dinsdag 23 september 2014

Microbirth

Afgelopen zaterdag was ik in Groningen aanwezig bij de wereldwijde première van de documentaire ‘Microbirth’. Via de site www.oneworldbirth.net/microbirth kun je de trailer bekijken en meer lezen over het doel van de film. De makers willen bij een groot publiek bewustzijn creëren over het belang van het ‘zaaien van baby’s microbioom’, de darmflora die bij de geboorte ontstaat. Als het goed is, bestaat die uit de bacteriën die de eigen moeder bij zich draagt. De belangrijkste drie factoren daarbij zijn een normale (dus vaginale) bevalling, huid-op-huidcontact direct na de geboorte en vervolgens borstvoeding gedurende een substantiële periode. Vindt er geen goede aanleg plaats van de darmflora van de baby, dan kan dat later in het leven tot allerlei ziektes leiden, omdat het immuunsysteem niet goed wordt opgestart.

Ondanks alle technologische hoogstandjes in onze samenleving trekt één van de experts in de film de volgende conclusie over de mensheid: “We’ve never been sicker. And it’s going to get worse.” Allerlei ziektes kunnen tegenwoordig als epidemieën worden gezien, zo zegt de WHO. Denk daarbij aan astma, diabetes, obesitas, allergieën, coeliakie, hart- en vaatziektes, kanker en bepaalde geestelijke stoornissen. Wereldwijd zijn deze ziektes volgens de WHO verantwoordelijk voor 60% van de sterftegevallen en de WHO verwacht dat dit getal in de komende tien jaar met nog eens 17% stijgt. Een paar gezaghebbende instituten hebben berekend dat dit in 2030 tot het failliet van de mondiale gezondheidsstelsels kan leiden.
De WHO heeft vier risicofactoren aangewezen: roken, alcohol, slechte voeding en gebrek aan beweging, maar de film wil een ander aspect inbrengen: de bacteriologische toestand in de wereld.

Een gezond ecosysteem is een systeem dat in balans is. Als de diversiteit afneemt, wordt de gezondheid kwetsbaarder. Dat geldt ook voor de mens, want het menselijk lichaam bestaat uit veel meer bacteriën dan er humane cellen zijn; de verhouding is ongeveer tien tegen één. Zoals één van de deskundigen in de film zegt: “We’re 90% microbial and only 10% mammalian.” Ik moest er wel om lachen, toen ik het hoorde… slechts 10% zoogdier! We hebben die gezonde flora dus hard nodig!

Dat betekent dat we moeten voorkomen dat onze kinderen met een gehandicapt immuunsysteem aan het leven beginnen. We moeten die bacteriën dus niet keihard bestrijden (bijvoorbeeld met antibiotica!), maar koesteren en zorgen dat ze als ‘moederlijke erfenis’ bij de geboorte worden overgedragen.
De film legt uit hoe zich in de weken en dagen voor de geboorte belangrijke bacteriën verzamelen in de vagina en borsten van de moeder. Tijdens de geboorte pikt de baby ze op en daarmee begint de ontwikkeling van baby’s immuniteit. Dit proces is cruciaal voor de gezondheid op de lange termijn, samen met huid-op-huidcontact en borstvoeding. De eerste bacteriën ‘primen’ namelijk de darm en voor dat eerste ‘primen’ is er maar één kans: bij de geboorte.
Een verkeerde darmflora en een onvolwaardig immuunsysteem ontstaan sneller bij een keizersnede dan bij een gewone geboorte. Het is daarom zorgelijk dat het aantal keizersneden zo drastisch stijgt.
Omdat de sectio steeds veiliger is geworden, wordt de drempel om er één toe te passen echter steeds lager, zo legt de film uit. Sectio’s worden daarom gemakkelijker aangeboden én steeds gemakkelijker gevraagd! En dat terwijl de langetermijngevolgen in feite nog onbekend zijn…

Wel komt er meer zicht op de gevolgen. Recent onderzoek lijkt uit te wijzen dat niet alleen het darmweefsel, maar ook ander weefsel, waaronder het hersenweefsel, negatief wordt beïnvloed door die ‘foute’ bacteriën.
De film vertelt over een procedure waarbij wordt getracht deze bacteriële nadelen van de keizersnede te omzeilen. Huid-op-huidcontact helpt daarbij, net als borstvoeding, en er is een nieuw idee om ‘vaginal swabs’ te gebruiken. Vlak voor de sectio wordt er een gaasje ingebracht in de vagina van de barende moeder. De chirurg haalt het gaasje eruit, bewaart het steriel, en zodra de baby is geboren, wordt het gaasje langs de mond, het gezicht en de rest van het babylichaam gehaald. Zo komen de gezonde moederlijke bacteriën meteen bij de baby terecht.

Persoonlijk ben ik huiverig voor dit soort ontwikkelingen, omdat ze meer de symptomen bestrijden dan het probleem oplossen. Natuurlijk zie ik in dat het belangrijk kan zijn in het geval waarin een sectio echt nodig is. Ik ben alleen bang dat er gemakkelijk kan worden gezegd: “Oh, kan het ook met een gaasje? Laat dan maar zitten, die vaginale bevalling.”
Moet de vraag niet zijn hoe het komt dat vrouwen zo weinig vertrouwen hebben in hun vaardigheden om een kind te baren (en te zogen!)? Waarom zijn ze daar zo bang voor? Hoe komt het dat ze zich zoveel onzin laten aanpraten van mensen die zich presenteren als deskundigen, maar vaak volstrekt onvoldoende kennis hebben van de fysiologie in de vroege postpartum periode? Zouden we dáár niet liever naar kijken met elkaar?

Overigens vond ik dat in de film bepaalde verbanden wel wat snel gelegd en op het conto van de keizersnede werden geschreven. Hier en daar leek de belangrijke, langdurige borstvoedingsperiode te weinig aandacht te krijgen. Natuurlijk is het heel belangrijk welke bacteriën erin gaan op moment 0, bij de geboorte. Hoe de darm daar vervolgens mee omgaat, is echter sterk afhankelijk van de voeding die erin gaat, van de immuunfactoren die de baby tot haar beschikking heeft. Daar had ik graag wat meer aandacht voor gezien. Ook de psychologische effecten van een keizersnede mogen nog meer worden belicht. Wat doet het voor een moeder als ze die bekrachtigende ervaring van het zelf baren van haar kind misloopt? En in hoeverre zitten er geldelijke motieven achter de gemaakte beleidskeuzes? Ook dat is een vraag die een kritische analyse verdient.

