Posts tonen met het label vertrouwen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vertrouwen. Alle posts tonen

vrijdag 19 juni 2020

Veiligheid in de praktijk? Deel 2


(Zie hier voor Deel 1.)

We namen alles nog verder door. Ik sprak mijn bewondering uit voor hoe goed ze zich had voorbereid en hoe scherp en alert ze op heel veel punten was geweest, ondanks de druk die op meerdere momenten op haar was uitgeoefend. Moeder noemde zelf, later in het gesprek, hoe ze het had ervaren: ‘Ze bleven maar dreigen en daardoor is er van alles gebeurd waardoor ik me totaal overvallen voelde en ik snap het nog steeds niet, hoe ik dat heb kunnen laten gebeuren.’ Opnieuw vloeiden de tranen.
We zetten wat zaken op een rijtje en ik beloofde dingen uit te zoeken voor het gezin en daarover de volgende dag terug te bellen. Een instant-oplossing had ik ook niet. Dit kindje moest nog veel leren en had gelukkig een moeder met een mooie melkproductie en een krachtige toeschietreflex. Hij kreeg wat hij nodig had, ook zonder goede techniek en ondanks alle ingrepen, omdat moeder geduldig haar dagen besteedde aan voeden, voeden, voeden.

Maar toch… zo zou het niet moeten gaan. Ik huil van binnen mee, als moeders me zulke verhalen vertellen, als ik hoor over een cascade aan interventies, en als ik zie hoe beroofd ze zich voelen van wat een bekrachtigende, transformatieve ervaring had moeten zijn. Ik schrik iedere keer weer van de wijze waarop de autonomie van de moeder en haar recht op eigen keuzes aangaande zoiets groots als een baring in feite met voeten worden getreden. Als ik bij moeder ben, schrik ik (en als ik later thuis ben word ik boos) van het paternalisme waarmee er angst wordt aangejaagd. In kringen van belangenbehartiging voor de geboortezorg noemen ze dit: ‘De dode-baby-kaart wordt gespeeld.’ Veel ernstigers kun je niet doen richting een zwangere of pasbevallen moeder. Moeders kunnen gemakkelijk hun met zorg en aandacht opgebouwde blije, ontspannen zelfvertrouwen verliezen, als er dit soort boodschappen op ze afkomen. Moeders voelen zich door zulke dreigementen overruled en bezorgd om hun baby. De stress die al die uitspraken veroorzaken, de aandacht die ze opeisen voor het analytische brein, zijn stoorzenders voor een probleemloze bevalling. Dat wordt wel ‘neocorticale inhibitie’ genoemd – het belemmeren van het proces van overgave, van het op een instinctief niveau naar binnen keren. Dat komt doordat moeders met cijfers en statistieken en argumentatieprocessen en angst worden geconfronteerd, in plaats van dat er met zorg en liefde een sfeer van veiligheid om hen heen wordt gecreëerd. Je zou je als moeder in deze fase rozig en extatisch en sensueel moeten voelen; dát zou moeten worden aangemoedigd, op alle mogelijke manieren.

Ik vind dit soort verstorende processen uitermate zorgelijk en onverdraaglijk. Dit moeder-kindkoppel kan deze start niet meer over doen; dit is het. Hier moeten ze nu mee dealen, hier moeten ze samen om rouwen, hier moeten ze hun weg doorheen vinden. ‘Ik weet nu dat ik het de volgende keer anders ga doen’, zei moeder, maar we zouden moeten voorkomen dat moeders moeten ‘helen’ van hun baringservaring, die immers ook een eerste levenservaring voor de baby is. Dat moeder de volgende keer ‘op scherp’ moet staan om herhaling te voorkomen, is al spijtig. Ze zou liefdesdronken naar weer een prachtige ervaring moeten kunnen toeleven bij een tweede kindje. We zouden zwangeren en barenden moeten koesteren en ze alle veiligheid moeten bieden die nodig is om te zorgen dat ze op hun innerlijke kracht en hun intuïtie durven te vertrouwen. Daarbij lijkt mij één vraag heel belangrijk: als we rampscenario’s schetsen naar de moeder toe… over wiens angst gaat het dan?

