kreeg, zo’n feest was het om met Latijn bezig te zijn. Vorige week trof ik bij toeval mijn lerares van toen en we haalden met plezier herinneringen op aan het klasje van toen met slechts vier leerlingen.

Ze was er een ster in om ons al die woorden in stukken te laten knippen; ze deed het voor en verwachtte dat wij het nadeden. En precies daarin zat na verloop van tijd mijn ‘verslaving’: ik kon geen ‘moeilijk’ Nederlands woord meer zien of ik begon te knippen. Wat ‘moeilijke’ Nederlandse woorden heten te zijn, zijn namelijk meestal woorden die uit het Latijn afkomstig zijn.
Zo komt het woord ‘referentie’ van het werkwoord ‘referre’. Dat kun je opdelen in ‘re’ en ‘ferre’, woorddelen die respectievelijk ‘terug’ en ‘dragen, brengen’ betekenen.
Een referentie is dus dat wat je terugbrengt naar de bron, naar een eerdere situatie of gebeurtenis.

We kennen in het Nederlands een aantal betekenissen voor het woord ‘referentie’.
Het kan een persoon zijn die een getuigenis over iemand aflegt, maar meestal alleen daartoe geraadpleegd als er een positief verhaal wordt verwacht. (Overigens… een ander woord voor verhaal is ‘relaas’, wat afkomstig is van de verleden tijd van ‘referre’ en in feite de luisteraar terugbrengt naar een eerdere gebeurtenis.)
Een referentie kan ook een verwijzing zijn in een tekst; bij wetenschappelijke teksten zijn referenties onmisbaar om te kunnen verifiëren (afkomstig van ‘veritas’, ‘waarheid’) of wat de auteur heeft beweerd, wel klopt en of hij wel eer doet aan wie ere toekomt.
Een andere samenstelling is ‘referentiekader’, wat volgens vanDale betekent ‘geheel van gewoonten, patroon van maatstaven’. Andere aspecten erin betreffen normen en waarden, het beoordelen van wat je om je heen waarneemt, je overtuigingen en de wijze waarop je ervaringen bepalen hoe je kijkt naar ‘goed’ en ‘kwaad’, naar ‘normaal’ en ‘abnormaal’.

Deze eerste weken van mijn studie gaat het daar bij voortduring over: wat zie je, wat denk je, wat is je conclusie en klopt die wel? De centrale vraag daarbij is steeds of je wel werkelijk kunt loskomen van dat referentiekader waarmee je bent groot geworden. Als je je hele leven hoort dat borstvoeding ‘raar’ of ‘vies’ is of dat het iets ‘primitiefs’ is, wat alleen ‘koeien’ doen (maar ja… die dan juist vaak helaas weer niet…)… kun je je dan vrij en geïnspireerd overgeven aan de behoefte van je kleine baby om bij jou aan de borst te liggen? En omgekeerd: als je je kinderen krijgt in een setting waarin je wordt omringd door zussen en broers en zwagers en schoonzussen en vriendinnen en collega’s die allemaal hun baby’s dragen en bij zich laten slapen… hoe kijk je dan naar een kinderwagen en een babykamer? Wat roepen die dan bij je op?

Dat in stukjes knippen van woorden om een idee te krijgen van waar ze vandaan komen en wat ze betekenen… ik werd er in het Latijn uitzonderlijk goed in, maar op een bepaalde manier hebben we als ouders die taak wellicht allemaal. Hoe zijn onze overtuigingen ontstaan? Waar komen ze vandaan? Uit welke kleinere elementen zijn onze visies en dromen en valkuilen opgebouwd? Durven we de boel in stukjes te knippen om te zien wat de oorsprong is? Gaan we de uitdaging aan om ons referentiekader aan een stevige analyse te onderwerpen?