Vooralsnog lijkt er zowel in Nederland als in de rest van de wereld op politiek niveau echter weinig aandacht te bestaan voor de gevolgen van geboortepraktijken. In dat opzicht hoop ik van harte dat deze film volop in de belangstelling komt en tot discussie leidt, net als de films ‘Freedom for Birth’, ‘Birth As We Know It’ en ‘Organic Birth’. Ieder mens begint haar leven immers bij de geboorte! Van daaruit worden we gevormd en worden onze allereerste herinneringen bepaald.
Heb je de première gemist, dan kun je op 27 september om 19.30 uur terecht in Amsterdam (Herengracht 425), op zaterdag 4 oktober om 9.30 uur in Amersfoort (Euroweg 100, www.patriciadijkema.nl) en op zondag 19 oktober om 14.00 uur in Amersfoort (weer Euroweg 100). Meer informatie vind je op de pagina van de Geboortebeweging. Van harte aanbevolen!

woensdag 17 september 2014

Kracht baren

We vallen tijdens de colleges van het ene in het andere onderwerp dat raakvlakken heeft met het lactatiekundige vak. Ik begon bij de VBN ooit bij het belang van borstvoeding, puur om het voeden, maar zijsporen werden hoofdlijnen. Meer en meer ging ik borstvoeding zien als een wezenlijk onderdeel van een veel groter geheel: van vrouwzijn, van moederschap, van ouder-kindrelaties, van zelfvertrouwen, van empathie en daarmee van ethisch bewustzijn… en zodoende dus ook van de manier waarop de samenleving eruit ziet. Dat zijn grote stappen en soms lijken ze vergezocht voor wie die link nog niet zo specifiek legde, maar ik heb er een diep vertrouwen in dat deze relatie bestaat. Mijn uitdaging wordt nu om dat idee in te passen in alles wat ik de komende jaren ga leren.

Daarvoor blijft het contact met moeders en hun baby’s van groot belang. Vorige week zag ik een moeder met haar kindje van een paar maanden. Ze is met haar gezin op zomerverlof en keert binnenkort terug naar haar tijdelijke thuisbasis in Zuidoost-Azië. Ze had daar tot haar spijt tijdens de bevalling en in de kraamperiode niet de zorg gekregen waarop ze had gehoopt.
Nu was ze hier, maar ook de voorbije maand in Nederland was verwarrend voor haar geweest. Ze had allerlei boodschappen gekregen over de zorg voor haar kindje die strijdig waren met haar diepe gevoel over wat goed was voor hen samen. Dat is altijd lastig voor me. Als ook ik nog weer andere dingen ga zeggen… raakt ze dan nog meer verward of helpen die haar om weer dichter bij haar gevoel te komen?

We spraken uitgebreid over haar emoties, over haar eigen waardering voor de dingen die ze nu deed (en haar frustratie over alle dingen die ze niet deed en waarvan ze vond dat ze ze wél zou moeten doen). Toen ik zei dat wat ze nu doet voor haar kindje, immens belangrijk is en dat er voor haar baby op de hele wereld geen belangrijker mens is dan zij, kwamen voor de zoveelste keer de tranen. Ik zal eerlijk bekennen dat ze dan bij mij ook hoog zitten, die tranen. Wat is het toch een toestand, dat vrouwen door hoe onze samenleving functioneert, zozeer het gevoel hebben dat wat ze voor hun kind doen, niet in verhouding staat tot wat ze deden toen ze in een betaalde baan zaten.
Waar begint de vorming van burgers? Waar wordt voor een wezenlijk deel bepaald hoe empathisch en geduldig en blijmoedig we als mens in het leven staan? Waar ligt de basis voor onze lichamelijke en geestelijke gezondheid? In die eerste levensjaren! De zorg van onze moeder (in haar armen bij haar aan de borst) en van onze vader en andere primaire en secundaire hechtingsfiguren legt het fundament onder hoe we de komende tachtig, negentig jaar gaan functioneren. Het is te gek voor woorden dat daarvoor zo weinig aandacht is.

Deze dagen las ik voor mijn studie een artikel over de ongelijkheid tussen man en vrouw en hoe dat verschijnsel een universeel principe is: het komt in iedere samenleving ter wereld voor. Uiteraard krijgt die ongelijkheid overal op een andere manier vorm, maar ze bestaat, of het nu gaat om ongelijke beloning van gelijke arbeid of om de ‘onreinheid’ bij menstruatie, de uitsluiting van deelname aan rituelen of het gedwongen huwelijk.
In Sherry Ortners artikel ‘Is Female to Male as Nature Is to Culture?’ komen deze aspecten voorbij, net als een aantal ideeën van Simone de Beauvoir. Deze beroemde (kinderloze!) schrijfster en filosofe, levensgezel van Jean-Paul Sartre en boegbeeld van het feminisme, wordt aangehaald met citaten die bij mij de indruk wekken dat zij en ik een totaal andere definitie van ‘feminisme’ hanteren. Er klinkt in mijn beleving een pijnlijke verbittering in door.

Wat moeten we denken van het volgende: “She [Simone de Beauvoir, MVK] points out that many major areas and processes of the woman’s body serve no apparent function for the health and stability of the individual woman (…). The breasts are irrelevant to personal health; they may be excised at any time of a woman’s life. (…) the woman is adapted to the needs of the egg rather than to her own requirements.” (pagina 74)
Wel, wel. En wat zijn dan ‘her own requirements’, zo vroeg ik mij af. En als we stellen dat een vrouw wordt overheerst door haar fysiologie, hoe zit dat dan bij de man…? Hoe nuttig is zijn baard? Hoe zinvol is het feit dat hij een penis heeft (als we voortplanting even helemaal uit de vergelijking wegknippen)? En waartoe dient zijn testosteronniveau, dat via haantjesgedrag zoveel ellende aanricht in de wereld?
Anders geformuleerd: is de manier waarop we kijken naar de ‘waarde’ van man en vrouw niet een sociaal construct in zichzelf, dat in stand wordt gehouden als de vrouwelijke reproductie door gezaghebbende schrijvers, denkers en beleidsmakers als zo minderwaardig wordt afgeschilderd?

Ook kinderen komen er niet zo goed van af; in Ortners woorden: “Infants are barely human and utterly unsocialized; like animals they do not walk upright, they excrete without control, they do not speak. Even slightly older children are clearly not yet fully under the sway of culture; they do not yet understand social duties, responsibilities, and morals, their vocabulary and their range of learned skills is small.” (pagina 78)
Ik weet niet eens waar te beginnen met mijn vraagtekens. Kinderen wordt zo tekortgedaan met een dergelijke beschrijving. Het creëert een denkpatroon over kinderen dat volstrekt strijdig is met de liefdevolle benadering die onmisbaar is voor de zorg die ze nodig hebben om tot gezonde, invoelende volwassenen uit te groeien.
Gelukkig zitten er ook wel wat meer genuanceerde passages in het artikel, bijvoorbeeld daar waar er iets wordt gezegd over de rol van vrouwen als moeders jegens hun kinderen: “(…) woman (…) is in fact the primary agent of their socialization. It is she who transforms the newborn infant (…) into a cultured human (…) in order to be a bonafide member of the culture.” (pagina 79-80; de formulering wijkt iets af van de versie die ik zelf heb gelezen)
En ook dit is belangrijk: “[woman] is half of the human race, without whose cooperation the whole enterprise would collapse.” (pagina 76)

