Posts tonen met het label antropologie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label antropologie. Alle posts tonen

vrijdag 17 april 2015

Strijdlust

Het is donderdag 16 april, 22.04 uur, en ik zit in een totaal lawaaierige kroeg in het hartje van Amsterdam. Tot een half uur geleden was ik op een steenworp afstand van hier als eerstejaars student aanwezig bij een vergadering van de Universiteit van Amsterdam (UvA). In één van de zalen op het Binnengasthuis-terrein, bij locatie Oude Manhuispoort (OMHP), vond een hoorzitting plaats over de ontruiming van het Maagdenhuis afgelopen zaterdag, 11 april. Anderhalve maand lang aten en dronken, sliepen en praatten, musiceerden en vooral discussieerden studenten in dit bestuurlijke centrum van de UvA aan het Spui. Ze voerden actie voor meer democratie in de organisatie van de universiteit, voor meer inspraak, voor een betere besteding van de financiële middelen, voor meer vaste contracten voor jonge en ervaren docenten en voor nog veel meer, als ik het allemaal goed heb begrepen. In het voorbije weekend zou er nog een wetenschappelijk festival worden gehouden, zo was afgesproken, en op maandag zouden ze het pand schoon en netjes opleveren. Zover kwam het niet: op zaterdag heeft de ME, na een uitspraak van de rechter in een door het College van Bestuur (CvB) aangespannen kort geding, het pand ‘ontruimd’, al waren er vrijwel geen studenten meer binnen. Die stonden op straat, alwaar diverse mensen hardhandig zijn weggesleurd en waar een aantal is gearresteerd. Omdat sommige studenten uit principe weigerden hun identiteit prijs te geven, zijn ze in ‘vreemdelingendetentie’ gezet: men weet zogenaamd niet wie ze zijn en voor zover bekend maakt het CvB geen aanstalten om het voor de studenten op te nemen en hun invrijheidstelling te bespoedigen. Dit duurt nu dus bijna een week (!) en ik hoorde zojuist dat ze maximaal negen maanden (!!) kunnen worden vastgehouden. Over al dit geweld en over de legitimiteit van het aanblijven van het CvB ging vanavond de vergadering. De aanwezigen konden zowel hun grieven over als hun steun voor de ontruimingsbeslissing laten horen. Mensen brachten met passie hun visie in, die in essentie meer over beleid ging dan over de ontruiming, al kan die als symptomatisch worden gezien voor waar veel klachten over gaan. Soms werden visies met applaus ontvangen, soms met ijzige stilte, soms, om de spreker niet te onderbreken, met opgestoken wapperende handen, als teken van instemming.
Slaapplaatsen in de gangen van het Maagdenhuis

Ik zat erbij en ik keek ernaar: hoe antropologisch, zo’n observerende houding! Wekenlang hebben jullie via mijn blog niks van me gehoord, omdat mijn vakken mijn aandacht volledig opslurpten. Vanavond tijdens de avond dacht ik: “Ik wil weer eens schrijven en wel over wat hier gebeurt!” Ik nam namelijk iets wonderlijks waar, iets wat me de laatste weken al vaker is overkomen. Al het oproer op de UvA houdt de gemoederen intens bezig en ik moest denken aan hoe dat met vlagen ook voor borstvoedingsonderwerpen geldt. Na twintig jaar ben ik in dat prachtige vak van mij zodanig thuis, dat ik er altijd wel een mening over heb. Ik vind er iets van. Ik wil er iets mee. Ik sta aan een kant. Als mensen er een betoog over houden, dan heb ik er associaties bij; dan heb ik een gevoel over hoe de spreker zich verhoudt tot het onderwerp, wat de gekozen positie is en hoe die aansluit of afwijkt van de visie die ik zelf in de loop der tijd heb ontwikkeld en die niet alleen maar over het daadwerkelijke voeden gaat, maar zeer zeker ook over de onderwerpen die er onlosmakelijk mee zijn verbonden. Ik zie de context, ik zie hoe bepaalde methodes en wijzen van aanpak recht doen aan de wetenschappelijke inzichten of die juist flagrant schenden. Het lijkt en voelt ook altijd alsof het allemaal zonneklaar is: “Dit behoeft toch geen uitleg? Het is toch overduidelijk dat X gelijk heeft en op het juiste spoor zit en Y niet?!” En als ik aanwezig ben bij zo’n vergadering waar van alles wordt besproken, dan verheug ik me over bepaalde uitspraken of ik wind me er mateloos over op. Dan heb ik het idee bondgenoten te hebben gevonden of juist getuige te zijn geweest van hoeveel er nog moet veranderen. Al die emoties hebben ook een fysiologische en emotionele impact op me: blijdschap, ergernis, hart in de keel, buikpijn, zweten, ontroering, verontwaardiging, hoop, wanhoop en vooral… strijdlust!

En nu? De afgelopen weken heb ik het allemaal aangehoord en aangekeken, alle opwinding en strijdvaardigheid. Ik was na afloop van een tentamen met een studiegenoot in het Maagdenhuis en ik proefde de sfeer in het voorheen zo sjieke pand, dat nu was bezaaid met posters en spandoeken, stoelen en vergaderschema’s, luchtbedden en slaapzakken, geurige levensmiddelen en tandenborstels bij de wc’s. En ik wist het niet, net zoals ik het vanavond niet wist. Het is blijkbaar niet zo simpel om te bepalen hoe het zit, om uit te vissen wie aan de ‘goede’ en wie aan de ‘verkeerde’ kant staan (als die kanten al bestaan). En toch vraagt ieder beleidsterrein vroeg of laat om keuzes, om beslissingen aangaande de vraag wat de hoogste prioriteit moet hebben of krijgen. Wanneer weet je genoeg? Wanneer weet je genoeg over baby’s en borstvoeding (of over een universiteit en het brede veld dat dáár bij hoort) om te kunnen zeggen: “Je kunt hoog of laag springen, maar dit beleid deugt gewoon niet en het moet echt anders. Dit kunnen we niet langer tolereren, want er vallen slachtoffers. Wat hier gebeurt, is op grond van die en die basale uitgangspunten ethisch niet verantwoord!” Ik ben zo eigenwijs dat ik denk dat ik daarover op het lactatiekundige gebied zo langzamerhand wel een goed gefundeerde mening heb ontwikkeld. Voor de UvA heb ik die zeker nog niet, al krijg ik er wel langzaam een betere indruk van. Daarom is het wel bijzonder dat ik vrijdagochtend bij een heel belangrijke vergadering over UvA-beleid zal zijn en vrijdagmiddag bij een belangrijke vergadering over borstvoedingsbeleid. Ik ben benieuwd, hoe ze elkaar gaan beïnvloeden in mijn hoofd! Volgende keer schrijf ik verder, onder andere over hoe dit soort zaken zich verhouden tot het dragen van verantwoordelijkheid en waarom dat voor veel mensen zo’n groot en moeilijk ding lijkt.
Open dialoog en sprekers van niveau ten behoeve van bezinning

Nu gaat de klok richting 23.00 uur en ik krijg zojuist bericht dat ik over een half uur op mijn logeeradres terecht kan, dus ik pak mijn spullen in en spring op de fiets, coslapen met onze oudste dochter, voormalig borstkind, voormalig UvA-student en nu promovenda op filosofisch-ethisch gebied! Man, wat een leven, wat een wereld… wat een rijkdom aan ervaringen en wat een zegen het allemaal te mogen meemaken!'
(Ik ben nog 'on the move' vandaag; mooi beeldmateriaal volgt later dit weekend.)

P.S. Deze verklaring van de Raad van Toezicht volgde vrijdag, nadat de Centrale Ondernemingsraad (COR) en de Centrale Studentenraad (CSR) hadden vergaderd en hun conclusie hadden overgebracht.

donderdag 5 maart 2015

Rites de passage: 50!

Vandaag ben ik ziek thuis. In het weekend was het al niet geweldig, dinsdag op mijn collegevrije dag was het één en al gehoest en gesnotter en gister ben ik dapper om 5.52 uur in de trein gestapt, maar viel de dag me zwaar. Van de terugreis heb ik niks gemerkt, want ik was uitgeput in slaap gevallen en werd gelukkig net op tijd wakker om in Assen uit te stappen! Vandaag geef ik het lijf een beetje rust in pyjama naast de warme kachel. Dat is wel spijtig, want ik zou vanmiddag trakteren in mijn werkgroep: morgen is het feest en word ik 50! Ik ben die dag onder de pannen voor een studiedag met collega’s, maar de zaterdag heb ik iets gepland voor een clubje dierbare vrouwen. Waar zich die dag en de rest van het weekend zullen afspelen… dat weet ik echter niet, want onze eigen vier mooie dochter-vrouwen hebben het één en ander in petto waarover ik niets weet. Verrassing, dus!