Deze week hoorde ik weer een prachtig verhaal van Robin Grille, één van mijn helden. Hier kun je ruim een uur lang genieten van zijn visie op opvoeding, waarbij hij een zeer holistisch referentiekader hanteert. Hij haalt echt alles erbij en verbindt de meest uiteenlopende zaken met elkaar. Het is, wanneer je alles wat hij zegt, op je laat inwerken, een revolutionair en heftig proces dat hij bepleit. Ik denk dan ook dat het moed vraagt om ons eigen referentiekader onder de loep te nemen en er zo achter te komen hoe we zijn geworden tot wie we zijn, hoe we als ouders onze eigen geschiedenis meenemen in het contact met onze kinderen. We geven veel dingen onbewust door, maar wanneer we goed nadenken over de samenstelling van de gedachten, de begrippen, de woorden die we hanteren, kunnen we bewuster kiezen. Dan besluiten we wellicht om sommige dingen juist niet door te geven, terwijl we ons voor andere extra inspannen, omdat we zo graag willen dat ze hun weg naar ons nageslacht vinden.
Dat ontleden en in stukjes knippen wat ik zo’n 35 jaar geleden leerde, is geloof ik een vaardigheid die nog altijd goed van pas komt. In iedere levensfase zijn er weer nieuwe ontledingen denkbaar en ik hoop dat velen er net als ik een uitdaging in zien. Hoe beter we onszelf begrijpen, hoe beter we ook in staat zullen zijn onze kinderen te begrijpen en met ze mee te blijven lopen, hoe klein ze ook zijn en hoe groot ze ook worden!

woensdag 3 september 2014

Levensweg

En daar ging ze, zwaarbepakt met grote koffer en volgepropte rugzak… onze jongste dame, de wijde (studenten)wereld in, voorzien van het cadeau dat ook haar zussen kregen toen ze de deur uit gingen: een briefopener, voorzien van naam en datum van ‘zelfstandigheid’ (als symbool voor het feit dat ze vanaf nu zelf verantwoordelijk is voor haar administratie) en een exemplaar van het levenswerk van Clarissa Pinkola Estés, ‘De ontembare vrouw’ (als symbool voor het feit dat we allemaal in ons leven fases doorlopen die ons een deel van het levensverhaal onthullen en ons de weg wijzen in onze lange tocht door het bestaan).

’s Avonds zaten we getweeën aan tafel, toen mijn man zei: “Dat was het dan? Ik had echt niet gedacht dat het zó snel zou gaan. Ik dacht dat het levenslang zou duren, die lieve kinderen om ons heen.” En natuurlijk blijf je als ouders levenslang betrokken bij wat ze doen, maar die dagelijkse zorg voor ze en hun sprankelende, inspirerende aanwezigheid… die is per kind meestal binnen twintig jaar voorbij. En zelfs als je vier dochters hebt, zijn vijfentwintig jaren verrassend en verbazingwekkend snel om.
We keken elkaar aan en toastten op deze nieuwe fase, op de levenslust waarmee de kinderen hun pad vervolgen en op het feit dat we daarvan nog steeds samen getuige zijn. Dat is niet iedereen gegeven; sommige ouders slagen er niet in hun verbintenis liefdevol en vreedzaam in stand te houden, andere zien hun relatie eindigen door de dood van hun partner. Deze week nog trof ik een vriendin die weduwe werd toen hun dochters 4 en 1 jaar oud waren. Dan krijgt het ouderschap een heel andere kleur en ook de kindertijd ontbeert dan de onbezorgde vreugde van twee blije ouders.

En zoals we allemaal weten, zijn er daarnaast nog heel veel andere factoren die het leven van kinderen zwaar kunnen maken. Twee artikelen van Vakblad Vroeg die ik vorige week las, laten daar iets van zien. Het ene gaat over hulp bij onveilige hechting, het andere over het risico op de ontwikkeling van gewelddadigheid ingeval van verwaarlozing. Dat zijn droevige verhalen, en toch is er voor die tekortschietende zorg in de meeste gevallen een verklaring te vinden die een evenzeer verdrietige geschiedenis van de ouder(s) zichtbaar maakt.

Zoals al vaker besproken: de transgenerationaliteit van de problematiek is het meest trieste van alles. Het risico dat ouders hun eigen pijn, problemen, verdriet en frustratie doorgeven aan hun kinderen, terwijl ze waarschijnlijk vast van plan waren dat niet te doen, blijkt dikwijls prominent aanwezig.
Het lijkt dan ook zaak om met argusogen te kijken naar de manier waarop jonge ouders worden voorzien van adviezen over de zorg voor hun baby en peuter. In dat opzicht valt er nog wel het nodige te verbeteren, want wat ik onlangs in een wachtkamer weer las… het is om wanhopig van te worden. Wéér ging het over de manier waarop ouders grenzen moeten stellen, opdat hun kinderen hen niet de baas worden, hoe ze duidelijk moeten aangeven dat het kind zich erbuiten moet houden als volwassenen in gesprek zijn, de technieken die ze kunnen toepassen om de controle over hun kind te behouden. Is dat dan het doel? Is dat werkelijk waarnaar we streven in de omgang met onze kinderen? Of is het toch wenselijker dat ze een fraaie mate van 'ontembaarheid' behouden?