En zo is het. Het lijkt dan ook tijd dat het universele beeld wordt bijgesteld en dat we als mondiale samenleving beter gaan zien hoe belangrijk liefdevolle zorg voor onze kleinsten is. We weten tegenwoordig meer over de invloed van de vroege levensfase dan in de tijd van De Beauvoir en van (dit artikel van) Ortner en deze kennis hoort onderdeel te zijn van voorlichting en begeleiding.
De moeder die ik zag, mag gewoon de tijd nemen om te groeien in die (letterlijk en figuurlijk) voedende rol die ze bij de geboorte van haar kind heeft gekregen. Bij gelukkige, gezonde, verantwoordelijke kinderen vaart iedereen wel!

woensdag 10 september 2014

Varkens, koeien, melk en antropologie

Dinsdagmiddag… het college is afgelopen en ik kijk op de klok. Als ik hard fiets, kan ik de trein van 13.12 uur halen in plaats van die van 14.12 uur. Geen tijd, in dat geval, om na te kletsen en ideeën uit te wisselen met medestudenten, maar thuis meer tijd om in alle rust te werken aan de opdrachten voor woensdag en donderdag… Gezien de overstelpende hoeveelheid leesvoer kies ik voor het laatste. Ik pak mijn tas in, loop naar de fietsenkelder en spring op mijn vouwfiets voor een supersnelle rit naar station Amsterdam-Zuid. Vandaar heb ik een rechtstreekse verbinding met Assen en dus tijd om bijna twee uur lang ongestoord te lezen en te werken.

Terwijl ik op mijn snelle karretje door de stad vlieg, laat ik de uitspraken van het college door mijn hoofd gaan. Ik merk dat ik het wel even kan gebruiken, die sprint naar de trein, zodat ik mijn energie de vrije loop kan laten. Ik voel een mate van onrust door wat ik heb gehoord. We zijn als eerstejaars in een week tijd al met heel veel termen en begrippen en theorieën en cultuurvisies overladen en nu het vandaag over voedsel en voedseltaboes ging, kwam het allemaal natuurlijk al heel dicht bij mijn werk als lactatiekundige. Op zulke momenten merk ik hoezeer dat borstvoedingsverhaal na twintig, vijfentwintig jaar een embodied iets is geworden voor me. Het zit in mijn lijf, in mijn leven, in mijn denken en mijn visies. Als er vreemde dingen over worden gezegd, wordt alles in mij wakker en gaat de adrenaline (niet per se de cortisol, trouwens) stromen. Ik wil dan zorgen dat misvattingen geen kans krijgen om in een nieuwe setting wortel te schieten, en zeker niet in, zoals nu, een hele groep jonge academici die de beleidsmakers van de toekomst zijn.
Casu Marzu, verrotte kaas met maden... een Sardinische delicatesse!
Het onderwerp van vandaag was ‘taboes’ en dan specifiek taboes over voedsel. Waarom eten Joden en moslims geen varkens? Waarom eten Hindus geen koeien? Waarom eten niet-Sardiniërs geen wormenkaas? Dat zijn boeiende vragen voor een antropoloog, want ze kunnen vanuit heel veel invalshoeken worden benaderd en inzicht bieden in wat voor een groep belangrijk is.
Een theoretisch instrument dat we al op dag 1 aangereikt kregen, is het ‘Wiel van Cultuur’. Het Wiel bestaat uit drie elementen: gedrag, ideeën en materie. Wanneer je naar een samenleving kijkt, zie je dat deze elementen elkaar in een voortdurende beweging beïnvloeden. Materie in de vorm van bijvoorbeeld internet beïnvloedt ons gedrag. Ons gedrag (surfen op internet) beïnvloedt onze ideeën (we nemen eenvoudig kennis van zaken die ver van ons bed gebeuren) en die ideeën beïnvloeden vervolgens weer ons gedrag (we doen al dan niet mee aan de Ice Bucket Challenge of we zien dat borstvoeding een belangrijke onderdeel is van een duurzame leefstijl) en daarna weer de materie die we ontwikkelen (donatiestructuren, borstvoedingsvoorlichting).

Taboes aangaande voedsel kunnen ook vanuit diverse invalshoeken worden benaderd. Een bepaald idee kan er de bron van zijn, maar het kunnen ook omgevingsomstandigheden zijn (materie) die bepalen dat we iets niet (mogen) eten of juist wel. Zo zal een verbod op vis niet aanslaan onder volkeren op de Noordpool: de omstandigheden laten zo’n taboe niet toe. Taboes blijken daarom vaak aan te sluiten bij wat al gangbaar is; doen ze dat niet, dan vinden ze geen weerklank.
We spraken dus onder andere over het varken en over Indiase koeien. Zodra het begrip ‘melk’ in beeld komt, ben ik alert. Doe een uitspraak als: “Varkens geven geen melk” of “Indiase koeien geven bijna geen melk”… en dan heb je mij helemaal scherp.
Dan denk ik als net begonnen student aan een handvol termen die ik al heb moeten bestuderen:
- etnocentrisme: een andere cultuur beoordelen en wellicht veroordelen op basis van je eigen achtergrond;
- antropocentrisme: zaken benaderen vanuit het idee dat de mens het middelpunt is;
- holisme: alle mogelijke aspecten meenemen in je overwegingen en conclusies.

Ik kon het niet laten; ik zei: “Alle koeien geven melk. Dat is een biologisch feit.”
En ik dacht: “Maar niet alle koeien worden zo opgefokt als die in de veeteelt om een belachelijke hoeveelheid melk te produceren die niet voor hun jongen is bedoeld, maar voor menselijke consumptie. Zeggen dat ze bijna geen melk geven is etnocentrisch, antropocentrisch en non-holistisch.”
Ik drukte me geloof ik niet helder genoeg uit, want mijn opmerking werd als niet relevant voor de discussie terzijde geschoven.
En over dat varken, dat zogenaamd geen melk geeft, dacht ik: “Varkens kunnen we niet voor melk exploiteren, want ze zijn voor de mens niet zo gemakkelijk te melken als diverse andere zoogdieren, maar voor hun jongen geven ze gewoon voldoende melk, net als ieder ander zoogdier, waaronder de mens. Zeggen dat een varken geen melk geeft is etnocentrisch, antropocentrisch en non-holistisch.” (En ja, ik weet dat er pathologische uitzonderingen zijn, maar we gaan even uit van de zoogdiernorm.)