Deze moeder was vastberaden haar baby lang te voeden; dit hummeltje bofte maar weer, met een moeder die zich, bijna tegen de stroom in, inzet voor een veilige start voor haar kind. Ik hoop oprecht dat we voor zulke (en voor alle!) moeders vaker en beter barrières zullen wegnemen, in plaats van opwerpen. ‘Primum non nocere’ (allereerst: geen schade aanrichten) is een belangrijke opdracht uit de Eed van Hippocrates voor álle zorgverleners. Moge het ons allemaal gegeven zijn ons eigen trauma onder ogen te zien, onze angsten te overwinnen en zo zelfvertrouwen in de ander krachtig te voeden.

vrijdag 12 juni 2020

Veiligheid in de praktijk? Deel 1


Een tijdje terug had ik een consult waarbij we, zoals altijd, eerst even de aanloop naar de huidige situatie bespraken. Moeder vertelde over hoe ze thuis had willen bevallen, waar het bevalbad klaarstond, waar ze samen met haar partner met gedempt licht en diverse andere attributen die voor haar belangrijk waren, een omgeving had gevormd waarin ze zich veilig voelde. Daar had ze zich helemaal op ingesteld, maar dat liep anders. Doordat ze af en toe wat minder leven voelde, wilde ze graag laten checken hoe het met haar ongeboren baby was. Ze ging naar het ziekenhuis voor een CTG en daarop leek alles met haar kindje helemaal in orde te zijn. Wel vond men dat de baby wat klein was. Moeder is, net als vader, echter ook niet lang en aan beide kanten van de familie is men niet groot van stuk. De baby werd geschat op krap 2,5 kilo.

Omdat men meende te zien dat de placenta wat uitgeput raakte, werd voorgesteld de baring te gaan inleiden. Moeder werd op het hart gedrukt dat dat moest, omdat ze anders wellicht een doodgeboren kindje zou krijgen. Overleg met de eigen vroedvrouw liep even mis (deze had moeder gebeld, maar moeder had geen gemiste oproep) en toen gebeurde er ineens van alles en de inleiding werd daadwerkelijk in gang gezet. Moeder mocht niet meer naar huis om thuis af te wachten en af en toe langs te komen voor een CTG, want dat was problematisch vanwege corona, zo werd gezegd (hoewel vader het ziekenhuis wel in en uit mocht om moeder te bezoeken). Moeder had een uitgebreid bevalplan geschreven, maar één van de klinisch verloskundigen gaf aan het met heel wat aspecten daarvan niet eens te zijn: ‘Als ik het er niet mee eens ben, dan gaat het op deze manier niet door’, liet ze moeder weten.  Na een dag afwachten moest er een keuze volgen: nog meer prostaglandines of een andere aanpak? Opdat moeder niet nog meer medicatie hoefde te nemen, werden onder leiding van een andere verloskundige de vliezen gebroken om het op gang komen van de baring te bespoedigen. Die verliep uiteindelijk vlot en bij de geboorte bleek de baby 150 gram zwaarder dan ingeschat. Moeder kreeg geen prik voor de placenta, want ze had zelf vooraf aangegeven dat ze de geboorte daarvan rustig wilde afwachten. Acht uur later wilde men per fles kunstmatige zuigelingenvoeding aanbieden, omdat men de baby te licht vond. ‘Als jullie geen kunstvoeding geven, mag je niet naar huis!’, was de stelling. De ouders weigerden kunstvoeding, maar besloten wel nog een dag langer te blijven. Toen ze de volgende dag al bijna in de auto naar huis zaten, om weer in hun eigen omgeving te zijn met z’n drieën, werd gezegd dat ze gezien de nu 7% gewichtsverlies niet naar huis mochten. Suggesties voor kolven werden niet gegeven; er moest worden bijgevoed… en dat gebeurde vervolgens ook. Toen moeder aangaf geen vitamine K te willen laten toedienen (ze had zich ingelezen, koos hier niet voor en zag er, gezien het verloop van de baring, ook geen extra aanleiding toe), werd gezegd dat dit moest gebeuren en dat er anders een melding zou worden gedaan, ook aan alle kinderartsen, in geval van een hersenbloeding. Bij ontslag kreeg moeder kunstvoeding mee naar huis.
Thuis spande de kraamverzorgende zich erg in voor moeder en kind, maar de baby kreeg toch het drinken niet goed voor elkaar. Daarom kwam er een tepelhoed in beeld. Nu, bij mijn bezoek, was de baby ruim 7 weken; moeders tepels kwamen mooi naar voren en de borst was soepel, maar moeder omschreef de drinktechniek als ‘steeds slechter, want Kim* laat aldoor los, is in de war geraakt van de fles, heeft uren werk om verzadigd te raken en hapt zonder tepelhoed eigenlijk niet meer aan’.