Onze oudste dochter vertelde vorige week over een training die ze net had gedaan voor een bestuursorgaan. Daarin werd er in de uitleg over hoe relaties functioneren, zo ongeveer voetstoots vanuit gegaan dat er tussen ouders en kinderen een hiërarchische verhouding geldt en dat daar niet de gelijkwaardigheid van kracht is die tussen volwassenen onderling geldt. De ondergeschiktheid van het kind aan de ouders werd als een gegeven gepresenteerd: ouders vertellen kinderen wat ze moeten doen en kinderen ‘luisteren’ daar naar (lees: volgen die instructies op).
Onze dochter had bezwaar gemaakt; zo werkt dat niet per sé, had ze gezegd, en ik ben het met haar eens. Op de vraag ‘Waarom?’ is het antwoord ‘Daarom!’ meestal niet gepast. Als er iemand is die de taak en de verantwoordelijkheid heeft om zich te verantwoorden (door het geven van het goede voorbeeld) en zaken uit te leggen, toe te lichten en nog een keer te verklaren… dan wel ouders richting hun kind.
Dat is geen sinecure, die taak. Ouderschap is dan ook niet voor watjes, zoals een mooi artikel in Kiind toelichtte in februari 2012.

Het is dan ook een bijzonder gevoel dat die opvoedklus nu grotendeels ‘geklaard’ is en dat de tijd zal leren of we ons werk als ouders een beetje behoorlijk hebben gedaan. Vooralsnog lijkt het aardig gelukt, al blijven er ook in deze leeftijdsfase genoeg issues waarover je met elkaar een boom kunt opzetten, waarover je met elkaar stevig in debat kunt om te zien hoe visies en ethische idealen en bezwaren van toepassing zijn op wat er ter tafel komt. De zelfreflectie van het jonge ouderschap verandert door de jaren heen steeds meer in het wederzijds delen van kennis en ervaring en de bespiegelingen die dat losmaakt. Een mooi pleidooi, dus in De Correspondent, om van filosofie een verplicht vak te maken. Het beste begin je dan natuurlijk op de basisschool, als kinderen nog redelijk onbevangen in het leven staan. Zo is de kans het grootst dat ze als student en als volwassene zich niets laten aanpraten en dat ze een ragfijn gevoel ontwikkelen voor rechtvaardigheid en medemenselijkheid.

Er valt immers waanzinnig veel te ervaren in de wereld en hoe vreemder die voor je is, hoe lastiger het is te duiden wat je voor je ogen ziet gebeuren. Onbekend maakt nu eenmaal vaak onbemind. Dan ligt etnocentrisme op de loer: de cultuur en gewoontes van de ander beoordelen (en misschien veroordelen) op basis van je eigen achtergrond, je eigen referentiekader. Dat neemt niet weg dat er, zeker op fysiologisch gebied, ook wel algemene, universele dingen te zeggen zijn. In al dit soort aangelegenheden ben ik sinds afgelopen maandag volledig ondergedompeld met de colleges en werkgroepen van mijn studie Culturele Antropologie & Ontwikkelingssociologie in Amsterdam.
Later meer, over wat dáár allemaal ter tafel komt, nu de tafel in de keuken thuis nogal dunbevolkt is geworden! :-)

donderdag 21 augustus 2014

De samenleving in kinderschoenen

Het is toch altijd weer een hele overgang om van het vakantieritme in het werkritme te geraken! We kwamen zaterdag aan het einde van de dag thuis, nadat het vliegtuig rond het middaguur de wielen op Schiphol op de landingsbaan zette, maar gevoelsmatig ben ik nog steeds niet helemaal geland.
We waren drie weken lang volledig door de schoonheid van de natuur overweldigd en dat maakt de terugkeer naar het leven alhier ineens groot. Weer een ander, minder intensief bewegingspatroon, het traditionele eetgedrag, hoofd niet meer leeg, maar doende de mailachterstand weg te werken… Je af en toe eens even helemaal losmaken van het gewone en je herbezinnen op je alledaagse ritme is een heilzaam en nuttig proces. Zoals je vanuit het vliegtuig heel anders naar de aarde (of naar de schitterende wolken!) kijkt, zo wordt ook je blik op je vaste routine gewijzigd wanneer je er letterlijk en figuurlijk afstand van neemt. Dan valt een prachtig boek als ‘The Selfish Society’ van Sue Gerhardt in voedzame bodem. Geregeld beveel ik ‘Waarom liefde zo belangrijk is’ aan, eveneens van haar hand, en dit nieuwere boek is zeer zeker ook een aanrader.