Wat moet ik hier nu mee? Maken deze gedachten mij tot een etnocentrische denker in mijn eigen lactatiekundige niche? Moet ik het laten voor wat het is en doen alsof er niets bijzonders is gezegd? Of is het zinnig dat ik hier donderdag (in de werkgroep over hetzelfde onderwerp) op terugkom en benoem wat ik hierboven beschrijf? Wat zegt het over mij dat ik me hier druk over maak? Waarom heb ik de behoefte om iets wat ik beschouw als een misvatting, recht te zetten? Is het wel echt een misvatting? Of is het gewoon een beetje onhandig geformuleerd? En doet dat ertoe, hoe je formuleert?
Vooroordelen (www.favim.com)
Het vak waarbij dit college hoort, heet ‘Etnografisch Schrijfpracticum’. We gaan hier leren lezen en schrijven. “Ah”, zei mijn man plagerig na de eerste week, “dat is leuk, lezen en schrijven. Je zult zien dat er een wereld voor je opengaat!” We moesten er samen hartelijk om lachen; ik kan immers best al wel aardig lezen en schrijven. Het gaat in dit vak echter om de vaardigheid een cultureel verschijnsel goed te bestuderen, de literatuur aandachtig te lezen en te overwegen en vervolgens alles te combineren en een analyse te maken van hoe de praktijk zich tot de theorie verhoudt. Daarbij is de essentie dat je leert je standpunt overtuigend te onderbouwen en je woorden zorgvuldig te kiezen; je moet zodanig formuleren dat er geen misverstanden ontstaan.
Ik heb dan ook zo'n idee dat, mits professioneel verwoord, een nadere beschouwing over de bovenstaande punten in het kleinere werkgroepverband zeker gepast is. Ik zal dus mijn gedachten nog wat laten gaan over waar voor mij de essentie zit van wat me triggerde. Antropologie, kennis van de mens, begint immers bij kennis over wie je zélf bent, over hoe jouw achtergrond je gemaakt heeft tot wie en hoe je nu bent en denkt!

woensdag 3 september 2014

Levensweg

En daar ging ze, zwaarbepakt met grote koffer en volgepropte rugzak… onze jongste dame, de wijde (studenten)wereld in, voorzien van het cadeau dat ook haar zussen kregen toen ze de deur uit gingen: een briefopener, voorzien van naam en datum van ‘zelfstandigheid’ (als symbool voor het feit dat ze vanaf nu zelf verantwoordelijk is voor haar administratie) en een exemplaar van het levenswerk van Clarissa Pinkola Estés, ‘De ontembare vrouw’ (als symbool voor het feit dat we allemaal in ons leven fases doorlopen die ons een deel van het levensverhaal onthullen en ons de weg wijzen in onze lange tocht door het bestaan).

’s Avonds zaten we getweeën aan tafel, toen mijn man zei: “Dat was het dan? Ik had echt niet gedacht dat het zó snel zou gaan. Ik dacht dat het levenslang zou duren, die lieve kinderen om ons heen.” En natuurlijk blijf je als ouders levenslang betrokken bij wat ze doen, maar die dagelijkse zorg voor ze en hun sprankelende, inspirerende aanwezigheid… die is per kind meestal binnen twintig jaar voorbij. En zelfs als je vier dochters hebt, zijn vijfentwintig jaren verrassend en verbazingwekkend snel om.
We keken elkaar aan en toastten op deze nieuwe fase, op de levenslust waarmee de kinderen hun pad vervolgen en op het feit dat we daarvan nog steeds samen getuige zijn. Dat is niet iedereen gegeven; sommige ouders slagen er niet in hun verbintenis liefdevol en vreedzaam in stand te houden, andere zien hun relatie eindigen door de dood van hun partner. Deze week nog trof ik een vriendin die weduwe werd toen hun dochters 4 en 1 jaar oud waren. Dan krijgt het ouderschap een heel andere kleur en ook de kindertijd ontbeert dan de onbezorgde vreugde van twee blije ouders.

En zoals we allemaal weten, zijn er daarnaast nog heel veel andere factoren die het leven van kinderen zwaar kunnen maken. Twee artikelen van Vakblad Vroeg die ik vorige week las, laten daar iets van zien. Het ene gaat over hulp bij onveilige hechting, het andere over het risico op de ontwikkeling van gewelddadigheid ingeval van verwaarlozing. Dat zijn droevige verhalen, en toch is er voor die tekortschietende zorg in de meeste gevallen een verklaring te vinden die een evenzeer verdrietige geschiedenis van de ouder(s) zichtbaar maakt.

Zoals al vaker besproken: de transgenerationaliteit van de problematiek is het meest trieste van alles. Het risico dat ouders hun eigen pijn, problemen, verdriet en frustratie doorgeven aan hun kinderen, terwijl ze waarschijnlijk vast van plan waren dat niet te doen, blijkt dikwijls prominent aanwezig.
Het lijkt dan ook zaak om met argusogen te kijken naar de manier waarop jonge ouders worden voorzien van adviezen over de zorg voor hun baby en peuter. In dat opzicht valt er nog wel het nodige te verbeteren, want wat ik onlangs in een wachtkamer weer las… het is om wanhopig van te worden. Wéér ging het over de manier waarop ouders grenzen moeten stellen, opdat hun kinderen hen niet de baas worden, hoe ze duidelijk moeten aangeven dat het kind zich erbuiten moet houden als volwassenen in gesprek zijn, de technieken die ze kunnen toepassen om de controle over hun kind te behouden. Is dat dan het doel? Is dat werkelijk waarnaar we streven in de omgang met onze kinderen? Of is het toch wenselijker dat ze een fraaie mate van 'ontembaarheid' behouden?

Onze oudste dochter vertelde vorige week over een training die ze net had gedaan voor een bestuursorgaan. Daarin werd er in de uitleg over hoe relaties functioneren, zo ongeveer voetstoots vanuit gegaan dat er tussen ouders en kinderen een hiërarchische verhouding geldt en dat daar niet de gelijkwaardigheid van kracht is die tussen volwassenen onderling geldt. De ondergeschiktheid van het kind aan de ouders werd als een gegeven gepresenteerd: ouders vertellen kinderen wat ze moeten doen en kinderen ‘luisteren’ daar naar (lees: volgen die instructies op).
Onze dochter had bezwaar gemaakt; zo werkt dat niet per sé, had ze gezegd, en ik ben het met haar eens. Op de vraag ‘Waarom?’ is het antwoord ‘Daarom!’ meestal niet gepast. Als er iemand is die de taak en de verantwoordelijkheid heeft om zich te verantwoorden (door het geven van het goede voorbeeld) en zaken uit te leggen, toe te lichten en nog een keer te verklaren… dan wel ouders richting hun kind.
Dat is geen sinecure, die taak. Ouderschap is dan ook niet voor watjes, zoals een mooi artikel in Kiind toelichtte in februari 2012.

Het is dan ook een bijzonder gevoel dat die opvoedklus nu grotendeels ‘geklaard’ is en dat de tijd zal leren of we ons werk als ouders een beetje behoorlijk hebben gedaan. Vooralsnog lijkt het aardig gelukt, al blijven er ook in deze leeftijdsfase genoeg issues waarover je met elkaar een boom kunt opzetten, waarover je met elkaar stevig in debat kunt om te zien hoe visies en ethische idealen en bezwaren van toepassing zijn op wat er ter tafel komt. De zelfreflectie van het jonge ouderschap verandert door de jaren heen steeds meer in het wederzijds delen van kennis en ervaring en de bespiegelingen die dat losmaakt. Een mooi pleidooi, dus in De Correspondent, om van filosofie een verplicht vak te maken. Het beste begin je dan natuurlijk op de basisschool, als kinderen nog redelijk onbevangen in het leven staan. Zo is de kans het grootst dat ze als student en als volwassene zich niets laten aanpraten en dat ze een ragfijn gevoel ontwikkelen voor rechtvaardigheid en medemenselijkheid.