Ik was pas ruim een half uur binnen, toen ik heel dit verhaal al te horen had gekregen. Moeder vertelde op coherente wijze, maar ik zag wel hoe haar ogen steeds meer gingen glanzen, hoe ze een hoogrode kleur kreeg, en hoe uiteindelijk de tranen over haar wangen biggelden. ‘Ik snap het gewoon niet… Als ik terugdenk, zie ik dat ik de hele tijd alles heel goed aanvoelde, en toch is me dit allemaal overkomen. Ik had THUIS willen bevallen, maar doordat er bij de zorgverleners angst was om corona, is er van alles gebeurd waar ik helemaal niet achter kon staan en wat totaal indruist tegen hoe ik het wilde en hoe ik het voelde.’ Ik ging dichter bij haar zitten en raakte haar troostend aan.


* Kim is een pseudoniem. 

(Wordt vervolgd...)

woensdag 21 januari 2015

Margaret Mead en Samoa, deel 1

Afgelopen week las ik de laatste bladzijden van het boek ‘Coming of Age in Samoa’, geschreven door de Amerikaanse antropologe Margaret Mead. Ze leefde van 1901 tot 1978; ze was nog maar 23 toen ze haar tijd op het Polynesische eiland Samoa (ten oosten van Australië) doorbracht en 27 toen ze het boek publiceerde.
De etnografie is een schoolvoorbeeld van antropologisch veldwerk. Mead ging naar haar onderzoekslocatie, waar ze een specifieke bevolkingsgroep volgde, leefde met de bewoners, bestudeerde een kleinere groep van hen in detail en, heel belangrijk, deed het grootste deel van haar werk toen ze na verloop van tijd hun taal sprak. Dat laatste is daarom van zo groot belang, omdat het betekent dat de onderzoeker niet via een tolk hoeft te communiceren met de mensen over wie ze dingen wil weten. Vertalen geeft immers altijd het risico van misverstanden, van een andere invulling van een bepaald begrip, van iets net niet goed verstaan en vooral van minder vertrouwelijkheid tussen de gesprekspartners onderling. We kunnen ons bij dat vertrouwen allemaal wel iets voorstellen: het is onmisbaar is om te komen tot een ware, diepgaande, eerlijke uitwisseling van verhalen over de dingen die betekenisvol zijn in je leven. De spreker moet zich veilig voelen bij de luisteraar, moet zich kwetsbaar durven tonen en niet voortdurend op haar hoede zijn voor een ongemakkelijke reactie van de ander.