Daar houd ik wel van, van verrassingen, en dus had ik er gisteren zelf ook één georganiseerd, voor mijn jaargenoten in dit geval. Het leek me helemaal ‘on topic’ om al die antropologen-in-wording te laten proeven van mijn geliefde vakgebied en dus mochten ze allemaal een exemplaar van ‘Slapen met je baby’ meenemen. In de antropologie leren we onder andere over ‘rites de passage’, rituelen die bij bijzondere gelegenheden worden uitgevoerd en die zo een transitie markeren in het leven van degene die het ritueel ondergaat. De transitie gaat gepaard met een statusverandering en voor mij geldt die ook: ik ben in dit 50e levensjaar student geworden en ik doorleef deze status met dankbaarheid en verwondering. Daarover en over de link tussen antropologie en lactatiekunde wilde ik mijn medestudenten graag wat vertellen en dus sprak ik  (in verkorte versie, want mijn verkouden stem liet het afweten) de collegezaal toe met het onderstaande:

“Toen ik vorige week tijdens het NWS-college* zei dat ik Arendsoog had gelezen, antwoordde Nina:
“Ja, maar jij bent oud!” En daar heeft ze, in vergelijking met jullie, natuurlijk helemaal gelijk in.
En ik was dan wel niet in het Bungehuis of het Maagdenhuis, maar in mijn eigen vakgebied ben ik ook al jaren een actievoerder, ‘a rebel with a cause’. Dat werk begon na de geboorte van onze derde dochter, toen ik die kraamvrouwenkoorts kreeg waarover Gerben sprak.
We zijn, zoals we hier zitten, allemaal unieke individuen. We zijn allemaal gesocialiseerd op een bepaalde manier en allemaal beginnen we dat proces als baby. Dat is mijn vakgebied als lactatiekundige: baby’s en de borstvoedingsrelatie met hun moeder.

Geboren worden en bevallen zijn ‘rites de passage’. En hoe je babytijd verloopt, is een belangrijk element in wie je later wordt; daar zitten echt causale elementen in, om in M&T-termen** te spreken! Als mens hebben we een warm nest nodig om ons sociale, ons culturele, en dus ons menselijke potentieel optimaal te ontplooien. Een veilig begin is in feite het grootste culturele kapitaal waarmee je de wereld kunt ingaan. Dat is dan ook het paradigma van waaruit ik werk: bij mij staat het belang van het kind voorop, want een gelukkig kind vergroot de kans op een verantwoordelijke volwassene. Ieder levensverhaal dat zo wordt geschreven, is historisch-particularistisch en al die verhalen samen beïnvloeden hoe de samenleving eruit ziet.
Hoe etnocentrisch we kijken, hoe agressief we zijn, hoe we beoordelen wat eerlijk is, hoe het is gesteld met ons moreel besef, hoe we denken dat een rechtvaardige samenleving of universiteit eruit ziet, hoe we leren verantwoordelijkheid te dragen en agency*** in te zetten… al die dingen hangen mede af van de mate van empathie die we als kind ontwikkelen, de mate dus, waarin we ons in de ander kunnen inleven. Hoe empathisch we zelf zijn, wordt mede bepaald door de empathie van onze ouders, door de vraag hoe sensitief zij waren in hun reacties op de behoeften die we als kind hadden, en die dan groot en dringend en fysiek zijn en bijna geen uitstel dulden.

Hoe dat werkt, daarover is veel geschreven, vooral ook in het Engels, terwijl ouders hier vaak behoefte hebben aan goed leesbare teksten in het Nederlands. Dat is de reden dat ik een paar jaar geleden aan het vertalen geslagen ben met een boek van één van mijn helden, die zijn hele carrière heeft gewijd aan de moeder-kindinteractie tijdens de nachtelijke uren. Het is een controversieel boek, met informatie die ouders in de reguliere zorg vaak niet krijgen.

Ik noemde al de rites de passage… een verjaardag is soms ook een rite de passage en dit jaar zeker: ik word vrijdag 50 en ik heb waarachtig ook een nieuwe status gekregen: ik ben student geworden! Dat ik nu antropologie studeer, is omdat zoveel kennis van borstvoeding antropologisch van aard is. En omgekeerd denk ik dat antropologische kennis zeer gebaat is bij een basisbegrip van waar het allemaal begint. Wat mensen doen als ze volwassen zijn, is immers altijd een gevolg van hun levensgeschiedenis tot dan toe. Het is een optelsom van alle ervaringen, van vertrouwen dat beschaamd of gehonoreerd is, van respect dat werd gegeven of ontnomen, van eigenwaarde die werd gevoed of beschadigd.

Bij verjaardagen is het gebruikelijk om cadeautjes te krijgen, maar op deze voor mij bijzondere verjaardag wil ik graag een cadeautje geven. Er staan doosjes met boeken bij de deur. Ik hoop dat ik jullie daarmee een beetje kan laten proeven van mijn ‘Leidenschaft’, om met Weber**** te spreken, voor deze ‘Wissenschaft als Beruf’, en voor hoe dat veilige begin er voor de jongsten van onze samenleving kan uitzien. De antropologische raakvlakken zijn voor mij een bron van inspiratie. Socialisatie en persoonlijkheidsontwikkeling beginnen heel vroeg; de invloed van nurture (en dus ook van culture) op nature blijkt veel groter te zijn dan vroeger werd gedacht. Dat betekent dat ouderschap van grote invloed is op hoe kinderen zich ontwikkelen en dus ook op hoe de samenleving zich ontwikkelt, want de samenleving… die begint bij ieder kind weer een beetje opnieuw.
De schrijver van mijn eerste boekvertaling is als antropoloog een mondiale autoriteit op zijn specifieke gebied en er is voor jullie allemaal een boek; neem een exemplaar mee en laat me nog maar eens weten wat je ervan vindt. Ik wens jullie veel leesplezier! Dank jullie wel!”

Er zijn zo’n 80 exemplaren meegenomen en wie er niet was, mag volgende week alsnog één afhalen op de faculteit. Ik hoop dat men er plezier aan beleeft.
Ik heb zo’n idee dat ik aan het komende weekend ook plezier ga beleven: de voorbereidingen zijn wat mij betreft klaar en de rest is bij de kinderen in vertrouwde en vaardige handen. Nu alleen nog een goede nacht slapen en stoppen met hoesten en dan mag het feest losbarsten!


* Eén van de twee vakken in dit blok: Inleiding Sociologie der Niet-Westerse Samenlevingen
** Het andere vak: Methoden en Technieken
*** Belangrijk antropologisch begrip: persoonlijke daadkracht
**** Max Weber, één van de grondleggers van de sociologie, gericht op ‘Verstehen’, op het begrijpen en oorzakelijk verklaren van sociaal handelen

dinsdag 3 februari 2015

Margaret Mead en Samoa, deel 3

Afgelopen week en de week daarvoor schreef ik over het beroemde boek van antropoloog Margaret Mead, ‘Coming of Age in Samoa’, geschreven op basis van vijf maanden onderzoek op het afgelegen eiland. Ze ging daarheen, omdat ze iets anders wilde doen dan velen voor haar al hadden gedaan. Zoals Jane Howard, één van de biografen van Mead, zegt: “Iedereen bestudeerde de Indianen in Amerika. Er werd wel grappend gezegd dat een Indianen-familie bestond uit een moeder, een vader, een kind en een antropoloog!” Mead bezocht dus een exotischer oord; ze werd wereldberoemd met haar boek erover en ze gaf bovendien een enorme impuls aan het vakgebied van de antropologie.

Een aantal jaren na de publicatie kwam er echter stevige kritiek op de conclusies die Mead had getrokken en de afgelopen dagen heb ik mij daar enigszins in verdiept. Ik heb onder andere de korte Youtube-filmpjes bekeken die samen een reportage van ongeveer een uur vormen en waarin uiteen wordt gezet wat het commentaar was.
Ik realiseer me dat veel lezers niet direct een link ervaren met Samoa, maar ik denk dat we allemaal een verband kunnen zien tussen wat er speelde in de strijd tussen Freeman die Mead bekritiseerde, en wat we in onze eigen tijd en samenleving (zouden moeten) zien gebeuren ten aanzien van informatievoorziening uit andere landen. Kort en bondig luidt mijn conclusie, mede op basis van de Mead-Freeman-controverse: wat je denkt dat ergens gebeurt, is afhankelijk van wie jou erover vertelt en van de achtergrond en eigen ervaringen van die persoon.
(Grappig genoeg is dat waarover ik deze week een opdracht moet inleveren: mijn eigen levensgeschiedenis en hoe ik denk dat die mijn wetenschappelijke aanpak gaat beïnvloeden!)

Wat was er aan de hand, dat er zoveel kritiek op Mead’s boek kwam?
Antropoloog Derek Freeman wordt vijftien jaar na Margaret Mead geboren en is een groot bewonderaar van haar werk. Hij is gretig, maar staat daarnaast bekend als radicale student en later ook als mentaal instabiel. Van 1940 tot 1943 werkt hij op Samoa als leraar en hij leert de taal vloeiend spreken. Hij krijgt van de bevolking zelfs een eretitel en mag aanwezig zijn bij de vergadering van de chiefs, de hoofdmannen, de leiders van de lokale gemeenschap. Daar komt hem allerlei inside information ter ore die botst met wat hij in Mead’s boek heeft gelezen. In 1964 heeft Freeman een ontmoeting met Margaret Mead en hij toont haar wat hij op dat moment aan materiaal heeft; hij stelt dat haar conclusies niet empirisch te rechtvaardigen zijn. Mead schrikt hier van, want ze voelt dat haar data (en ook haar inmiddels tot grote hoogten gestegen reputatie) onder vuur komen te liggen. Freeman is zelf echter ook niet helemaal in orde: hij voelt zich geïntimideerd door Mead. In 1965 keert Freeman voor nog twee jaar onderzoek terug naar Samoa; hij weet dat het niet eenvoudig zal zijn om aan te tonen dat Mead’s werk, een mythe en een doctrine in Amerika en de rest van de wereld, duidelijke fouten in zich bergt.