De ondertitel is: ‘How we all forgot to love one another and made money instead.’ Ze beschrijft zeer helder hoe de maatschappelijke ontwikkelingen van de laatste eeuwen in de hand hebben gewerkt dat we allemaal minder tijd met onze dierbaren doorbrengen en materiële welvaart een zeer hoge prioriteit heeft gekregen.
Haar stelling is dat het emotionele leven in de vroege fase, de aandacht die we geven aan jonge kinderen, van grote invloed is op hoe de samenleving zich ontwikkelt. De vaardigheid, het geduld en vooral de empathie die nodig zijn om voor een jong kind te zorgen en in haar basale behoefte aan veiligheid en liefde te voorzien, moeten volgens Sue Gerhardt in het politieke en economische denken worden geïntegreerd om tot een reflectieve en meer samenwerkende maatschappij te komen. Ze acht de noodzaak van die ontwikkeling groot, gezien het toenemende individualisme.

Als altijd heb ik het boek weer gelezen met een potlood in de hand en graag deel ik diverse citaten met jullie.
Ook in dit boek verschijnt ‘good old’ John Bowlby weer ten tonele met zijn “powerful and influential attachment theory”: “Bowlby courageously stood up to the entire psychoanalytic profession of his day to insist that a child’s actual early attachment experiences were the key to his or her healthy emotional development. His once controversial thinking is now taken for granted in developmental psychology and in developmental approaches to psychotherapy.” (p. 28)

Ze maakt onderscheid tussen “material abundance” en “emotional abundance” en is van mening dat een gebrek aan overvloed aan emotionele veiligheid leidt tot het zoeken van veiligheid in materiële zaken. “Very often, poor mental health is due to early life experiences that have undermined the sense of self and ability to manage feelings and relationships well.” (p. 32)
Ze beschrijft diverse onderzoeken die de link beschrijven tussen materialistische attitudes en agressie enerzijds en gebrek aan veiligheid anderzijds: “This research has shown that social isolation, emotional deprivation or stress in infancy alters the dopamine pathways, particularly in the ‘social brain’. This can increase impulsive, ‘grabby’ behaviour, and can create a predisposition to addiction.” (p. 35) Da’s allemaal niet niks; het is ook niet zo vergezocht om dan te zeggen dat de vroege kindertijd van invloed is op hoe de samenleving eruit ziet. Dat is dan een kwestie van logische stappen zetten en vertalen wat we als kind ervaren en leren, naar wat we als volwassene doen.

In heel veel opvoedingsondersteuning kom je adviezen tegen die erop zijn gericht het kind zo snel mogelijk onafhankelijk te maken. Sue Gerhardt kijkt met een andere blik: “The belief that we can be fully autonomous is a desperate attempt to deny the fact that we are not in control of our lives, (…). In all (...) phases of life, when we are unable to contribute economically to society, we need sensitive care from other people. This requires a very different ethic from the go-getting entrepreneurial mentality.” (p. 39)

Ze plaatst al deze ontwikkelingen binnen het grotere kader van mondiale problematiek: “At a time when we need to adjust our values and expectations away from a world economy based on growth and the exploitation of fossil fuels towards a world based on greater empathy for others and care for our natural resources, we will need to understand why we behave as we do and what drives us.” (p. 46)

Ik denk dat dit relevante vragen zijn. Wanneer we kijken naar de problematiek die we in de samenleving kennen en die heel divers is, komt ook bij mij altijd weer die vraag op: “Hoe is het zo ver gekomen?” Waarom slaat iemand een ander in elkaar? Waarom wordt er gestolen? Wat is de reden dat managers van publieke instanties zo’n grote greep doen uit de pot die door de burgers wordt gevuld? Waar is je verstand gebleven als je een vrouw verkracht? Hoe komt het dat er alsmaar weer conflicten zijn die op oorlogen en plunderingen uitdraaien? En terug naar heel klein: waaruit komen de vele pestsituaties op scholen voort? Waarom is Jeugdzorg zo’n grote speler geworden in de zorg?