Een heel persoonlijk gesprek, waarin je mijmert over bijzondere gebeurtenissen, waarin je zichtbaar maakt wat je verdriet heeft gedaan of wat je verlangens zijn… zo’n gesprek vraagt dat de ander op de hoogte is van hoe je ongeveer denkt, wat je wereldbeeld is, waar je waarde aan hecht of waar je een afschuw van hebt. En het valt nog lang niet mee om een dergelijk helder beeld van de ander te hebben. Zo sprak ik onlangs met iemand die voorlichting over borstvoeding had gegeven aan een ouderpaar van wie ze na verloop van tijd een geboortekaartje kreeg. Daaruit kwam heel duidelijk naar voren dat de ouders hun kind als een geschenk van God beleefden en alle boodschappen op het kaartje prezen de liefde van God en het wonder van zijn gaven. De voorlichter had tijdens de avond niets gemerkt van deze levensovertuiging van de ouders en vroeg zich naderhand met terugwerkende kracht af of ze geen dingen had gezegd die de ouders als aanstootgevend hadden ervaren. Ik herkende dat gevoel. Zo werd ik een keer hevig terechtgewezen vanwege mijn gebruik van de term ‘Moeder Natuur’, omdat die formulering Gods schepping niet zou respecteren. Daar kun je vanzelfsprekend heel verschillend over denken, of die uitspraak respectvol is of niet en wat God daarvan zou vinden, en of er überhaupt een God is die daar wat van vindt. Waar het om gaat is echter dat dat fundamentele kwesties zijn, die van grote invloed zijn op hoe je naar de wereld kijkt. Je zult je minder gemakkelijk ‘blootgeven’ als je denkt of weet dat de ander jouw wereldbeeld niet deelt of zelfs afwijst.

Margaret Mead slaagde erin om, na een verkenning van de grote lijnen van de cultuur op Samoa, de finesses in kaart te brengen. Haar dochter, Mary Catherine Bateson, zegt in het voorwoord van het boek dat veel van haar moeders trips focusten op de kindertijd. Ook toen werd ouders al eeuwenlang verteld hoe ze hun kinderen moesten opvoeden, maar systematische observatie was op dat moment nog een nieuw fenomeen en wat haar moeder deed, was zonder meer vernieuwend: “[S]he was among the first to study [child development] cross-culturally (p. xi).” Mead geloofde bovendien dat een cultuur die de behoeften van kinderen afwees, geen goede cultuur kon zijn. Haar indruk was dat “the differences in expected behavior and character between societies (…) are largely learned in childhood, shaped by cultural patterns passed on through the generations (…) rather than by genetics (p.xii).” Dat was in de twintiger jaren! Je kunt je afvragen hoe het komt dat we al die jaren op sommige punten maar zo weinig zijn opgeschoten met dit inzicht. Ik denk hierbij onder andere aan het aanmoedigen van het laten huilen van jonge baby’s en aan het conditioneren van gedrag via straffen en belonen (TripleP!).

In een ander deel van de inleiding komt klinisch psycholoog en antropoloog Mary Pipher aan het woord en ze citeert een beroemde uitspraak van Margaret Mead, die mij enorm aanspreekt en die ik al wel eens eerder heb gedeeld: “Never doubt that a small group of thoughtful committed citizens can change the world (p. xv).”
Pipher beschrijft op pagina xviii de invloed van Mead op de eerste generatie gezinstherapeuten, aangezien Mead aandacht schonk aan de destructieve effecten van afzondering en de intensiteit van emoties in nucleaire gezinnen (ouders met kinderen, geen ‘extended family’). Dergelijke eenzaamheid bestond in Samoa niet en Mead was daar zeer persoonlijk getuige van. Ze richtte haar aandacht op jonge tienermeisjes en op de vraag hoe de overgang van kind naar vrouw eruit zag. Ze was bijzonder geïnteresseerd in de vraag of de adolescentie, in de Verenigde Staten in die tijd ook al omgeven met allerlei psychologische strubbelingen, ook in een heel andere cultuur een ingewikkelde periode in het leven van een jonge vrouw was. Ze keek hoe gezinnen samenleefden en hoe meisjes daarin hun plaats vonden.

Het doel van Mead’s onderzoek op Samoa was echter niet alleen de vraag hoe deze gemeenschap leefde, maar om op basis hiervan een beter begrip te krijgen van de mensheid als geheel. Mead onderzocht de grote vragen: Hoe vormt de cultuur het individu? Wat is de rol van biologie in het menselijke gedrag (p. xviii)? Dat zijn mooie thema’s, als je het mij vraagt!
Pipher zegt in haar slotopmerkingen: “Her analysis of the problems of teens is curiously modern (p. xix).” Dat lijkt mij ook; ik werd in ieder geval bij het lezen van de inleidingen al enthousiast en de bovengenoemde vragen zijn in essentie de reden dat ik sinds september Antropologie studeer!