In 1978 is Freeman zo ver dat hij een boek wil publiceren over zijn bevindingen. Een belangrijk aspect daarvan is dat de beschrijving van de Samoans als een seksueel bevrijd volk niet juist is, omdat het in feite een samenleving is met veel seksuele onderdrukking, geweld en jeugdcriminaliteit. Hij denkt dat een deel van de foute informatie te verklaren valt vanuit onvoldoende taalbeheersing door Mead. Hij biedt haar aan het manuscript van zijn boek naar haar op te sturen, zodat ze kan ‘proeflezen’, maar ze is op dat moment al ziek en sterft later datzelfde jaar.
Freeman vindt het op dat moment niet gepast het boek te publiceren en stelt dat uit. Vlak voor publicatie in 1982 spreekt hij erover met een journalist van de New York Times en die maakt er een voorpagina-artikel van. Gezien de reputatie van Mead (ze wordt ‘Moeder van de Wereld’ genoemd) roept het stuk enorm veel reacties op, terwijl het boek van Freeman nog niet beschikbaar is. Het is een enorme toestand: miljoenen studenten hebben het boek gelezen in het begin van hun studie en het is hen onderwezen als de waarheid en plotseling is daar die onbekende Derek Freeman die zegt dat er niets van klopt. De publieke discussie gaat eindeloos door en de kritiek van Freeman wordt niet alleen gezien als kritiek op de theorieën van Mead, maar vooral ook als kritiek op een ‘godin’, op het symbool van de antropologie. Toch vinden sommige wetenschappers het een slechte zaak dat zoveel mensen Freeman’s kritiek afkeuren, terwijl ze het boek nog niet eens hebben gelezen.

Antropoloog Laura Nader, geboren in 1930, leest het boek wel en heeft er diverse kanttekeningen bij. Een belangrijk punt dat ze aanstipt is het feit dat Mead als vrouw naar Samoa ging, met jonge pubermeisjes sprak en terugkwam met het beeld van een volk dat een idyllisch leven leidt met seks voor het huwelijk en zonder alle stress van de Amerikaanse puberteit. Daarentegen ging Freeman als man naar Samoa en hij sprak, eerst zo’n vijftien à twintig en in de jaren zestig zo’n veertig jaar na Mead’s onderzoek, met chiefs en hij komt terug met het beeld van een agressieve samenleving met een hoog verkrachtingspercentage. Ze neemt het hem kwalijk dat hij data uit verschillende periodes samenvoegt , zonder de grote veranderingen in de tussenliggende periode expliciet te benoemen, inclusief alle technologische veranderingen, het toegenomen onderwijs en de verdere christianisering van het eiland.
Laura Nader

Eveneens rond 1983 schrijft Richard Goodman, die jarenlang onderzoek deed op Samoa, er een boek over en veel van zijn conclusies stemmen met die van Freeman overeen. Hij beschrijft een dubbele standaard: “De jonge mannen op Samoa hebben twee doelen; één ervan is om zoveel mogelijk seks met jonge meisjes te hebben en het andere is om te zorgen dat hun zussen geen seks hebben met de andere jonge mannen in het dorp.” Verder stelt hij dat er veel agressie in de Samoans zit door de manier waarop ze als kinderen worden opgevoed, behandeld, gestraft. De woede wordt onderdrukt en komt er pas vee later uit; ze lijken gelukkig, maar zijn dat niet: ze dragen een masker, zegt hij.
Opmerkelijk noemt een andere antropoloog het feit dat Mead niet spreekt over ongewenste zwangerschappen, ondanks alle voorhuwelijkse vrije seks. Wás er dan helemaal geen seks? Heeft Mead zich door de jonge meiden in de luren laten leggen?

In 1987 bezoekt een aantal onderzoekers het eiland waar Mead haar onderzoek deed. Ze vinden een oude vrouw van 86, Fa’apua’a Fa’amu, die één van Mead’s belangrijkste informanten was. De oude vrouw vertelt hoe ze er als meisjes dol op waren om anderen in de maling te nemen. Dat hebben ze bij Mead bij herhaling gedaan, zo zegt ze; ze speldden haar destijds de ene na de andere leugen op de mouw en Mead leek het allemaal te geloven.
Een lokale professor, Dr Fanaafi Le Tagaloa, stelt dat hij vreest dat Mead haar eigen ideeën en problemen meebracht naar Samoa en er ter plekke een kader omheen bouwde.
Het zesde en laatste filmpje eindigt met een toelichting van Freeman, die kort na publicatie belangrijke erkenning kreeg voor zijn boek. Hij ziet zichzelf als een ketter en vindt dat een prachtige rol: “This comes from a Greek root meaning ‘someone who chooses for himself’, in other words a heretic is someone who thinks for himself and doesn’t run with the mob.” Hij vindt echter dat je in de wetenschap wel een ketter moet zijn die het uiteindelijk bij het rechte eind heeft, want anders word je een paria, maar “if you are a heretic who gets it right, you can’t do better.”



Dat is een mooie afsluiting en één waarin ik mij eigenlijk goed kan vinden. Politieke correctheid is een manier waarop vooruitgang enorm wordt tegengehouden. Dat betekent alleen niet dat je willekeurig alles kunt roepen. Een paar citaten van grote denkers illustreren dat prachtig in de filmpjes:
Niko Tinbergen: “The less one knows, the longer it takes to explain what little one knows.”
Karl Popper: “Truth is hard to come by.”
Charles Darwin: “No one’s observations can be trusted until repeated...”

De hele controverse tussen de wetenschappers Mead en Freeman en alle reacties erop laten zien dat veel van wat we denken simpelweg van die eerdergenoemde achtergrond en ervaringen afhankelijk is. Om met één van mijn favoriete wetenschappers te spreken: “It’s highly contextual” (Nils Bergman). Daar wil ik volgende week nog eens wat dieper in duiken!

woensdag 21 januari 2015

Margaret Mead en Samoa, deel 1

Afgelopen week las ik de laatste bladzijden van het boek ‘Coming of Age in Samoa’, geschreven door de Amerikaanse antropologe Margaret Mead. Ze leefde van 1901 tot 1978; ze was nog maar 23 toen ze haar tijd op het Polynesische eiland Samoa (ten oosten van Australië) doorbracht en 27 toen ze het boek publiceerde.
De etnografie is een schoolvoorbeeld van antropologisch veldwerk. Mead ging naar haar onderzoekslocatie, waar ze een specifieke bevolkingsgroep volgde, leefde met de bewoners, bestudeerde een kleinere groep van hen in detail en, heel belangrijk, deed het grootste deel van haar werk toen ze na verloop van tijd hun taal sprak. Dat laatste is daarom van zo groot belang, omdat het betekent dat de onderzoeker niet via een tolk hoeft te communiceren met de mensen over wie ze dingen wil weten. Vertalen geeft immers altijd het risico van misverstanden, van een andere invulling van een bepaald begrip, van iets net niet goed verstaan en vooral van minder vertrouwelijkheid tussen de gesprekspartners onderling. We kunnen ons bij dat vertrouwen allemaal wel iets voorstellen: het is onmisbaar is om te komen tot een ware, diepgaande, eerlijke uitwisseling van verhalen over de dingen die betekenisvol zijn in je leven. De spreker moet zich veilig voelen bij de luisteraar, moet zich kwetsbaar durven tonen en niet voortdurend op haar hoede zijn voor een ongemakkelijke reactie van de ander.

Een heel persoonlijk gesprek, waarin je mijmert over bijzondere gebeurtenissen, waarin je zichtbaar maakt wat je verdriet heeft gedaan of wat je verlangens zijn… zo’n gesprek vraagt dat de ander op de hoogte is van hoe je ongeveer denkt, wat je wereldbeeld is, waar je waarde aan hecht of waar je een afschuw van hebt. En het valt nog lang niet mee om een dergelijk helder beeld van de ander te hebben. Zo sprak ik onlangs met iemand die voorlichting over borstvoeding had gegeven aan een ouderpaar van wie ze na verloop van tijd een geboortekaartje kreeg. Daaruit kwam heel duidelijk naar voren dat de ouders hun kind als een geschenk van God beleefden en alle boodschappen op het kaartje prezen de liefde van God en het wonder van zijn gaven. De voorlichter had tijdens de avond niets gemerkt van deze levensovertuiging van de ouders en vroeg zich naderhand met terugwerkende kracht af of ze geen dingen had gezegd die de ouders als aanstootgevend hadden ervaren. Ik herkende dat gevoel. Zo werd ik een keer hevig terechtgewezen vanwege mijn gebruik van de term ‘Moeder Natuur’, omdat die formulering Gods schepping niet zou respecteren. Daar kun je vanzelfsprekend heel verschillend over denken, of die uitspraak respectvol is of niet en wat God daarvan zou vinden, en of er überhaupt een God is die daar wat van vindt. Waar het om gaat is echter dat dat fundamentele kwesties zijn, die van grote invloed zijn op hoe je naar de wereld kijkt. Je zult je minder gemakkelijk ‘blootgeven’ als je denkt of weet dat de ander jouw wereldbeeld niet deelt of zelfs afwijst.