In heel veel gevallen is er sprake van een gevoel van miskenning bij de dader, die zijn of haar frustraties botviert op het (soms willekeurig gekozen) slachtoffer. Vele vormen van discriminatie worden veroorzaakt door een onterechte superioriteitsbeleving, een bewuste of onbewuste vastbeslotenheid om liever te onderdrukken dan onderdrukt te worden. Dat leidt tot de meest schrijnende situaties, die bij de ‘onderdrukte’ of gediscrimineerde veel pijn veroorzaken, maar evenzeer ook agressie en haat kunnen aanwakkeren, en dan is het kringetje rond.
Toch zul je bij nadere beschouwing vaak tot de trieste conclusie moeten komen dat wie als dader wordt aangemerkt, in een vroegere levensfase vaak slachtoffer was.
De incestpleger is vaak slachtoffer van fysieke mishandeling, verwaarlozing of incest geweest.
De agressieve schreeuwer op straat had vaak ouders die commandeerden in plaats van overlegden.
De dief heeft als kind zichzelf of de dierbaren vaak veel ontnomen zien worden.
Is dat een excuus, een reden om de ‘dader’ niet verantwoordelijk te houden voor het aangerichte leed? Nee, niet zonder meer en niet op deze simpele manier.
Wel lijkt het belangrijk om voor ogen te houden dat onze ethische, morele vorming begint in onze babytijd. Ik herhaal nog maar eens de uitspraak van Robin Grille: “The way we treat our children, they will treat the world.” Of om een Nederlands spreekwoord aan te halen: “Wie wind zaait, zal storm oogsten” of “Goed voorbeeld doet goed volgen”.

Over de boodschap die je afgeeft als je kinderen laten huilen, zegt Sue Gerhardt dan ook dit: “[The message is] that their feelings don’t matter and that they must subordinate their will to the more powerful people around them. Taught that comfort cannot be relied upon, and left to manage their distress alone, this can constitute an early but devastating life lesson.” (p. 65)
Ze pleit daarom voor een intense investering van tijd en aandacht in de fase waarin baby’s helemaal van die pre-verbale, fysieke communicatie afhankelijk zijn. Door het voorbeeld te geven van sensitieve aandacht, leer je je baby hoe dit voelt en dit legt voor het kind de basis om dit later ook zelf te doen en zo deel te kunnen nemen aan de complexe sociale wereld waarin we leven. (p. 81)

Gerhardt schrijft ook over de moeilijke omstandigheden waarin ouders soms hun onrust en emotionele spanning niet meer kunnen reguleren en zelfs tot slaan kunnen overgaan. (Recent was hierover nog weer enige publiciteit naar aanleiding van een artikel in Medisch Contact en de reacties daarop, zoals deze en deze en deze en als laatste deze, van Gabriëlle Jurriaans.) Ouders kunnen zich door de druk van de dagelijkse drukte hulpeloos of vernederd voelen: “At these moments, parents sometimes just want their child to feel as helpless and humiliated as they do. When the parent’s own self-regulation collapses, it can become impossible to hold on to empathy for the child’s experience.” (p. 111)

Empathie is door het hele boek heen het kernwoord om de sociale problematiek op de meest uiteenlopende levels te duiden. Sue Gerhardt trekt het met nadruk ook door naar de politiek en de invloed van gebrek aan empathie op het morele bewustzijn en het bijbehorende handelen op dat beleidsmatige niveau.
Het boek bevat een indrukwekkend aantal referenties waarin we bekende namen tegenkomen: Meredith Small, Ed Tronick (still face-experiment), Winnicott (‘no such thing as a baby, always a baby and someone’), Lloyd de Mause (psycho-historicus en sociaal denker), Jaak Panksepp (neuroscience), Allan Schore (neuroscience, hersenontwikkeling) en vele anderen, bekend en onbekend.

Ik kan dit boek van harte aanbevelen aan wie is geïnteresseerd in de samenhang tussen de vroege kinderontwikkeling en de ontwikkeling van de samenleving. Mocht je het willen lenen… je weet me te vinden! :-)

zondag 8 december 2013

Wat doen we ze aan?


En alweer was het zaterdag vandaag. Die dag begint bij mij in principe met ontbijt en het Volkskrant-magazine. Ook vorige week, zaterdag 30 november, was dat het geval en de hele week al ligt het magazine naast mijn laptop op tafel. Er stond namelijk een stuk in dat me aan het denken heeft gezet, een aangrijpend artikel. De titel is ‘Wraak van een vader’ en het gaat over de gedachten van de moeder over de dood van haar twee zoons. De tekst is geschreven door Maud Efting en de inleiding luidt als volgt:
Lucelle, de moeder van de tweeling (10) die begin september in Schoonloo door hun vader werd vermoord, wil dit gezegd hebben: haar zoons waren gelukkig, en hun vader had het recht niet hen van het leven te beroven. ‘Daar is nooit een reden voor.’