Mead geloofde erin dat het belangrijk was dat kinderen leren *hoe* te denken, niet *wat* te denken. Dat devies geldt denk ik niet alleen voor kinderen, maar voor iedereen. Mead wilde ermee bereiken dat culturen mensen zouden voortbrengen die gelukkiger, minder agressief en emotioneel stabieler zouden zijn (p. xvi. Wel, actueler kan het niet worden, gezien in het licht van de recente gebeurtenissen in Parijs, Nigeria en het Midden-Oosten.
En hoewel ik heb begrepen dat Mead later veel kritiek heeft gekregen vanwege haar onderzoek op Samoa en de conclusies die ze daaruit trok (ik zal nog eens zoeken wat die kritiek behelsde), denk ik zeker dat haar doelstellingen loffelijk zijn. Meer dan ooit hebben we opvoedingspraktijken nodig die basisbehoeften erkennen en de bevrediging ervan aanmoedigen, zodat zich empathie kan ontwikkelen en conflicten voorkomen of tenminste zonder moord en doodslag opgelost kunnen worden. Meer dan ooit moeten we begrijpen en onderkennen dat een kind niet als een oorlogszuchtig monster wordt geboren, maar dat dergelijke uitwassen een gevolg zijn van in het leven opgelopen frustraties, van gebrek aan liefde en erkenning, aan veiligheid, aan een stimulerende sociale omgeving. Dat is geen gemakkelijke gedachte, wel een noodzakelijke. Mead wilde met dat proces een begin maken met behulp van haar onderzoek. De volgende keer zal ik wat meer vertellen over wat ze op Samoa ontdekte en hoe de gewoontes daar verschilden van de westerse cultuur waarin ze zelf was opgegroeid.

zondag 8 december 2013

Wat doen we ze aan?


En alweer was het zaterdag vandaag. Die dag begint bij mij in principe met ontbijt en het Volkskrant-magazine. Ook vorige week, zaterdag 30 november, was dat het geval en de hele week al ligt het magazine naast mijn laptop op tafel. Er stond namelijk een stuk in dat me aan het denken heeft gezet, een aangrijpend artikel. De titel is ‘Wraak van een vader’ en het gaat over de gedachten van de moeder over de dood van haar twee zoons. De tekst is geschreven door Maud Efting en de inleiding luidt als volgt:
Lucelle, de moeder van de tweeling (10) die begin september in Schoonloo door hun vader werd vermoord, wil dit gezegd hebben: haar zoons waren gelukkig, en hun vader had het recht niet hen van het leven te beroven. ‘Daar is nooit een reden voor.’

Voor de helderheid: ik ben het er uiteraard volstrekt mee eens dat ouders hun kinderen niet van het leven mogen beroven. Moord is daarvan de ultieme vorm. Er zijn echter vele andere manieren waarop je als ouders je kinderen voor een deel van hun gelukkige leven kunt beroven. Sommige daarvan zijn sociaal gezien zelfs uitermate geaccepteerd en worden in het geheel niet gezien als iets waartoe ouders het recht niet hebben. Daarom wordt dit mogelijk een oncomfortabel blog. Het zij zo; ik ben van mening dat bepaalde zaken te vaak onder het vloerkleed worden geveegd en ik wil dat vloerkleed eens optillen. Ik zal dat, zoals geregeld de laatste tijd, doen aan de hand van citaten, dit keer uit het magazine van vorige week.

Lucelle is bijna 18 als ze Bernd voor het eerst ontmoet in een ruige nachtkroeg in Groningen. (…) Bernd is drie jaar ouder, een totaal ander type. (…) Op dat moment zit ze in haar eindexamenjaar. Ze woont bij haar moeder, maar dat gaat niet goed. Sinds de scheiding van haar ouders mag ze haar vader nauwelijks zien, en daar verzet ze zich tegen: ze wil dat het eerlijk wordt verdeeld. ‘Ik was kwetsbaar. Bernd was een van de eerste mannen die ik tegenkwam en we woonden al snel samen. Ik was verliefd. Bernd was charmant; hij kon alles voor elkaar krijgen bij mensen. Pas veel later kwam ik erachter dat hij twee gezichten had. Hij kon heel onaangenaam zijn. Onberekenbaar. (…) Als kind was hij onhandelbaar. (…) Ook zijn ouders konden hem op een gegeven moment niet meer aan. Ze hebben hem zelfs een tijd lang uit huis laten plaatsen, in een jeugdinternaat. Ze vonden dat hij hard moest worden aangepakt.