Er valt immers waanzinnig veel te ervaren in de wereld en hoe vreemder die voor je is, hoe lastiger het is te duiden wat je voor je ogen ziet gebeuren. Onbekend maakt nu eenmaal vaak onbemind. Dan ligt etnocentrisme op de loer: de cultuur en gewoontes van de ander beoordelen (en misschien veroordelen) op basis van je eigen achtergrond, je eigen referentiekader. Dat neemt niet weg dat er, zeker op fysiologisch gebied, ook wel algemene, universele dingen te zeggen zijn. In al dit soort aangelegenheden ben ik sinds afgelopen maandag volledig ondergedompeld met de colleges en werkgroepen van mijn studie Culturele Antropologie & Ontwikkelingssociologie in Amsterdam.
Later meer, over wat dáár allemaal ter tafel komt, nu de tafel in de keuken thuis nogal dunbevolkt is geworden! :-)

donderdag 21 augustus 2014

De samenleving in kinderschoenen

Het is toch altijd weer een hele overgang om van het vakantieritme in het werkritme te geraken! We kwamen zaterdag aan het einde van de dag thuis, nadat het vliegtuig rond het middaguur de wielen op Schiphol op de landingsbaan zette, maar gevoelsmatig ben ik nog steeds niet helemaal geland.
We waren drie weken lang volledig door de schoonheid van de natuur overweldigd en dat maakt de terugkeer naar het leven alhier ineens groot. Weer een ander, minder intensief bewegingspatroon, het traditionele eetgedrag, hoofd niet meer leeg, maar doende de mailachterstand weg te werken… Je af en toe eens even helemaal losmaken van het gewone en je herbezinnen op je alledaagse ritme is een heilzaam en nuttig proces. Zoals je vanuit het vliegtuig heel anders naar de aarde (of naar de schitterende wolken!) kijkt, zo wordt ook je blik op je vaste routine gewijzigd wanneer je er letterlijk en figuurlijk afstand van neemt. Dan valt een prachtig boek als ‘The Selfish Society’ van Sue Gerhardt in voedzame bodem. Geregeld beveel ik ‘Waarom liefde zo belangrijk is’ aan, eveneens van haar hand, en dit nieuwere boek is zeer zeker ook een aanrader.

De ondertitel is: ‘How we all forgot to love one another and made money instead.’ Ze beschrijft zeer helder hoe de maatschappelijke ontwikkelingen van de laatste eeuwen in de hand hebben gewerkt dat we allemaal minder tijd met onze dierbaren doorbrengen en materiële welvaart een zeer hoge prioriteit heeft gekregen.
Haar stelling is dat het emotionele leven in de vroege fase, de aandacht die we geven aan jonge kinderen, van grote invloed is op hoe de samenleving zich ontwikkelt. De vaardigheid, het geduld en vooral de empathie die nodig zijn om voor een jong kind te zorgen en in haar basale behoefte aan veiligheid en liefde te voorzien, moeten volgens Sue Gerhardt in het politieke en economische denken worden geïntegreerd om tot een reflectieve en meer samenwerkende maatschappij te komen. Ze acht de noodzaak van die ontwikkeling groot, gezien het toenemende individualisme.

Als altijd heb ik het boek weer gelezen met een potlood in de hand en graag deel ik diverse citaten met jullie.
Ook in dit boek verschijnt ‘good old’ John Bowlby weer ten tonele met zijn “powerful and influential attachment theory”: “Bowlby courageously stood up to the entire psychoanalytic profession of his day to insist that a child’s actual early attachment experiences were the key to his or her healthy emotional development. His once controversial thinking is now taken for granted in developmental psychology and in developmental approaches to psychotherapy.” (p. 28)

Ze maakt onderscheid tussen “material abundance” en “emotional abundance” en is van mening dat een gebrek aan overvloed aan emotionele veiligheid leidt tot het zoeken van veiligheid in materiële zaken. “Very often, poor mental health is due to early life experiences that have undermined the sense of self and ability to manage feelings and relationships well.” (p. 32)
Ze beschrijft diverse onderzoeken die de link beschrijven tussen materialistische attitudes en agressie enerzijds en gebrek aan veiligheid anderzijds: “This research has shown that social isolation, emotional deprivation or stress in infancy alters the dopamine pathways, particularly in the ‘social brain’. This can increase impulsive, ‘grabby’ behaviour, and can create a predisposition to addiction.” (p. 35) Da’s allemaal niet niks; het is ook niet zo vergezocht om dan te zeggen dat de vroege kindertijd van invloed is op hoe de samenleving eruit ziet. Dat is dan een kwestie van logische stappen zetten en vertalen wat we als kind ervaren en leren, naar wat we als volwassene doen.

In heel veel opvoedingsondersteuning kom je adviezen tegen die erop zijn gericht het kind zo snel mogelijk onafhankelijk te maken. Sue Gerhardt kijkt met een andere blik: “The belief that we can be fully autonomous is a desperate attempt to deny the fact that we are not in control of our lives, (…). In all (...) phases of life, when we are unable to contribute economically to society, we need sensitive care from other people. This requires a very different ethic from the go-getting entrepreneurial mentality.” (p. 39)

Ze plaatst al deze ontwikkelingen binnen het grotere kader van mondiale problematiek: “At a time when we need to adjust our values and expectations away from a world economy based on growth and the exploitation of fossil fuels towards a world based on greater empathy for others and care for our natural resources, we will need to understand why we behave as we do and what drives us.” (p. 46)

Ik denk dat dit relevante vragen zijn. Wanneer we kijken naar de problematiek die we in de samenleving kennen en die heel divers is, komt ook bij mij altijd weer die vraag op: “Hoe is het zo ver gekomen?” Waarom slaat iemand een ander in elkaar? Waarom wordt er gestolen? Wat is de reden dat managers van publieke instanties zo’n grote greep doen uit de pot die door de burgers wordt gevuld? Waar is je verstand gebleven als je een vrouw verkracht? Hoe komt het dat er alsmaar weer conflicten zijn die op oorlogen en plunderingen uitdraaien? En terug naar heel klein: waaruit komen de vele pestsituaties op scholen voort? Waarom is Jeugdzorg zo’n grote speler geworden in de zorg?

In heel veel gevallen is er sprake van een gevoel van miskenning bij de dader, die zijn of haar frustraties botviert op het (soms willekeurig gekozen) slachtoffer. Vele vormen van discriminatie worden veroorzaakt door een onterechte superioriteitsbeleving, een bewuste of onbewuste vastbeslotenheid om liever te onderdrukken dan onderdrukt te worden. Dat leidt tot de meest schrijnende situaties, die bij de ‘onderdrukte’ of gediscrimineerde veel pijn veroorzaken, maar evenzeer ook agressie en haat kunnen aanwakkeren, en dan is het kringetje rond.
Toch zul je bij nadere beschouwing vaak tot de trieste conclusie moeten komen dat wie als dader wordt aangemerkt, in een vroegere levensfase vaak slachtoffer was.
De incestpleger is vaak slachtoffer van fysieke mishandeling, verwaarlozing of incest geweest.
De agressieve schreeuwer op straat had vaak ouders die commandeerden in plaats van overlegden.
De dief heeft als kind zichzelf of de dierbaren vaak veel ontnomen zien worden.
Is dat een excuus, een reden om de ‘dader’ niet verantwoordelijk te houden voor het aangerichte leed? Nee, niet zonder meer en niet op deze simpele manier.
Wel lijkt het belangrijk om voor ogen te houden dat onze ethische, morele vorming begint in onze babytijd. Ik herhaal nog maar eens de uitspraak van Robin Grille: “The way we treat our children, they will treat the world.” Of om een Nederlands spreekwoord aan te halen: “Wie wind zaait, zal storm oogsten” of “Goed voorbeeld doet goed volgen”.