Margaret Mead slaagde erin om, na een verkenning van de grote lijnen van de cultuur op Samoa, de finesses in kaart te brengen. Haar dochter, Mary Catherine Bateson, zegt in het voorwoord van het boek dat veel van haar moeders trips focusten op de kindertijd. Ook toen werd ouders al eeuwenlang verteld hoe ze hun kinderen moesten opvoeden, maar systematische observatie was op dat moment nog een nieuw fenomeen en wat haar moeder deed, was zonder meer vernieuwend: “[S]he was among the first to study [child development] cross-culturally (p. xi).” Mead geloofde bovendien dat een cultuur die de behoeften van kinderen afwees, geen goede cultuur kon zijn. Haar indruk was dat “the differences in expected behavior and character between societies (…) are largely learned in childhood, shaped by cultural patterns passed on through the generations (…) rather than by genetics (p.xii).” Dat was in de twintiger jaren! Je kunt je afvragen hoe het komt dat we al die jaren op sommige punten maar zo weinig zijn opgeschoten met dit inzicht. Ik denk hierbij onder andere aan het aanmoedigen van het laten huilen van jonge baby’s en aan het conditioneren van gedrag via straffen en belonen (TripleP!).

In een ander deel van de inleiding komt klinisch psycholoog en antropoloog Mary Pipher aan het woord en ze citeert een beroemde uitspraak van Margaret Mead, die mij enorm aanspreekt en die ik al wel eens eerder heb gedeeld: “Never doubt that a small group of thoughtful committed citizens can change the world (p. xv).”
Pipher beschrijft op pagina xviii de invloed van Mead op de eerste generatie gezinstherapeuten, aangezien Mead aandacht schonk aan de destructieve effecten van afzondering en de intensiteit van emoties in nucleaire gezinnen (ouders met kinderen, geen ‘extended family’). Dergelijke eenzaamheid bestond in Samoa niet en Mead was daar zeer persoonlijk getuige van. Ze richtte haar aandacht op jonge tienermeisjes en op de vraag hoe de overgang van kind naar vrouw eruit zag. Ze was bijzonder geïnteresseerd in de vraag of de adolescentie, in de Verenigde Staten in die tijd ook al omgeven met allerlei psychologische strubbelingen, ook in een heel andere cultuur een ingewikkelde periode in het leven van een jonge vrouw was. Ze keek hoe gezinnen samenleefden en hoe meisjes daarin hun plaats vonden.

Het doel van Mead’s onderzoek op Samoa was echter niet alleen de vraag hoe deze gemeenschap leefde, maar om op basis hiervan een beter begrip te krijgen van de mensheid als geheel. Mead onderzocht de grote vragen: Hoe vormt de cultuur het individu? Wat is de rol van biologie in het menselijke gedrag (p. xviii)? Dat zijn mooie thema’s, als je het mij vraagt!
Pipher zegt in haar slotopmerkingen: “Her analysis of the problems of teens is curiously modern (p. xix).” Dat lijkt mij ook; ik werd in ieder geval bij het lezen van de inleidingen al enthousiast en de bovengenoemde vragen zijn in essentie de reden dat ik sinds september Antropologie studeer!

Mead geloofde erin dat het belangrijk was dat kinderen leren *hoe* te denken, niet *wat* te denken. Dat devies geldt denk ik niet alleen voor kinderen, maar voor iedereen. Mead wilde ermee bereiken dat culturen mensen zouden voortbrengen die gelukkiger, minder agressief en emotioneel stabieler zouden zijn (p. xvi. Wel, actueler kan het niet worden, gezien in het licht van de recente gebeurtenissen in Parijs, Nigeria en het Midden-Oosten.
En hoewel ik heb begrepen dat Mead later veel kritiek heeft gekregen vanwege haar onderzoek op Samoa en de conclusies die ze daaruit trok (ik zal nog eens zoeken wat die kritiek behelsde), denk ik zeker dat haar doelstellingen loffelijk zijn. Meer dan ooit hebben we opvoedingspraktijken nodig die basisbehoeften erkennen en de bevrediging ervan aanmoedigen, zodat zich empathie kan ontwikkelen en conflicten voorkomen of tenminste zonder moord en doodslag opgelost kunnen worden. Meer dan ooit moeten we begrijpen en onderkennen dat een kind niet als een oorlogszuchtig monster wordt geboren, maar dat dergelijke uitwassen een gevolg zijn van in het leven opgelopen frustraties, van gebrek aan liefde en erkenning, aan veiligheid, aan een stimulerende sociale omgeving. Dat is geen gemakkelijke gedachte, wel een noodzakelijke. Mead wilde met dat proces een begin maken met behulp van haar onderzoek. De volgende keer zal ik wat meer vertellen over wat ze op Samoa ontdekte en hoe de gewoontes daar verschilden van de westerse cultuur waarin ze zelf was opgegroeid.

donderdag 18 december 2014

Zelfbeheersing

Wel, dat was even bikkelen de laatste weken… zozeer zelfs, dat het blog er vorige week bij in is geschoten! Dat gebeurt me niet vaak, maar vorige week lukte het werkelijk niet.
Ik had al mijn aandacht nodig voor een essay dat ik moest schrijven. Zowel bij het op papier zetten als bij het erover nadenken leverde me dat heel wat hoofdbrekens op. Kan het echt zo moeilijk zijn, dat ik er de woorden niet voor kan vinden…? Ja, ik raakte innerlijk in de knoop.

Het essay ging over het boek dat we met het schrijfpracticum hadden gelezen, getiteld ‘Veiled Sentiments’. Het gaat over een bedoeïenengemeenschap, de Awlad ‘Ali, in het noordwesten van Egypte. Deze samenleving is heel specifiek georganiseerd: overerving verloopt via de vaderlijke lijn (patri-lineair) en gehuwde paren wonen op de lokatie van de vader (patri-lokaal). In veel gevallen betekent dat dat vrouwen hun eigen bloedverwanten moeten verlaten bij hun huwelijk, omdat ze vanaf dat moment horen bij de lijn van (de vader van) hun echtgenoot. De organisatiestructuur is zo strikt, dat wanneer een huwelijk spaak loopt en vrouwen weggaan, ze hun kinderen min of meer ‘kwijtraken’, want die behoren aan de lijn van hun eigen vader toe. De vrouw kan dan teruggaan naar haar eigen bloedverwanten, maar dan zal ze haar kinderen niet of nauwelijks meer zien. Dat is een heftige aangelegenheid en dus proberen vrouwen zo veel mogelijk hun huwelijk overeind te houden. Nou is dat op zich natuurlijk een goed idee, maar niet alleen voor vrouwen en ook niet om de reden dat ze anders hun kinderen niet meer mogen zien. Ook hier doemt weer de vraag op in hoeverre bepaalde regels ten dienste staan van het belang van de kinderen of dat ze vooral in het leven zijn geroepen om de belangen van de ouders, of in dit geval van de vaders, te behartigen. Ik vind dat lastige kwesties en al snel in het boek worstelde ik daarmee.

Het werd er met het vorderen van de pagina’s echter niet beter op. Een kernaspect van het boek is dat mannen en vrouwen op hun eigen manier aan hun eerbaarheid kunnen werken. Voor mannen kan dat door zelfbeheersing te ontwikkelen en door zo veel mogelijk autonomie te verwerven en dus te zorgen dat je vrij bent van de overheersing door anderen. Bij elkaar valt dit onder de term ‘agl en het creëert morele superioriteit. Daar voel ik dan al nattigheid, want het kan dan niet anders dan dat er vervolgens ook een groep is die moreel inferieur is (zonder het één kan immers het ander niet bestaan). En ja, dat is ook zo: vrouwen kunnen helaas zo’n staat van ‘agl niet bereiken. Zij zijn moreel inferieur, want het feit dat ze menstrueren en zwanger worden, laat zien dat ze geen zelfbeheersing hebben: “Women’s association with nature is seen as a handicap to their ability to attain the same level of moral worth as men” (p. 124), “Women’s monthly menstruation commemorates the fall into earthly sin” (p. 130) en “Childbirth (…) is considered polluting” (p. 132). Hun lichaam gaat met ze aan de haal en ze kunnen deze twee processen die zo nauw aan de voortplanting zijn verbonden, niet onder controle houden.