Deze alinea zit al tjokvol met zorgelijke aspecten. Lucelle is kind van gescheiden ouders en de periode na de scheiding verloopt moeizaam. Ze wil ook bij haar vader zijn; de loyaliteit naar beide ouders toe verscheurt haar emotioneel en ze wordt er onzeker van. Dat heeft invloed op haar partnerkeuze.
Bij Bernd thuis gaat het ook niet goed. Zijn ouders zijn niet in staat hem de zorg te bieden die hij blijkbaar nodig heeft, want hij word ‘onhandelbaar’ en wordt uiteindelijk zelfs uit huis geplaatst. Ze denken dat een harde aanpak de oplossing is. Bernd wordt hierdoor waarschijnlijk voor het leven getekend, met uiteindelijk tragische gevolgen.Voor meer ideeën over de gevolgen van straf en een harde aanpak verwijs ik graag naar het werk van Alfie Kohn. (Overigens is uit huis plaatsen voor een wat ouder kind denk ik vergelijkbaar met het wegleggen en alleen laten van een huilende baby: beide kinderen krijgen niet de liefdevolle zorg die ze, juist als het moeilijk met ze gaat, zo vreselijk hard nodig hebben.)

‘Ik was ergens in de 20, zegt Lucelle, ‘toen ik erachter kwam dat Bernd er naast mij andere vrouwen op nahield.’ Het zijn er velen, al weet ze dat dan nog niet. (…) Talloze keren maakte ze het uit. ‘Maar steeds wist hij me op kwetsbare momenten weer naar zich toe te trekken. (…) Ik had alle reden, zegt Lucelle, om bij hem weg te gaan. Ik neem het mezelf nu elke dag kwalijk dat ik dat toen niet heb gedaan. Ik heb daar wel boeken over gelezen. Zonder al te veel te willen psychologiseren, weet ik dat er vrouwen zijn met een nogal vergaand, helpend karakter. Vrouwen die voortdurend proberen iemand te helpen die eigenlijk niet geholpen wil worden. Kennelijk haalde ik daar iets uit. Anders was ik niet zo lang bij hem gebleven.’

Hier wordt gesteld dat Bernd er telkens weer in slaagt om Lucelle voor zich te winnen. Zoiets heeft echter alleen maar kans van slagen als ook de ander, Lucelle in dit geval, met dat spel meedoet. De oorzaak dat deze dynamiek in stand blijft, ligt dus bij beide partners. Ze vallen vermoedelijk beide ten prooi aan een diep verlangen om de onvervulde behoeften van de kindertijd alsnog te bevredigen en zo houden ze elkaar gevangen in een destructieve interactie.

Lucelle ontdekt op een goed moment, als inmiddels de tweeling is geboren en Bernd op de maandagen uitstapjes maakt met de kinderen, dat hij toch weer in het geheim een relatie met een andere vrouw heeft. Hij heeft die andere vrouw verteld dat hij in scheiding ligt. Lucelle krijgt contact met deze vrouw en samen ontdekken ze dat er heel veel niet klopt in de uitspraken van de man met wie ze samenleven.

Dat was het moment waarop ik besloot dat ik niet meer gemanipuleerd wilde worden.

Deze gedachte is blijkbaar niet nieuw. Lucelle weet dat ze wordt gemanipuleerd en heeft zich dit jaren laten aanleunen. Ligt het voor de hand dat een mens dat accepteert, wanneer er sprake is van een goed ontwikkeld zelfbewustzijn? Wanneer je weet wat je waard bent, laat je dan jaar in jaar uit toe dat degene met wie je getrouwd bent, misbruik maakt van je vertrouwen?