Over de boodschap die je afgeeft als je kinderen laten huilen, zegt Sue Gerhardt dan ook dit: “[The message is] that their feelings don’t matter and that they must subordinate their will to the more powerful people around them. Taught that comfort cannot be relied upon, and left to manage their distress alone, this can constitute an early but devastating life lesson.” (p. 65)
Ze pleit daarom voor een intense investering van tijd en aandacht in de fase waarin baby’s helemaal van die pre-verbale, fysieke communicatie afhankelijk zijn. Door het voorbeeld te geven van sensitieve aandacht, leer je je baby hoe dit voelt en dit legt voor het kind de basis om dit later ook zelf te doen en zo deel te kunnen nemen aan de complexe sociale wereld waarin we leven. (p. 81)

Gerhardt schrijft ook over de moeilijke omstandigheden waarin ouders soms hun onrust en emotionele spanning niet meer kunnen reguleren en zelfs tot slaan kunnen overgaan. (Recent was hierover nog weer enige publiciteit naar aanleiding van een artikel in Medisch Contact en de reacties daarop, zoals deze en deze en deze en als laatste deze, van Gabriëlle Jurriaans.) Ouders kunnen zich door de druk van de dagelijkse drukte hulpeloos of vernederd voelen: “At these moments, parents sometimes just want their child to feel as helpless and humiliated as they do. When the parent’s own self-regulation collapses, it can become impossible to hold on to empathy for the child’s experience.” (p. 111)

Empathie is door het hele boek heen het kernwoord om de sociale problematiek op de meest uiteenlopende levels te duiden. Sue Gerhardt trekt het met nadruk ook door naar de politiek en de invloed van gebrek aan empathie op het morele bewustzijn en het bijbehorende handelen op dat beleidsmatige niveau.
Het boek bevat een indrukwekkend aantal referenties waarin we bekende namen tegenkomen: Meredith Small, Ed Tronick (still face-experiment), Winnicott (‘no such thing as a baby, always a baby and someone’), Lloyd de Mause (psycho-historicus en sociaal denker), Jaak Panksepp (neuroscience), Allan Schore (neuroscience, hersenontwikkeling) en vele anderen, bekend en onbekend.

Ik kan dit boek van harte aanbevelen aan wie is geïnteresseerd in de samenhang tussen de vroege kinderontwikkeling en de ontwikkeling van de samenleving. Mocht je het willen lenen… je weet me te vinden! :-)

woensdag 23 juli 2014

Rijkdom

Natuurlijk breekt rond je vijftigste levensjaar de ouderdom nog niet aan… en toch kijken we tegenwoordig af en toe weemoedig terug met z’n tweeën. Waar zijn de tijden dat we een gezin met jonge kinderen waren? Waar zijn ze gebleven, de jaren dat we op vakantie gingen met vier kleine, zingende of babbelende meisjes op de achterbank van de auto, met het cassettebandje van Haasje en Rammelaar eindeloos op ‘repeat’, terwijl de kilometers richting Frankrijk, Spanje of Italië onder ons door gleden? Waar zijn die romantische momenten, dat ze ’s avonds op de camping fris gedoucht in pyjama terugkwamen van het toiletgebouw en dan rozig van de hele dag spelen lekker in de tent kropen en heerlijk naar zomerzon roken?
Dat waren mooie tijden. Toch was het thuis, in de routine van alledag, ook wel eens bikkelen toen ze klein waren. Het dagelijkse ritme verliep lang niet altijd zo harmonieus als voor kinderen en ouders wenselijk is. Niet alleen het geduld met de kinderen was soms meer dan op, maar ook het geduld en het begrip dat we voor elkaar konden opbrengen, was soms ver te zoeken. Ik vroeg me destijds wel eens af hoe we het nog zestig, zeventig jaar leuk zouden kunnen houden met z’n tweeën. Soms was het maar goed dat de kinderen er waren; die vragen simpelweg dat je je stinkende best doet om elkaar terug te vinden in de wirwar van hun ontwikkeling, die van je partner en die van jezelf. Soms had ik het gevoel dat we beleefd langs elkaar heen leefden, in afwachting van een fase waarin we elkaar weer zouden zien zoals we ooit begonnen, met oprechte en intense aandacht voor elkaar en niet zo opgeslokt door de zorg voor die kleine donders.

Toch hadden we blijkbaar een stevig fundament gelegd in de jaren voordat de meisjes kwamen, want we konden daarop verder bouwen. De kinderen werden groter en kregen meer en meer hun eigen leven en zo blikken we achterom de laatste tijd: we hebben de stormen van een gezin met vier opgroeiende kinderen doorstaan en komen in mooi, nieuw vaarwater samen. Ik wilde ‘rustiger vaarwater’ schrijven, maar dat klopt niet.
Dat veelbesproken ‘empty nest syndrome’… daar was ik aldoor al niet zo bang voor, hoewel het best gek voelt dat nu ook onze jongste dochter uitvliegt en het ouderlijk nest verlaat. Het punt is alleen dat ik zelf straks aanmerkelijk minder tijd in het empty nest zal doorbrengen dan ik de afgelopen vijfentwintig jaar in het drukbevolkte nest heb gedaan. Dat zit zo.

Na de middelbare school lukte het me niet om voldoende energie bij elkaar te rapen voor de universiteit. Mijn eigen ouderlijk gezin was uit elkaar gevallen; ik rouwde daarom en ontbeerde de emotionele stabiliteit die nodig was voor de uitdaging van een academische studie. Ik wist niet welke vervolgopleiding ik leuk vond en wat er bij mij paste, want mijn ouders en ik hadden daarover niet in alle rust met elkaar gefilosofeerd. Bovendien kreeg ik datgene wat ik wel koos, soms ook maar nauwelijks voor elkaar. Sinds een paar jaren weet ik wat er toen fysiologisch met me gebeurde: cortisol en adrenaline voerden de boventoon. Stress tastte mijn immuunsysteem aan, stelde mijn concentratie en mijn leervermogen op de proef. De onrust vrat energie en zorgde dat ik geen voedingsstoffen opnam en steeds magerder werd. De onveilige hechting en het onverwerkte verdriet van mijn moeder hadden een enorme impact op mijn eigen hechtingsbeleving en op mijn zelfvertrouwen. Cognitief had ik uitdaging nodig, maar fysiek en emotioneel kon ik die niet aan.