Voor de helderheid: ik ben het er uiteraard volstrekt mee eens dat ouders hun kinderen niet van het leven mogen beroven. Moord is daarvan de ultieme vorm. Er zijn echter vele andere manieren waarop je als ouders je kinderen voor een deel van hun gelukkige leven kunt beroven. Sommige daarvan zijn sociaal gezien zelfs uitermate geaccepteerd en worden in het geheel niet gezien als iets waartoe ouders het recht niet hebben. Daarom wordt dit mogelijk een oncomfortabel blog. Het zij zo; ik ben van mening dat bepaalde zaken te vaak onder het vloerkleed worden geveegd en ik wil dat vloerkleed eens optillen. Ik zal dat, zoals geregeld de laatste tijd, doen aan de hand van citaten, dit keer uit het magazine van vorige week.

Lucelle is bijna 18 als ze Bernd voor het eerst ontmoet in een ruige nachtkroeg in Groningen. (…) Bernd is drie jaar ouder, een totaal ander type. (…) Op dat moment zit ze in haar eindexamenjaar. Ze woont bij haar moeder, maar dat gaat niet goed. Sinds de scheiding van haar ouders mag ze haar vader nauwelijks zien, en daar verzet ze zich tegen: ze wil dat het eerlijk wordt verdeeld. ‘Ik was kwetsbaar. Bernd was een van de eerste mannen die ik tegenkwam en we woonden al snel samen. Ik was verliefd. Bernd was charmant; hij kon alles voor elkaar krijgen bij mensen. Pas veel later kwam ik erachter dat hij twee gezichten had. Hij kon heel onaangenaam zijn. Onberekenbaar. (…) Als kind was hij onhandelbaar. (…) Ook zijn ouders konden hem op een gegeven moment niet meer aan. Ze hebben hem zelfs een tijd lang uit huis laten plaatsen, in een jeugdinternaat. Ze vonden dat hij hard moest worden aangepakt.

Deze alinea zit al tjokvol met zorgelijke aspecten. Lucelle is kind van gescheiden ouders en de periode na de scheiding verloopt moeizaam. Ze wil ook bij haar vader zijn; de loyaliteit naar beide ouders toe verscheurt haar emotioneel en ze wordt er onzeker van. Dat heeft invloed op haar partnerkeuze.
Bij Bernd thuis gaat het ook niet goed. Zijn ouders zijn niet in staat hem de zorg te bieden die hij blijkbaar nodig heeft, want hij word ‘onhandelbaar’ en wordt uiteindelijk zelfs uit huis geplaatst. Ze denken dat een harde aanpak de oplossing is. Bernd wordt hierdoor waarschijnlijk voor het leven getekend, met uiteindelijk tragische gevolgen.Voor meer ideeën over de gevolgen van straf en een harde aanpak verwijs ik graag naar het werk van Alfie Kohn. (Overigens is uit huis plaatsen voor een wat ouder kind denk ik vergelijkbaar met het wegleggen en alleen laten van een huilende baby: beide kinderen krijgen niet de liefdevolle zorg die ze, juist als het moeilijk met ze gaat, zo vreselijk hard nodig hebben.)

‘Ik was ergens in de 20, zegt Lucelle, ‘toen ik erachter kwam dat Bernd er naast mij andere vrouwen op nahield.’ Het zijn er velen, al weet ze dat dan nog niet. (…) Talloze keren maakte ze het uit. ‘Maar steeds wist hij me op kwetsbare momenten weer naar zich toe te trekken. (…) Ik had alle reden, zegt Lucelle, om bij hem weg te gaan. Ik neem het mezelf nu elke dag kwalijk dat ik dat toen niet heb gedaan. Ik heb daar wel boeken over gelezen. Zonder al te veel te willen psychologiseren, weet ik dat er vrouwen zijn met een nogal vergaand, helpend karakter. Vrouwen die voortdurend proberen iemand te helpen die eigenlijk niet geholpen wil worden. Kennelijk haalde ik daar iets uit. Anders was ik niet zo lang bij hem gebleven.’

Hier wordt gesteld dat Bernd er telkens weer in slaagt om Lucelle voor zich te winnen. Zoiets heeft echter alleen maar kans van slagen als ook de ander, Lucelle in dit geval, met dat spel meedoet. De oorzaak dat deze dynamiek in stand blijft, ligt dus bij beide partners. Ze vallen vermoedelijk beide ten prooi aan een diep verlangen om de onvervulde behoeften van de kindertijd alsnog te bevredigen en zo houden ze elkaar gevangen in een destructieve interactie.