Ze vertelt Bernd dat ze wil scheiden en zijn reactie is heftig.
Ik sliep, maar ineens hoorde ik enge geluiden. Toen ik naar beneden ging, leek hij aan de trap te hangen. Maar toen ik er was, had hij zichzelf al bevrijd. Trillend stond ik daar. Ik dacht: oh god, straks hebben mijn kinderen geen vader meer. Maar ik wist dat ik moest doorzetten. Nog steeds denk ik dat hij het niet echt heeft willen doen. Hij wilde laten zien: dit gebeurt er als je weggaat.

De situatie wordt met dit voorval grimmiger. Er kan worden gezegd dat Bernd alle mogelijke chantage- en manipulatiemethoden in de strijd werpt. Evengoed kan worden gezegd dat de wanhoop die Bernd als kind voelde, steeds grotere vormen aanneemt en tot steeds extremer gedrag leidt. Kunnen we hem dit aanrekenen?

In 2006 scheiden ze. ‘Ik herinner me nog goed dat ik in mijn auto zat, met de kinderen achterin en een boedelbak met de belangrijkste spulletjes. Ik dacht: en nu ben ik echt weg.’

De kinderen maken dit allemaal mee. Wat doet dit met hun loyaliteitsgevoel? Hoe verhoudt zich hun emotionele beleving tot die van Lucelle toen zij zelf met de scheiding van haar ouders te maken kreeg?

Er volgt co-ouderschap.
‘Zo wilde ik het ook. Door mijn verleden had ik een sterk rechtvaardigheidsgevoel: het moest eerlijk gaan.’ De regeling loopt goed. (…) Wel krijgen ze een financieel conflict. ‘Ik zei: Bernd, je hebt me verschrikkelijk belazerd, ik wil dat je dit rechtzet. Eerst probeerde ik het zelf op te lossen, maar hij stond nergens voor open. Uiteindelijk ben ik naar de rechter gegaan.’ De tweeling merkt daar niets van. ‘Ik heb het ze nooit verteld. Hij deed dat volgens mij ook niet.’
De kinderen wennen snel aan het ritme. ‘Ze hebben er nooit echt verdriet over gehad. Het was zo. Als ze bij mij kwamen, zeiden ze altijd: we hebben je zo gemist, mama. En dan knuffelden we.

Lucelle geeft hier aan dat ze een sterk rechtvaardigheidsgevoel heeft ontwikkeld. Om te weten of dingen ‘eerlijk’ gaan of ‘eerlijk’ voelen, zouden we echter niet de ouders, maar de kinderen moeten vragen. Wat ouders als ‘eerlijk’ ervaren, kan door de kinderen heel anders worden beleefd. En al gaat het nóg zo ‘eerlijk’, dan hoeft het nog steeds niet prettig te zijn. En daarvoor hoeft er ook niet per sé te worden geschreeuwd. Kinderen nemen op een subtiel niveau waar of dingen in orde zijn. Ze voelen de stress van de ouders; cortisol is besmettelijk, zogezegd. En wanneer je midden in een rechtszaak zit en er financiële problemen zijn, dan is stress onvermijdelijk. Dat kinderen wel vóelen dat er van alles aan de hand is, maar niet weten wát er speelt, dat maakt het juist extra ingewikkeld voor ze. Dat ze niet klagen, betekent niet onvermijdelijk dat ze gelukkig zijn en nergens wat van merken. Puur het feit dat papa niet meer in huis woont, is immers al onontkoombaar. Als ze dan ook nog thuiskomen en zeggen dat ze mama zo hebben gemist… kunnen we dan in alle redelijkheid volhouden dat deze kinderen geen verdriet van de situatie hebben ondervonden?