Ik rondde mijn tweejarige directiesecretaresse-opleiding af, inclusief een juridische en een medische specialisatie (waar ik later veel plezier van zou blijken te hebben), we trouwden, ik had een aantal jaren een betaalde baan en in mei 1990 werd onze oudste geboren, gevolgd door haar zussen in december 1991, juli 1994 en juni 1996. Ik werd contactpersoon bij de VBN en lactatiekundige, maar al die tijd bleef die ene grote wens… een universitaire studie volgen!
Jarenlang vond ik de omstandigheden er niet geschikt voor. De drukte met de kinderen thuis vergde al mijn aandacht; ze hadden recht op mijn zorg voor hen en ik genoot ervan ze te zien opgroeien en te ondersteunen bij alles wat ze tegenkwamen. Mijn wens bleef vooralsnog een droom.

Maar dat gaf niet; dromen die je koestert, kunnen altijd nog werkelijkheid worden. Nu onze jongste vanaf september in Utrecht gaat studeren, is het zover: ik ga beginnen aan mijn studie Culturele Antropologie en Ontwikkelingssociologie aan de Universiteit van Amsterdam!
Ik heb begin juni de tegenwoordig verplichte matchingsbijeenkomsten bijgewoond. Het begrip matching houdt in dat je meeloopt met een introductie-studieprogramma om te kijken of jij en de studie wel een goede match zijn. De twee dagen werden zowaar met een echt tentamen afgesloten. Ze waren boeiend en ik denk dat deze studie op dit moment verreweg de beste manier is om mijn academische vorming te laten aansluiten bij mijn lactatiekundige werk.

Over één ding maak ik me echter nog wel zorgen… dat mooie, prachtige, geweldige lactatiekundige werk… gaat dat niet in de verdrukking komen straks, als ik geacht word 40 uur per week aan de studie te besteden, net als iedere andere fulltime student? Hoe moet ik 40 uur extra inpassen in een week die zonder studeren ook altijd al overloopt van het werk? Ik heb er geen antwoord op; de tijd zal het moeten leren.
Op de één of andere manier zal ik de komende jaren een vorm moeten vinden voor de combinatie van het werk voor de praktijk en de taken voor mijn studie. De tijd is rijp, het moment is daar, ik ben er klaar voor en ik hoop van alles bij te leren dat mijn werk als lactatiekundige nog completer maakt, zeker ook vanwege de masterrichting Medische Antropologie die in Amsterdam wordt aangeboden.
Lezen en schrijven zullen de twee belangrijkste vaardigheden worden tijdens de hele studie. Wie mij een beetje kent, weet dat dat geen straf voor me is. Dat doe ik altijd al; het enige verschil is dat ik straks niet steeds zelf de titels kan uitkiezen! :-)

Met dit alles in het verschiet leef ik nu al een aantal weken of maanden in een soort vacuüm; het is alsof ik in de wachtkamer zit totdat ‘het’ begint en dat ik me tijdens het wachten moet vermaken. Nu vermaak ik me meer dan prima (het werk loopt me over de schoenen die ik niet aan heb met dit warme weer), maar toch voelt het gek. Wat gaat er komen? Wat moet ik loslaten? Wat kan ik vastgrijpen? Hoe vind ik mijn weg tussen al die jonge mensen die net van school komen? Hoe kan ik mijn vakgebied voor het voetlicht brengen? Hoe kan ik met docenten in gesprek om samen te kijken wat mooie onderzoeksthema’s zijn? Allerlei vragen, waarmee opgroeiende kinderen te maken hebben, zijn nu ook weer mijn vragen en dat voelt heel bijzonder.
Gelukkig ben ik tegenwoordig veilig gehecht in mijn eigen gezin. Mijn man en ik kijken met vertrouwen en dankbaarheid naar onze kinderen, die zo krachtig en gretig in het leven staan. We kijken ook met vertrouwen en dankbaarheid naar onze relatie, die diep geworteld is in ons gezamenlijke verleden en onze liefde voor elkaar.
Daarom kijken we er erg naar uit om komend weekend voor het eerst in vijfentwintig jaar weer drie weken met z’n tweeën op vakantie te gaan naar een prachtig land waar we eindeloos zintuiglijke indrukken kunnen opdoen, waar we even niet met het cognitieve deel van ons brein actief hoeven te zijn, maar waar we de natuur op ons kunnen laten inwerken. We gaan energie tanken voor het jaar dat voor ons ligt en dat een nieuwe fase inluidt met veel veranderingen. Eén ding hoop ik in ieder geval te kunnen handhaven, namelijk iedere woensdag een blog alhier. Ga er daarbij maar vanuit dat de inhoud stapsgewijs antropologischer van aard zal worden, al blijft borstvoeding natuurlijk prominent aanwezig!

Allemaal mooie zomerweken gewenst en tot in augustus!

woensdag 16 juli 2014

Dochters van de Aarde

Afgelopen weekend las ik het boek uit dat ik leende van mijn buurvrouw. Ze dacht dat het net wat voor mij was, met mijn interesse in vrouwenaangelegenheden en mijn antropologische studieplannen (waarover volgende week meer). Dat was goed gedacht van haar: ik ben in het boek begonnen en heb het geboeid en snel uitgelezen.
De titel is ‘Daughters of the Earth – The Lives and Legends of American Indian Women’, geschreven door Carolyn Niethammer en ik wil graag een heel aantal boeiende citaten met jullie delen.

Het boek is opgedeeld in hoofdstukken die allemaal een deel van het leven van de Indiaanse vrouw beschrijven. Niethammer laat een enorm aantal stammen de revue passeren en zelfs nu ik het boek uit heb, kan ik ze niet allemaal opnoemen. Sommige namen zijn vrij bekend, zoals de Sioux, Pawnee, Navajo, Hopi, Mohawks, Comanche en Apache. Andere had ik nog nooit gehoord, zoals Ojibwa, Mandan, Cheyenne, Pima, Papago, Yurok en Tlingit. En nu ben ik nog lang en lang niet volledig. Ik had echt geen idee, dat er zoveel volkeren waren. Native Americans… dat waren ‘gewoon Indianen’.
Het belangrijkste dat me van deze veelheid aan namen zal bijblijven, is echter dat de blanken een grote culturele verscheidenheid om zeep hebben geholpen toen ze van oost naar west over het Noord-Amerikaanse grondgebied trokken en zich land toe-eigenden dat hen niet toebehoorde.

Helaas zijn er nauwelijks geschreven bronnen beschikbaar over het leven van de Native Americans. Wat er wél beschikbaar is, is gekleurd door de wijze waarop het tot stand is gekomen. Missionarissen en ontdekkingsreizigers keken vooral naar wat mannen deden:
“Modern anthropologists – again, mostly male – have continued this tendency to consider women’s activities as uninteresting and irrelevant in comparison with the heady stuff of male politics and public life.” (p. xiii)

Tsja... is dat op een bepaalde manier niet nog steeds zo? Soms wordt de focus op die aspecten van de samenleving zelfs ‘feminisme’ genoemd, want focus op de van oorsprong vrouwelijke taken als kinderen verzorgen, eten verzamelen en bereiden en een huishouding in alle facetten draaiende houden (cruciale factoren om de overleving te waarborgen en gezond en veilig op te groeien!), worden nog altijd sterk ondergewaardeerd en dientengevolge ook onderbetaald.