Lucelle ontdekt op een goed moment, als inmiddels de tweeling is geboren en Bernd op de maandagen uitstapjes maakt met de kinderen, dat hij toch weer in het geheim een relatie met een andere vrouw heeft. Hij heeft die andere vrouw verteld dat hij in scheiding ligt. Lucelle krijgt contact met deze vrouw en samen ontdekken ze dat er heel veel niet klopt in de uitspraken van de man met wie ze samenleven.

Dat was het moment waarop ik besloot dat ik niet meer gemanipuleerd wilde worden.

Deze gedachte is blijkbaar niet nieuw. Lucelle weet dat ze wordt gemanipuleerd en heeft zich dit jaren laten aanleunen. Ligt het voor de hand dat een mens dat accepteert, wanneer er sprake is van een goed ontwikkeld zelfbewustzijn? Wanneer je weet wat je waard bent, laat je dan jaar in jaar uit toe dat degene met wie je getrouwd bent, misbruik maakt van je vertrouwen?

Ze vertelt Bernd dat ze wil scheiden en zijn reactie is heftig.
Ik sliep, maar ineens hoorde ik enge geluiden. Toen ik naar beneden ging, leek hij aan de trap te hangen. Maar toen ik er was, had hij zichzelf al bevrijd. Trillend stond ik daar. Ik dacht: oh god, straks hebben mijn kinderen geen vader meer. Maar ik wist dat ik moest doorzetten. Nog steeds denk ik dat hij het niet echt heeft willen doen. Hij wilde laten zien: dit gebeurt er als je weggaat.

De situatie wordt met dit voorval grimmiger. Er kan worden gezegd dat Bernd alle mogelijke chantage- en manipulatiemethoden in de strijd werpt. Evengoed kan worden gezegd dat de wanhoop die Bernd als kind voelde, steeds grotere vormen aanneemt en tot steeds extremer gedrag leidt. Kunnen we hem dit aanrekenen?

In 2006 scheiden ze. ‘Ik herinner me nog goed dat ik in mijn auto zat, met de kinderen achterin en een boedelbak met de belangrijkste spulletjes. Ik dacht: en nu ben ik echt weg.’

De kinderen maken dit allemaal mee. Wat doet dit met hun loyaliteitsgevoel? Hoe verhoudt zich hun emotionele beleving tot die van Lucelle toen zij zelf met de scheiding van haar ouders te maken kreeg?

Er volgt co-ouderschap.
‘Zo wilde ik het ook. Door mijn verleden had ik een sterk rechtvaardigheidsgevoel: het moest eerlijk gaan.’ De regeling loopt goed. (…) Wel krijgen ze een financieel conflict. ‘Ik zei: Bernd, je hebt me verschrikkelijk belazerd, ik wil dat je dit rechtzet. Eerst probeerde ik het zelf op te lossen, maar hij stond nergens voor open. Uiteindelijk ben ik naar de rechter gegaan.’ De tweeling merkt daar niets van. ‘Ik heb het ze nooit verteld. Hij deed dat volgens mij ook niet.’
De kinderen wennen snel aan het ritme. ‘Ze hebben er nooit echt verdriet over gehad. Het was zo. Als ze bij mij kwamen, zeiden ze altijd: we hebben je zo gemist, mama. En dan knuffelden we.

Lucelle geeft hier aan dat ze een sterk rechtvaardigheidsgevoel heeft ontwikkeld. Om te weten of dingen ‘eerlijk’ gaan of ‘eerlijk’ voelen, zouden we echter niet de ouders, maar de kinderen moeten vragen. Wat ouders als ‘eerlijk’ ervaren, kan door de kinderen heel anders worden beleefd. En al gaat het nóg zo ‘eerlijk’, dan hoeft het nog steeds niet prettig te zijn. En daarvoor hoeft er ook niet per sé te worden geschreeuwd. Kinderen nemen op een subtiel niveau waar of dingen in orde zijn. Ze voelen de stress van de ouders; cortisol is besmettelijk, zogezegd. En wanneer je midden in een rechtszaak zit en er financiële problemen zijn, dan is stress onvermijdelijk. Dat kinderen wel vóelen dat er van alles aan de hand is, maar niet weten wát er speelt, dat maakt het juist extra ingewikkeld voor ze. Dat ze niet klagen, betekent niet onvermijdelijk dat ze gelukkig zijn en nergens wat van merken. Puur het feit dat papa niet meer in huis woont, is immers al onontkoombaar. Als ze dan ook nog thuiskomen en zeggen dat ze mama zo hebben gemist… kunnen we dan in alle redelijkheid volhouden dat deze kinderen geen verdriet van de situatie hebben ondervonden?