Toen had ik het even gehad met het boek. Het onderwerp dat voor mij bijna heilig is en zoveel ontzag en bewondering en respect afdwingt (namelijk het dragen, baren en zogen van een kind)… dat zou een bewijs zijn van gebrek aan zelfbeheersing en dus een rechtvaardiging inhouden voor het moreel inferieur verklaren?! Dat wil er bij mij niet in. Dat druist in tegen alles wat ik de voorbije twintig jaar heb geleerd over hoe een mens gelukkig wordt, wat een minimensje nodig heeft om tot een gebalanceerde volwassene uit te groeien, en hoe belangrijk daarbij de rol van het moederlichaam is als bron van troost en warmte en veiligheid en voeding.
De tranen sprongen me erbij in de ogen: zo wordt er dus gedacht in sommige samenlevingen. Wat betekent dat voor het opgroeien van de kinderen? Wat betekent dat voor het zelfbeeld en de autonomie en de gelijkwaardigheid van vrouwen? De kantlijnen van het boek staan bij bepaalde passages vol met boze bliksemschichten, chagrijnige smiley’s en uitgesproken uitroeptekens.

Maar ja… ik ben antropoloog (in wording) en ik mag daarover geen oordeel hebben. Ik moet, in ieder geval in deze fase, uitsluitend observeren, registreren, analyseren en beschrijven, zorgvuldig beschrijven en me van persoonlijk commentaar onthouden. Wie mij een beetje kent, weet dat dat voor mij als zorgprofessional met activistische trekjes niet meevalt. Bij het voorgaande essay waren er ook al dingen in beeld gekomen waarbij ik een link zag met de fysiologie, met het vroege begin, met de babytijd als oorzaak van latere ellende. Ik heb dat aspect ingevoegd in mijn tekst en… dat kostte punten. Ik moet me op dit moment gewoon echt nog beperken tot de stof en daar een goed samenhangend verhaal over schrijven. Ik voelde me met al mijn boosheid over zoveel gebrek aan respect voor het vrouwelijke dan ook zeer bewust zeer onbekwaam als antropoloog. “Ik wil hier niet over zwijgen! Ik wil er wat over zeggen! Ik vind hier iets van!” Nu is de kern van een studie natuurlijk dat je jezelf een leeropgave geeft. In leerprocessen is het lang niet altijd het verwerven van specifieke kennis wat de meeste moeite kost. Soms loop je vooral aan tegen je eigen houding of overtuigingen of manieren van aanpak. Ik was me daar wel van bewust en dus besloot ik aan mijn eigen ‘agl, mijn eigen zelfbeheersing te werken.

Toen ons in de werkgroep werd gevraagd wat we van het boek vonden, was bijna iedereen lovend over de eerste helft die gelezen moest zijn: “Heel mooi, heel goed geschreven, heel interessant!” “Marianne, hoe ver ben jij en wat vind jij ervan?” Ik had de vraag verwacht en had me thuis voorgenomen dat ik er niets over zou zeggen: “Ik heb het boek uit en ik laat het op me inwerken; ik wil er nog niets over kwijt nu.” De docent kende me inmiddels goed genoeg en was verrast: “Oh? En euh… de schrijfstijl of de strekking?” “Nee, ik zeg er nog even niks over.” “Okay, prima”, zei ze, en ik voelde dat ze me oprecht ruimte liet voor deze keuze, al vermoedde ik ook dat een uitspraak met een stevige mening vermoedelijk minder verrassing had opgeleverd.

De week erna moest iedereen het boek uit hebben en ging de analyse verder. Op een gegeven moment kreeg iedereen bijna op rij de beurt voor input. Ik was de allerlaatste… “En, Marianne, wil je inmiddels wél met ons delen wat je ervan vindt?” zei de docent lachend. Tussen de beide werkgroepen in had ik een reflectieverslag moeten schrijven over waar ik knelpunten zag in mijn schrijfproces. Ik had daarin uitgebreid aandacht besteed aan mijn ongeduld, aan mijn ‘sense of urgency’ over alles wat broodnodig moet veranderen in de wereld en dus in de zorg voor jonge kinderen. De docent had me per mail bedankt voor mijn openhartige reflectie en luisterde in die laatste werkgroep denk ik anders naar wat ik te melden had. Bovendien merkte ik zelf dat ik ook wat anders te melden had! Ik kon nu genuanceerd onder woorden brengen wat ik bedoelde, omdat ik mezelf meer tijd had gegund. Ik begon met me aan te sluiten bij sommige uitspraken van medestudenten (als laatste had ik iedereen kunnen beluisteren). Vervolgens kon ik aangeven dat we weliswaar theoretische kaders aangeleerd krijgen, maar dat ik ook al een theoretisch kader héb en dat ik al die kennis over mijn eigen vakgebied niet zomaar aan de kant kan gooien, dat ik die geïnternaliseerd heb en dat die het fundament vormt van waaruit ik werk met en voor baby’s en moeders, en dat het lastig voor me is als die kaders botsen. Dat leek ze heel goed te begrijpen en dat voelde voor mijzelf ook prettig.

Nu is het afwachten of het is gelukt om ‘binnen de lijntjes te kleuren’, zoals ik het gekscherend noemde in het reflectieverslag, want het cijfer is nog niet binnen. Met mijn themakeuze heb ik geprobeerd toch een beetje zichtbaar te maken van waar mijn pijn zit, maar ik heb me echt tot de thema’s in het boek beperkt. Eén uitstapje heb ik gemaakt, namelijk naar Sarah Blaffer Hrdy (een antropoloog, dus beter verantwoord dan de psycholoog Darcia Narvaez die ik de vorige keer aanhaalde…); zij zegt in haar boek ‘Mothers and Others’: “Primate social organization is famously variable. But ... females who live among kin are better able to defend their interests than those who leave their natal groups to forage and breed among nonkin.” En dan moet ik ook meteen denken aan Robin Grille, die heeft vastgesteld dat hoe patriarchaler een samenleving is, hoe meer er vaak met sancties wordt gewerkt en hoe groter ook de kans dat agressie en gebrek aan empathie een rol spelen. Maar ja, Robin Grille is dan weer geen antropoloog, dus die bewaar ik voor een later essay! :-)

woensdag 10 september 2014

Varkens, koeien, melk en antropologie

Dinsdagmiddag… het college is afgelopen en ik kijk op de klok. Als ik hard fiets, kan ik de trein van 13.12 uur halen in plaats van die van 14.12 uur. Geen tijd, in dat geval, om na te kletsen en ideeën uit te wisselen met medestudenten, maar thuis meer tijd om in alle rust te werken aan de opdrachten voor woensdag en donderdag… Gezien de overstelpende hoeveelheid leesvoer kies ik voor het laatste. Ik pak mijn tas in, loop naar de fietsenkelder en spring op mijn vouwfiets voor een supersnelle rit naar station Amsterdam-Zuid. Vandaar heb ik een rechtstreekse verbinding met Assen en dus tijd om bijna twee uur lang ongestoord te lezen en te werken.

Terwijl ik op mijn snelle karretje door de stad vlieg, laat ik de uitspraken van het college door mijn hoofd gaan. Ik merk dat ik het wel even kan gebruiken, die sprint naar de trein, zodat ik mijn energie de vrije loop kan laten. Ik voel een mate van onrust door wat ik heb gehoord. We zijn als eerstejaars in een week tijd al met heel veel termen en begrippen en theorieën en cultuurvisies overladen en nu het vandaag over voedsel en voedseltaboes ging, kwam het allemaal natuurlijk al heel dicht bij mijn werk als lactatiekundige. Op zulke momenten merk ik hoezeer dat borstvoedingsverhaal na twintig, vijfentwintig jaar een embodied iets is geworden voor me. Het zit in mijn lijf, in mijn leven, in mijn denken en mijn visies. Als er vreemde dingen over worden gezegd, wordt alles in mij wakker en gaat de adrenaline (niet per se de cortisol, trouwens) stromen. Ik wil dan zorgen dat misvattingen geen kans krijgen om in een nieuwe setting wortel te schieten, en zeker niet in, zoals nu, een hele groep jonge academici die de beleidsmakers van de toekomst zijn.
Casu Marzu, verrotte kaas met maden... een Sardinische delicatesse!
Het onderwerp van vandaag was ‘taboes’ en dan specifiek taboes over voedsel. Waarom eten Joden en moslims geen varkens? Waarom eten Hindus geen koeien? Waarom eten niet-Sardiniërs geen wormenkaas? Dat zijn boeiende vragen voor een antropoloog, want ze kunnen vanuit heel veel invalshoeken worden benaderd en inzicht bieden in wat voor een groep belangrijk is.
Een theoretisch instrument dat we al op dag 1 aangereikt kregen, is het ‘Wiel van Cultuur’. Het Wiel bestaat uit drie elementen: gedrag, ideeën en materie. Wanneer je naar een samenleving kijkt, zie je dat deze elementen elkaar in een voortdurende beweging beïnvloeden. Materie in de vorm van bijvoorbeeld internet beïnvloedt ons gedrag. Ons gedrag (surfen op internet) beïnvloedt onze ideeën (we nemen eenvoudig kennis van zaken die ver van ons bed gebeuren) en die ideeën beïnvloeden vervolgens weer ons gedrag (we doen al dan niet mee aan de Ice Bucket Challenge of we zien dat borstvoeding een belangrijke onderdeel is van een duurzame leefstijl) en daarna weer de materie die we ontwikkelen (donatiestructuren, borstvoedingsvoorlichting).