Waar mannen van buiten zich wél bemoeiden met vrouwenzaken, liep dat vaak bepaald niet goed af:
“The missionaries, in their zeal to get rid of all heathen ceremonies, destroyed the educational, moral, and ethical system which was integrated into the religious ceremony, with the result that many of the Diegueno women of that era lost their first babies.” (p. 42)

In Hoofdstuk 4, ‘Sharing a Life’, wordt uitgebreid besproken wat een jong meisje te wachten kon staan vanaf haar ‘dating’-avonturen tot aan haar leven als weduwe. Zonder voorbehoedmiddelen en in een sterk op elkaar aangewezen gemeenschap van families was het belangrijk het sociale weefsel intact te houden. Dat vroeg soms om creatieve oplossingen bij zwangerschappen:
 “When an unmarried Huron maiden discovered that she was going to have a baby, her various lovers came to her, each saying that the child was his, and from among them she picked the man she liked best to be her husband.” (p. 68)

In Hoofdstuk 5, ‘Making a Home’, wordt de economische rol van vrouwen toegelicht. Ze moesten net als mannen hard werken, maar spiritualiteit en een gevoel van zingeving waren duidelijk aanwezig:
“The Native American woman could see her daily drudgery transformed into the rhythm of eternity as she gave birth to children, raised them, and helped her daughters in turn give birth and to raise their children.” (p. 105/106)

Het moederschap maakte dat vrouwen ook kennis moesten hebben van het gezond houden van hun kinderen en overige verwanten:
For example, Cherokee women knew and used more than eight hundred species of plants for food, medicine, and crafts. In fact, it is felt by some experts that agriculture was the invention of women. This theory will never be authenticated by archeological evidence (…).” (p. 107)

De vrouwelijke rol was van grote waarde en werd meestal ook gerespecteerd:
“She not only did all the cooking, cared for the house and children, managed the herds of sheep, butchered the domestic animals, made all the clothing, entertained all the guests, and wove rugs in her spare time, but she also had a voice in all the family affairs. There was no activity that was off limits to the Navajo woman if she was able enough to handle it. Restrictions on achievement were never made on the basis of sex, only on the basis of ability.”(p. 127)

Hoofdstuk 6, ‘Women of Power’, laat zien dat vrouwen zeker invloed hadden, waarschijnlijk meer dan het leek:
“Older women were particularly respected and were consulted in all matters of importance.
In the pueblo societies, men generally ran the governments and controlled the ceremonies, but women had an important place in religion and, owing to their control of the households, they had more say in civil matters than appeared on the surface.”(p. 144)

Eén van die vrouwen met macht was Sacajawea:
“One of the most famous of all early Indian women was Sacajawea, who served as a guide to the Lewis and Clark expedition. Sacajawea was only about twenty years old when she led the explorers all the way from North Dakota to the Pacific, carrying her baby on her back the whole way.” (p. 145)
Shoshone-vrouw Sacajawea in de Lewis-and-Clark-expeditie

Vrouwen werden niet ‘afgeschreven’ na een bepaalde leeftijd, maar kregen dan juist vaak meer aanzien:
“She also gave advice on child care and family living. To fill her moccasins today would require a social worker, a family counselor, a pediatrician, a home extension agent, a business adviser, a minister’s wife, a volunteer, and a favorite aunt. Apache women usually contributed the most in terms of leadership and influence between the ages of forty and sixty, when they were considered to be in their mental prime.” (p. 145)

Er kwamen zelfs belangrijke taken bij:
“Women who practiced medicine were usually middle-aged or older – partly because by this age a woman was no longer busy caring for small children, and partly because older women were free of the taboos associated with menstruation.” (p. 146)

En wat te denken van deze beschrijving van de verschillen in attitude tussen vrouwen en mannen op het medische vlak?
Ojibwa doctors (…) demanded constant reassurance of their own importance, and anyone who did not express proper deference to these powerful men risked being the victims of sorcery. Women doctors didn’t seem to behave like such prima donnas. Not having been trained as children to feel violent pride or shame, most medicine women just concentrated on their doctoring work and did not give much energy to suspicion or arrogance.”(p. 148)

Toch was de vrijheid voor de persoonlijke expressie beperkt:
“Anybody who was a rabble-rouser, iconoclast, or even too liberal was immediately branded a witch and burned or otherwise killed for her misdeeds. It was a most effective method of putting a quick stop to any revolutionary thoughts.”(p. 163)
Hmm… mij zou wellicht niet zo’n lang leven beschoren zijn…! :-)

In Hoofdstuk 9, ‘Early Sexual Patterns’, komen diverse aspecten van de seksualiteit aan de orde. Dit vond ik interessant:
Although Native American women were often violated by European traders, trappers, and explorers, white women were seldom raped when taken prisoner by Indians. Apparently the widespread traditions forbidding the sexual assault of ‘foreigners’ extended to white women also.” (p. 227)
Daar kunnen vele oorlogvoerders vandaag de dag een voorbeeld aan nemen!

In Hoofdstuk 10, ‘Religion and Spirituality’ komt een vreselijke gewoonte voor:
“Timucua Indian women, in Florida, were required to undergo a similar rite; it was their custom to offer the firstborn son to the chief of the village.” (p. 239)

Dit vind ik prachtig, over de kracht van de baarmoeder en geboorte en wedergeboorte:
The Navajos share with some of their Pueblo neighbors the concept of an Earth Mother, a goddess of creation through whose successive womb-worlds human beings emerged from the underworld to the surface of the earth. This goddess is continually self-renewing, an immortal woman.” (p. 246)
De vrouw als schakel in the continu groeiende keten van leven… prachtig!

En tot slot in Hoofdstuk 11, ‘Completion of the Cycle’, las ik dit:
“Life held few surprises for the typical early Native American woman. Surrounded by women at birth, she continued her life in the presence and company of women, sharing with the sisters of her tribe her learning, her working, her own labors of childbirth, and her death. (...) Her days were often full of monotonous repetition, but at least she was spared the modern woman’s painful quest for an identity.” (p. 260)

Over borstvoeding heb ik geloof ik helemaal niets gelezen. Is dat niet apart? Of was dat zo gewoon dat het niet de moeite van het beschrijven waard was? Dat zou mooi zijn en ik acht het niet onwaarschijnlijk.
Ik heb genoten van dit boek. Het laat zien hoe allerlei tradities een oorsprong hebben en in hun eigen maatschappelijke context vaak ook een reden en een functie. Toch zijn er natuurlijk altijd dingen waarvan je hoopt dat ze met meer inzicht toch tot verandering leiden. Je eerste kind offeren om de goden gunstig te stemmen… dat lijkt me niet iets wat we in het kader van het veelgeprezen multiculturalisme willen overnemen. Daarentegen lijkt het me wél heel zinnig wanneer er in de samenleving meer waarde wordt gehecht aan het creëren van een veilige thuisbasis, waarin, hoe je het ook wendt of keert, de vrouwelijke rol enorm belangrijk blijft.