‘De jongens zeiden nooit dat ze niet naar hun vader wilden. (…) Wel ging het soms mis als Jasper of Marijn met een vriendje had afgesproken. Bernd kon soms zomaar ineens zeggen dat het niet doorging. Hun vriendjes stonden dan teleurgesteld op het schoolplein, maar daar had hij geen boodschap aan. Hij liep gewoon door. ‘Marijn had daar de meeste moeite mee. Voor de zomer had hij een belangrijke kampioenswedstrijd van voetbal, maar ineens zei zijn vader: we gaan niet. Marijn was in tranen. Ik ben een week bezig geweest om te onderhandelen met Bernd. Maar zijn credo was: ik zeg het en dus moeten mijn kinderen luisteren. Dat was het enige waarover de jongens klaagden. Maar het werd nooit zo erg dat ik dacht dat het niet kon worden opgelost. We hadden een financieel conflict, maar we zaten niet in een vechtscheiding. In het bijzijn van de kinderen hebben we nooit ruzie gemaakt. Ze hebben ons nog nooit horen schreeuwen. Jasper en Marijn waren gelukkig.

De onredelijkheid, de oneerlijkheid van de beslissingen van hun vader… dat was ‘het enige’ waarover de kinderen klaagden. Is dat een kleinigheid…? Of leidt die onhebbelijkheid van hun vader tot beslissingen die de jeugd van deze jongens kleurt? En hoe komt het dat Lucelle dit soort zaken, die diep ingrijpen in hoe een kind de veiligheid bij en het vertrouwen in de ouders ervaart, niet als heel ernstig beschouwt? Komt dat omdat ze zelf nog veel ergere dingen meemaakte toen ze jong was? Of komt het omdat we als samenleving te weinig de ernst van dit soort gebeurtenissen inzien, dat we ons niet of onvoldoende realiseren wat de impact ervan is op het functioneren van het kind als het eenmaal volwassen is?

‘Wat als ik hem had gezien voor de man die hij was? Had ik het kúnnen voorzien? Had ik het moeten zien? Waarom ben ik zo lang bij hem gebleven? (…) Hij had wel zakelijke problemen en er was een relatie verbroken. Maar dat zijn geen redenen om je kinderen iets aan te doen. Daar is nooit een reden voor. (…) Ik elke geval neem ik het mezelf nu verschrikkelijk kwalijk dat ik daar nooit het gevaar van heb ingezien [van het zelfbeeld van Bernd, MVK]. Daar moet ik nu doorheen. Ik weet echt niet hoe ik daar verder mee moet leven. Ik wilde dat ze hun vader even vaak zagen als hun moeder. Daar zorgde ik voor, ondanks het feit dat ik hem vaak een onhebbelijke man vond en het liefst niets meer met hem te maken wilde hebben als er geen kinderen waren geweest. Maar ze hadden recht op een vader en op een jeugd zonder geruzie. Dat heb ik ze gegund – vanaf het allereerste begin.

We nemen in de opvoeding waarschijnlijk allemaal als uitgangspunt dat we onze kinderen niets willen aandoen wat hen schade berokkent. Toch is het een gegeven dat we in onze onvolmaaktheid allemaal dingen doen die hen pijn doen, lichamelijk of geestelijk. Moord is daarvan het aller-uiterste. Toch kunnen we hun ziel ook beschadigen en hun levenslust een stukje doden door minder extreme handelwijzen: schelden, straffen, vernederen, slaan, alleen laten, behoeften negeren, hun veilige thuis ontmantelen, er niet voor ze zijn met liefde en aandacht omdat we te weinig tijd vrijmaken, hun plannen niet serieus nemen, hun enthousiasme inperken. Hoe zwaarder belast de geschiedenis van de beide ouders is, hoe groter de kans dat ze de zorg voor hun kinderen als belastend ervaren en er niet in slagen de veilige basis voor hun gezin te behouden. De situatie met Lucelle en Bernd en hun kinderen is daarvan een uitzonderlijk voorbeeld. Laten we ons er als ouders bewust van zijn dat het vaak een gradatieverschil is en geen wezenlijk verschil, hoe erg in dit geval de uitkomsten ook zijn. Lucelle en Bernd waren allebei beschadigd door hun baby- en kindertijd en dit transgenerationele effect is helaas meer regel dan uitzondering. Mijn conclusie is dan ook dat in dit gezin iedereen slachtoffer was en beide ouders een aandeel hadden in het verloop van het geheel.
Wat kunnen we doen als samenleving om schade aan kinderen te voorkomen? Deel gerust je visie hieronder!