Taboes aangaande voedsel kunnen ook vanuit diverse invalshoeken worden benaderd. Een bepaald idee kan er de bron van zijn, maar het kunnen ook omgevingsomstandigheden zijn (materie) die bepalen dat we iets niet (mogen) eten of juist wel. Zo zal een verbod op vis niet aanslaan onder volkeren op de Noordpool: de omstandigheden laten zo’n taboe niet toe. Taboes blijken daarom vaak aan te sluiten bij wat al gangbaar is; doen ze dat niet, dan vinden ze geen weerklank.
We spraken dus onder andere over het varken en over Indiase koeien. Zodra het begrip ‘melk’ in beeld komt, ben ik alert. Doe een uitspraak als: “Varkens geven geen melk” of “Indiase koeien geven bijna geen melk”… en dan heb je mij helemaal scherp.
Dan denk ik als net begonnen student aan een handvol termen die ik al heb moeten bestuderen:
- etnocentrisme: een andere cultuur beoordelen en wellicht veroordelen op basis van je eigen achtergrond;
- antropocentrisme: zaken benaderen vanuit het idee dat de mens het middelpunt is;
- holisme: alle mogelijke aspecten meenemen in je overwegingen en conclusies.

Ik kon het niet laten; ik zei: “Alle koeien geven melk. Dat is een biologisch feit.”
En ik dacht: “Maar niet alle koeien worden zo opgefokt als die in de veeteelt om een belachelijke hoeveelheid melk te produceren die niet voor hun jongen is bedoeld, maar voor menselijke consumptie. Zeggen dat ze bijna geen melk geven is etnocentrisch, antropocentrisch en non-holistisch.”
Ik drukte me geloof ik niet helder genoeg uit, want mijn opmerking werd als niet relevant voor de discussie terzijde geschoven.
En over dat varken, dat zogenaamd geen melk geeft, dacht ik: “Varkens kunnen we niet voor melk exploiteren, want ze zijn voor de mens niet zo gemakkelijk te melken als diverse andere zoogdieren, maar voor hun jongen geven ze gewoon voldoende melk, net als ieder ander zoogdier, waaronder de mens. Zeggen dat een varken geen melk geeft is etnocentrisch, antropocentrisch en non-holistisch.” (En ja, ik weet dat er pathologische uitzonderingen zijn, maar we gaan even uit van de zoogdiernorm.)

Wat moet ik hier nu mee? Maken deze gedachten mij tot een etnocentrische denker in mijn eigen lactatiekundige niche? Moet ik het laten voor wat het is en doen alsof er niets bijzonders is gezegd? Of is het zinnig dat ik hier donderdag (in de werkgroep over hetzelfde onderwerp) op terugkom en benoem wat ik hierboven beschrijf? Wat zegt het over mij dat ik me hier druk over maak? Waarom heb ik de behoefte om iets wat ik beschouw als een misvatting, recht te zetten? Is het wel echt een misvatting? Of is het gewoon een beetje onhandig geformuleerd? En doet dat ertoe, hoe je formuleert?
Vooroordelen (www.favim.com)
Het vak waarbij dit college hoort, heet ‘Etnografisch Schrijfpracticum’. We gaan hier leren lezen en schrijven. “Ah”, zei mijn man plagerig na de eerste week, “dat is leuk, lezen en schrijven. Je zult zien dat er een wereld voor je opengaat!” We moesten er samen hartelijk om lachen; ik kan immers best al wel aardig lezen en schrijven. Het gaat in dit vak echter om de vaardigheid een cultureel verschijnsel goed te bestuderen, de literatuur aandachtig te lezen en te overwegen en vervolgens alles te combineren en een analyse te maken van hoe de praktijk zich tot de theorie verhoudt. Daarbij is de essentie dat je leert je standpunt overtuigend te onderbouwen en je woorden zorgvuldig te kiezen; je moet zodanig formuleren dat er geen misverstanden ontstaan.
Ik heb dan ook zo'n idee dat, mits professioneel verwoord, een nadere beschouwing over de bovenstaande punten in het kleinere werkgroepverband zeker gepast is. Ik zal dus mijn gedachten nog wat laten gaan over waar voor mij de essentie zit van wat me triggerde. Antropologie, kennis van de mens, begint immers bij kennis over wie je zélf bent, over hoe jouw achtergrond je gemaakt heeft tot wie en hoe je nu bent en denkt!

woensdag 3 september 2014

Levensweg

En daar ging ze, zwaarbepakt met grote koffer en volgepropte rugzak… onze jongste dame, de wijde (studenten)wereld in, voorzien van het cadeau dat ook haar zussen kregen toen ze de deur uit gingen: een briefopener, voorzien van naam en datum van ‘zelfstandigheid’ (als symbool voor het feit dat ze vanaf nu zelf verantwoordelijk is voor haar administratie) en een exemplaar van het levenswerk van Clarissa Pinkola Estés, ‘De ontembare vrouw’ (als symbool voor het feit dat we allemaal in ons leven fases doorlopen die ons een deel van het levensverhaal onthullen en ons de weg wijzen in onze lange tocht door het bestaan).

’s Avonds zaten we getweeën aan tafel, toen mijn man zei: “Dat was het dan? Ik had echt niet gedacht dat het zó snel zou gaan. Ik dacht dat het levenslang zou duren, die lieve kinderen om ons heen.” En natuurlijk blijf je als ouders levenslang betrokken bij wat ze doen, maar die dagelijkse zorg voor ze en hun sprankelende, inspirerende aanwezigheid… die is per kind meestal binnen twintig jaar voorbij. En zelfs als je vier dochters hebt, zijn vijfentwintig jaren verrassend en verbazingwekkend snel om.
We keken elkaar aan en toastten op deze nieuwe fase, op de levenslust waarmee de kinderen hun pad vervolgen en op het feit dat we daarvan nog steeds samen getuige zijn. Dat is niet iedereen gegeven; sommige ouders slagen er niet in hun verbintenis liefdevol en vreedzaam in stand te houden, andere zien hun relatie eindigen door de dood van hun partner. Deze week nog trof ik een vriendin die weduwe werd toen hun dochters 4 en 1 jaar oud waren. Dan krijgt het ouderschap een heel andere kleur en ook de kindertijd ontbeert dan de onbezorgde vreugde van twee blije ouders.

En zoals we allemaal weten, zijn er daarnaast nog heel veel andere factoren die het leven van kinderen zwaar kunnen maken. Twee artikelen van Vakblad Vroeg die ik vorige week las, laten daar iets van zien. Het ene gaat over hulp bij onveilige hechting, het andere over het risico op de ontwikkeling van gewelddadigheid ingeval van verwaarlozing. Dat zijn droevige verhalen, en toch is er voor die tekortschietende zorg in de meeste gevallen een verklaring te vinden die een evenzeer verdrietige geschiedenis van de ouder(s) zichtbaar maakt.

Zoals al vaker besproken: de transgenerationaliteit van de problematiek is het meest trieste van alles. Het risico dat ouders hun eigen pijn, problemen, verdriet en frustratie doorgeven aan hun kinderen, terwijl ze waarschijnlijk vast van plan waren dat niet te doen, blijkt dikwijls prominent aanwezig.
Het lijkt dan ook zaak om met argusogen te kijken naar de manier waarop jonge ouders worden voorzien van adviezen over de zorg voor hun baby en peuter. In dat opzicht valt er nog wel het nodige te verbeteren, want wat ik onlangs in een wachtkamer weer las… het is om wanhopig van te worden. Wéér ging het over de manier waarop ouders grenzen moeten stellen, opdat hun kinderen hen niet de baas worden, hoe ze duidelijk moeten aangeven dat het kind zich erbuiten moet houden als volwassenen in gesprek zijn, de technieken die ze kunnen toepassen om de controle over hun kind te behouden. Is dat dan het doel? Is dat werkelijk waarnaar we streven in de omgang met onze kinderen? Of is het toch wenselijker dat ze een fraaie mate van 'ontembaarheid' behouden?

Onze oudste dochter vertelde vorige week over een training die ze net had gedaan voor een bestuursorgaan. Daarin werd er in de uitleg over hoe relaties functioneren, zo ongeveer voetstoots vanuit gegaan dat er tussen ouders en kinderen een hiërarchische verhouding geldt en dat daar niet de gelijkwaardigheid van kracht is die tussen volwassenen onderling geldt. De ondergeschiktheid van het kind aan de ouders werd als een gegeven gepresenteerd: ouders vertellen kinderen wat ze moeten doen en kinderen ‘luisteren’ daar naar (lees: volgen die instructies op).
Onze dochter had bezwaar gemaakt; zo werkt dat niet per sé, had ze gezegd, en ik ben het met haar eens. Op de vraag ‘Waarom?’ is het antwoord ‘Daarom!’ meestal niet gepast. Als er iemand is die de taak en de verantwoordelijkheid heeft om zich te verantwoorden (door het geven van het goede voorbeeld) en zaken uit te leggen, toe te lichten en nog een keer te verklaren… dan wel ouders richting hun kind.
Dat is geen sinecure, die taak. Ouderschap is dan ook niet voor watjes, zoals een mooi artikel in Kiind toelichtte in februari 2012.