‘De jongens zeiden nooit dat ze niet naar hun vader wilden. (…) Wel ging het soms mis als Jasper of Marijn met een vriendje had afgesproken. Bernd kon soms zomaar ineens zeggen dat het niet doorging. Hun vriendjes stonden dan teleurgesteld op het schoolplein, maar daar had hij geen boodschap aan. Hij liep gewoon door. ‘Marijn had daar de meeste moeite mee. Voor de zomer had hij een belangrijke kampioenswedstrijd van voetbal, maar ineens zei zijn vader: we gaan niet. Marijn was in tranen. Ik ben een week bezig geweest om te onderhandelen met Bernd. Maar zijn credo was: ik zeg het en dus moeten mijn kinderen luisteren. Dat was het enige waarover de jongens klaagden. Maar het werd nooit zo erg dat ik dacht dat het niet kon worden opgelost. We hadden een financieel conflict, maar we zaten niet in een vechtscheiding. In het bijzijn van de kinderen hebben we nooit ruzie gemaakt. Ze hebben ons nog nooit horen schreeuwen. Jasper en Marijn waren gelukkig.

De onredelijkheid, de oneerlijkheid van de beslissingen van hun vader… dat was ‘het enige’ waarover de kinderen klaagden. Is dat een kleinigheid…? Of leidt die onhebbelijkheid van hun vader tot beslissingen die de jeugd van deze jongens kleurt? En hoe komt het dat Lucelle dit soort zaken, die diep ingrijpen in hoe een kind de veiligheid bij en het vertrouwen in de ouders ervaart, niet als heel ernstig beschouwt? Komt dat omdat ze zelf nog veel ergere dingen meemaakte toen ze jong was? Of komt het omdat we als samenleving te weinig de ernst van dit soort gebeurtenissen inzien, dat we ons niet of onvoldoende realiseren wat de impact ervan is op het functioneren van het kind als het eenmaal volwassen is?

‘Wat als ik hem had gezien voor de man die hij was? Had ik het kúnnen voorzien? Had ik het moeten zien? Waarom ben ik zo lang bij hem gebleven? (…) Hij had wel zakelijke problemen en er was een relatie verbroken. Maar dat zijn geen redenen om je kinderen iets aan te doen. Daar is nooit een reden voor. (…) Ik elke geval neem ik het mezelf nu verschrikkelijk kwalijk dat ik daar nooit het gevaar van heb ingezien [van het zelfbeeld van Bernd, MVK]. Daar moet ik nu doorheen. Ik weet echt niet hoe ik daar verder mee moet leven. Ik wilde dat ze hun vader even vaak zagen als hun moeder. Daar zorgde ik voor, ondanks het feit dat ik hem vaak een onhebbelijke man vond en het liefst niets meer met hem te maken wilde hebben als er geen kinderen waren geweest. Maar ze hadden recht op een vader en op een jeugd zonder geruzie. Dat heb ik ze gegund – vanaf het allereerste begin.

We nemen in de opvoeding waarschijnlijk allemaal als uitgangspunt dat we onze kinderen niets willen aandoen wat hen schade berokkent. Toch is het een gegeven dat we in onze onvolmaaktheid allemaal dingen doen die hen pijn doen, lichamelijk of geestelijk. Moord is daarvan het aller-uiterste. Toch kunnen we hun ziel ook beschadigen en hun levenslust een stukje doden door minder extreme handelwijzen: schelden, straffen, vernederen, slaan, alleen laten, behoeften negeren, hun veilige thuis ontmantelen, er niet voor ze zijn met liefde en aandacht omdat we te weinig tijd vrijmaken, hun plannen niet serieus nemen, hun enthousiasme inperken. Hoe zwaarder belast de geschiedenis van de beide ouders is, hoe groter de kans dat ze de zorg voor hun kinderen als belastend ervaren en er niet in slagen de veilige basis voor hun gezin te behouden. De situatie met Lucelle en Bernd en hun kinderen is daarvan een uitzonderlijk voorbeeld. Laten we ons er als ouders bewust van zijn dat het vaak een gradatieverschil is en geen wezenlijk verschil, hoe erg in dit geval de uitkomsten ook zijn. Lucelle en Bernd waren allebei beschadigd door hun baby- en kindertijd en dit transgenerationele effect is helaas meer regel dan uitzondering. Mijn conclusie is dan ook dat in dit gezin iedereen slachtoffer was en beide ouders een aandeel hadden in het verloop van het geheel.
Wat kunnen we doen als samenleving om schade aan kinderen te voorkomen? Deel gerust je visie hieronder!