Het is dan ook een bijzonder gevoel dat die opvoedklus nu grotendeels ‘geklaard’ is en dat de tijd zal leren of we ons werk als ouders een beetje behoorlijk hebben gedaan. Vooralsnog lijkt het aardig gelukt, al blijven er ook in deze leeftijdsfase genoeg issues waarover je met elkaar een boom kunt opzetten, waarover je met elkaar stevig in debat kunt om te zien hoe visies en ethische idealen en bezwaren van toepassing zijn op wat er ter tafel komt. De zelfreflectie van het jonge ouderschap verandert door de jaren heen steeds meer in het wederzijds delen van kennis en ervaring en de bespiegelingen die dat losmaakt. Een mooi pleidooi, dus in De Correspondent, om van filosofie een verplicht vak te maken. Het beste begin je dan natuurlijk op de basisschool, als kinderen nog redelijk onbevangen in het leven staan. Zo is de kans het grootst dat ze als student en als volwassene zich niets laten aanpraten en dat ze een ragfijn gevoel ontwikkelen voor rechtvaardigheid en medemenselijkheid.

Er valt immers waanzinnig veel te ervaren in de wereld en hoe vreemder die voor je is, hoe lastiger het is te duiden wat je voor je ogen ziet gebeuren. Onbekend maakt nu eenmaal vaak onbemind. Dan ligt etnocentrisme op de loer: de cultuur en gewoontes van de ander beoordelen (en misschien veroordelen) op basis van je eigen achtergrond, je eigen referentiekader. Dat neemt niet weg dat er, zeker op fysiologisch gebied, ook wel algemene, universele dingen te zeggen zijn. In al dit soort aangelegenheden ben ik sinds afgelopen maandag volledig ondergedompeld met de colleges en werkgroepen van mijn studie Culturele Antropologie & Ontwikkelingssociologie in Amsterdam.
Later meer, over wat dáár allemaal ter tafel komt, nu de tafel in de keuken thuis nogal dunbevolkt is geworden! :-)

woensdag 16 juli 2014

Dochters van de Aarde

Afgelopen weekend las ik het boek uit dat ik leende van mijn buurvrouw. Ze dacht dat het net wat voor mij was, met mijn interesse in vrouwenaangelegenheden en mijn antropologische studieplannen (waarover volgende week meer). Dat was goed gedacht van haar: ik ben in het boek begonnen en heb het geboeid en snel uitgelezen.
De titel is ‘Daughters of the Earth – The Lives and Legends of American Indian Women’, geschreven door Carolyn Niethammer en ik wil graag een heel aantal boeiende citaten met jullie delen.

Het boek is opgedeeld in hoofdstukken die allemaal een deel van het leven van de Indiaanse vrouw beschrijven. Niethammer laat een enorm aantal stammen de revue passeren en zelfs nu ik het boek uit heb, kan ik ze niet allemaal opnoemen. Sommige namen zijn vrij bekend, zoals de Sioux, Pawnee, Navajo, Hopi, Mohawks, Comanche en Apache. Andere had ik nog nooit gehoord, zoals Ojibwa, Mandan, Cheyenne, Pima, Papago, Yurok en Tlingit. En nu ben ik nog lang en lang niet volledig. Ik had echt geen idee, dat er zoveel volkeren waren. Native Americans… dat waren ‘gewoon Indianen’.
Het belangrijkste dat me van deze veelheid aan namen zal bijblijven, is echter dat de blanken een grote culturele verscheidenheid om zeep hebben geholpen toen ze van oost naar west over het Noord-Amerikaanse grondgebied trokken en zich land toe-eigenden dat hen niet toebehoorde.

Helaas zijn er nauwelijks geschreven bronnen beschikbaar over het leven van de Native Americans. Wat er wél beschikbaar is, is gekleurd door de wijze waarop het tot stand is gekomen. Missionarissen en ontdekkingsreizigers keken vooral naar wat mannen deden:
“Modern anthropologists – again, mostly male – have continued this tendency to consider women’s activities as uninteresting and irrelevant in comparison with the heady stuff of male politics and public life.” (p. xiii)

Tsja... is dat op een bepaalde manier niet nog steeds zo? Soms wordt de focus op die aspecten van de samenleving zelfs ‘feminisme’ genoemd, want focus op de van oorsprong vrouwelijke taken als kinderen verzorgen, eten verzamelen en bereiden en een huishouding in alle facetten draaiende houden (cruciale factoren om de overleving te waarborgen en gezond en veilig op te groeien!), worden nog altijd sterk ondergewaardeerd en dientengevolge ook onderbetaald.

Waar mannen van buiten zich wél bemoeiden met vrouwenzaken, liep dat vaak bepaald niet goed af:
“The missionaries, in their zeal to get rid of all heathen ceremonies, destroyed the educational, moral, and ethical system which was integrated into the religious ceremony, with the result that many of the Diegueno women of that era lost their first babies.” (p. 42)

In Hoofdstuk 4, ‘Sharing a Life’, wordt uitgebreid besproken wat een jong meisje te wachten kon staan vanaf haar ‘dating’-avonturen tot aan haar leven als weduwe. Zonder voorbehoedmiddelen en in een sterk op elkaar aangewezen gemeenschap van families was het belangrijk het sociale weefsel intact te houden. Dat vroeg soms om creatieve oplossingen bij zwangerschappen:
 “When an unmarried Huron maiden discovered that she was going to have a baby, her various lovers came to her, each saying that the child was his, and from among them she picked the man she liked best to be her husband.” (p. 68)

In Hoofdstuk 5, ‘Making a Home’, wordt de economische rol van vrouwen toegelicht. Ze moesten net als mannen hard werken, maar spiritualiteit en een gevoel van zingeving waren duidelijk aanwezig:
“The Native American woman could see her daily drudgery transformed into the rhythm of eternity as she gave birth to children, raised them, and helped her daughters in turn give birth and to raise their children.” (p. 105/106)

Het moederschap maakte dat vrouwen ook kennis moesten hebben van het gezond houden van hun kinderen en overige verwanten:
“For example, Cherokee women knew and used more than eight hundred species of plants for food, medicine, and crafts. In fact, it is felt by some experts that agriculture was the invention of women. This theory will never be authenticated by archeological evidence (…).” (p. 107)

De vrouwelijke rol was van grote waarde en werd meestal ook gerespecteerd:
“She not only did all the cooking, cared for the house and children, managed the herds of sheep, butchered the domestic animals, made all the clothing, entertained all the guests, and wove rugs in her spare time, but she also had a voice in all the family affairs. There was no activity that was off limits to the Navajo woman if she was able enough to handle it. Restrictions on achievement were never made on the basis of sex, only on the basis of ability.”(p. 127)

Hoofdstuk 6, ‘Women of Power’, laat zien dat vrouwen zeker invloed hadden, waarschijnlijk meer dan het leek:
“Older women were particularly respected and were consulted in all matters of importance.
In the pueblo societies, men generally ran the governments and controlled the ceremonies, but women had an important place in religion and, owing to their control of the households, they had more say in civil matters than appeared on the surface.”(p. 144)

Eén van die vrouwen met macht was Sacajawea:
“One of the most famous of all early Indian women was Sacajawea, who served as a guide to the Lewis and Clark expedition. Sacajawea was only about twenty years old when she led the explorers all the way from North Dakota to the Pacific, carrying her baby on her back the whole way.” (p. 145)
Shoshone-vrouw Sacajawea in de Lewis-and-Clark-expeditie

Vrouwen werden niet ‘afgeschreven’ na een bepaalde leeftijd, maar kregen dan juist vaak meer aanzien:
“She also gave advice on child care and family living. To fill her moccasins today would require a social worker, a family counselor, a pediatrician, a home extension agent, a business adviser, a minister’s wife, a volunteer, and a favorite aunt. Apache women usually contributed the most in terms of leadership and influence between the ages of forty and sixty, when they were considered to be in their mental prime.” (p. 145)

Er kwamen zelfs belangrijke taken bij:
“Women who practiced medicine were usually middle-aged or older – partly because by this age a woman was no longer busy caring for small children, and partly because older women were free of the taboos associated with menstruation.” (p. 146)

En wat te denken van deze beschrijving van de verschillen in attitude tussen vrouwen en mannen op het medische vlak?
“Ojibwa doctors (…) demanded constant reassurance of their own importance, and anyone who did not express proper deference to these powerful men risked being the victims of sorcery. Women doctors didn’t seem to behave like such prima donnas. Not having been trained as children to feel violent pride or shame, most medicine women just concentrated on their doctoring work and did not give much energy to suspicion or arrogance.”(p. 148)

Toch was de vrijheid voor de persoonlijke expressie beperkt:
“Anybody who was a rabble-rouser, iconoclast, or even too liberal was immediately branded a witch and burned or otherwise killed for her misdeeds. It was a most effective method of putting a quick stop to any revolutionary thoughts.”(p. 163)
Hmm… mij zou wellicht niet zo’n lang leven beschoren zijn…! :-)

In Hoofdstuk 9, ‘Early Sexual Patterns’, komen diverse aspecten van de seksualiteit aan de orde. Dit vond ik interessant:
“Although Native American women were often violated by European traders, trappers, and explorers, white women were seldom raped when taken prisoner by Indians. Apparently the widespread traditions forbidding the sexual assault of ‘foreigners’ extended to white women also.” (p. 227)
Daar kunnen vele oorlogvoerders vandaag de dag een voorbeeld aan nemen!

In Hoofdstuk 10, ‘Religion and Spirituality’ komt een vreselijke gewoonte voor:
“Timucua Indian women, in Florida, were required to undergo a similar rite; it was their custom to offer the firstborn son to the chief of the village.” (p. 239)

Dit vind ik prachtig, over de kracht van de baarmoeder en geboorte en wedergeboorte:
“The Navajos share with some of their Pueblo neighbors the concept of an Earth Mother, a goddess of creation through whose successive womb-worlds human beings emerged from the underworld to the surface of the earth. This goddess is continually self-renewing, an immortal woman.” (p. 246)
De vrouw als schakel in the continu groeiende keten van leven… prachtig!

En tot slot in Hoofdstuk 11, ‘Completion of the Cycle’, las ik dit:
“Life held few surprises for the typical early Native American woman. Surrounded by women at birth, she continued her life in the presence and company of women, sharing with the sisters of her tribe her learning, her working, her own labors of childbirth, and her death. (...) Her days were often full of monotonous repetition, but at least she was spared the modern woman’s painful quest for an identity.” (p. 260)

Over borstvoeding heb ik geloof ik helemaal niets gelezen. Is dat niet apart? Of was dat zo gewoon dat het niet de moeite van het beschrijven waard was? Dat zou mooi zijn en ik acht het niet onwaarschijnlijk.
Ik heb genoten van dit boek. Het laat zien hoe allerlei tradities een oorsprong hebben en in hun eigen maatschappelijke context vaak ook een reden en een functie. Toch zijn er natuurlijk altijd dingen waarvan je hoopt dat ze met meer inzicht toch tot verandering leiden. Je eerste kind offeren om de goden gunstig te stemmen… dat lijkt me niet iets wat we in het kader van het veelgeprezen multiculturalisme willen overnemen. Daarentegen lijkt het me wél heel zinnig wanneer er in de samenleving meer waarde wordt gehecht aan het creëren van een veilige thuisbasis, waarin, hoe je het ook wendt of keert, de vrouwelijke rol enorm belangrijk blijft.

dinsdag 25 februari 2014

Wat is (antropo)logisch?

Jaren geleden, in 2006, woonde ik het Europese lactatiekundigencongres bij in Maastricht. Ik was nog maar net aan de opleiding begonnen en was nog niet zo thuis in die wereld. Ik kende de ‘grote namen’ nog niet en wist niet wat de ‘heikele issues’ waren in mijn toekomstige beroep. Ik genoot van de lezingen, van al het boeiende en interessante wat voorbijkwam, maar het viel allemaal nog niet heel duidelijk op z’n plaats, binnen een kader dat me helder voor ogen stond.
In één van de pauzes maakte ik een babbeltje met een buitenlandse spreker. Hij had wat allergieklachten en zocht een zakdoek. Ik had papieren zakdoekjes in de tas, bood hem er één aan en hij nam het vriendelijk in ontvangst. Zijn zachtmoedige en tegelijkertijd krachtige en overtuigende uitstraling vielen me op.
Pas jaren later realiseerde ik me werkelijk met wie ik had gesproken, ook al kende ik zijn naam al: James McKenna, antropoloog aan de Universiteit van Notre Dame in de Verenigde Staten! Destijds had ik niet kunnen vermoeden dat ik vijf jaar later het door hem geschreven boek ‘Sleeping With Your Baby’ in het Nederlands zou uitbrengen nadat ik samen met hem intensief aan de vertaling had gewerkt. In die vijf jaren heb ik ontdekt hoe prachtig de overlap is tussen antropologie en lactatiekunde.

Ik ben er intussen meer en meer van overtuigd geraakt dat de meeste borstvoedingsproblemen helemaal geen borstvoedingsproblemen zijn, maar antropologische, sociale, culturele en psychologische problemen. Zoiets basaals als het voeden van ons nageslacht… dat zou toch niet zo’n problematische aangelegenheid moeten zijn? Dat zoveel vrouwen er niet in slagen een bevredigende borstvoedingsrelatie tot stand te brengen of in stand te houden, kan gewoon niet de uitslag van een fysiologische loterij zijn; anders had de mensheid toch niet kunnen overleven? Hoe bestaat het, dat we als samenleving zo ver van onze oorsprong zijn afgedreven dat ouders op een consultatiebureau door de ‘zorgverleners’ worden aangemoedigd om het hulpgeroep van hun kind te negeren en zelfs te bestraffen? Dat kunnen we toch geen vooruitgang in onze ontwikkeling meer noemen? We beschikken dan wel over hoogontwikkelde digitale communicatiekanalen en hoogontwikkelde manieren om planeten op lichtjaren afstand te bewonderen, maar hoe zit het met de intermenselijke netwerken met mensen om de hoek en dierbaren in ons huis? Zijn we nog wel ‘human beings’ of zijn we dikwijls vooral ‘human doings’?

Al deze vragen hebben me tot nog veel meer vragen geleid, zoals:
·        - Zijn er specifieke mannen- en vrouwenbezigheden?
·         - Hoe waarderen we als samenleving allerlei verschillende taken?
·         - Wat is de invloed van de invulling van het dagelijks leven op je zelfbeeld?
·         - Wat hebben kinderen op basis van hun blauwdruk nodig en wie kan ze dat het beste bieden?
·         - Op welke manier kan de maatschappij de verschillende leeftijdsfases beter op biologische patronen afstemmen?
·         - Wat is de impact van opvoedmethodes op het karakter van de samenleving?
·         - Hoe sterk is de verbinding tussen lichaam en geest?

Het is maar een greep. Zoals ik onlangs zei: “Toen ik begon in dit vakgebied, leken sommige dingen met borstvoeding te maken te hebben. Inmiddels vraag ik me af wat er eigenlijk niet mee te maken heeft.”

Hongerig naar kennis en naar een antwoord op tenminste een deel van die vragen heb ik me de afgelopen jaren een slag in de rondte gelezen in de meest prachtige boeken op ons brede vakgebied en dat van aangrenzende disciplines. Er is veel waarvoor je me niet hoeft wakker te maken, maar laat me niet los bij een rijkelijk gevulde boekentafel bij een goed congres, want dan kan ik niet zonder iets te kopen weer vertrekken. Nu in de nazomer onze jongste dochter de deur uit gaat na het afronden van het gymnasium, lijkt de tijd dan ook rijp om een lang gekoesterde wens in vervulling te laten gaan: antropologie studeren!

Om alvast wat in de stemming te komen, heb ik afgelopen weekend getracht met een antropologisch oog te kijken naar wat zich allemaal afspeelde op de Negenmaandenbeurs. Vrijdag en zaterdag sprak ik op het Kennisplein in totaal vier keer een half uur over coslapen. Daarvóór en daarna had ik voldoende tijd om op me te laten inwerken wat jonge ouders zoal krijgen voorgeschoteld. Het is overweldigend; mij is het allemaal te veel en te druk en te lawaaierig en te commercieel. Uiteraard doen vooral de enorme stands van de fabrikanten van kunstmatige zuigelingenvoeding mij zeer aan de ogen. “Wat kost dat wel niet allemaal?” vroeg ik mijn collega die er zaterdag ook was, “handen vol geld!” “Nee, hoor”, zei ze met een grijns, “dat is allemaal gratis!” We schudden bedroefd glimlachend ons hoofd; consumenten hebben niet in de gaten dat al die promotie, al dat weggeefmateriaal en al die misinformatie natuurlijk gewoon betaald worden met de prijs van het product dat ze aanschaffen. De promotie ervan was ook op de Negenmaandenbeurs weer in grote letters strijdig met de internationale WHO-code.

Gelukkig was er ook een stand met draagdoeken die heel goed werd bezocht. Gezien de rest van het aanbod is zo’n grote draagdoekenstand bijna een uitzonderlijke gast in het geheel. Ik hoop dat het effect ervan is dat het belang van nabijheid meer vanzelfsprekend wordt onder alle ouders, ook onder hen voor wie het dragen in de sociale omgeving nog niet heel gewoon is.

Van een andere orde is een stand voor ‘Natuurlijke geslachtsbeïnvloeding’, zoals het visitekaartje zegt. Aan de ene kant vraag ik me dan af of de wens daartoe te maken heeft met de steeds grotere behoefte in de westerse samenleving om het leven precies naar wens in te kleuren. Anderzijds is het een gegeven dat er al millennia lang voorkeuren bestaan voor een jongen of een meisje. Daar kunnen economische, sociale of religieuze motieven aan ten grondslag liggen. Toch blijf ik het een moeilijk onderwerp vinden, want brengt niet ieder kind een heel eigen input mee en kunnen we niet gewoon dankbaar zijn voor wat dat specifieke kind toevoegt aan ons bestaan…? Het spreekt voor zich dat als er medische risico’s zijn bij de geboorte van één bepaald geslacht, er een andere lading ligt op dit onderwerp, maar ‘zomaar’…?

En zo’n Negenmaandenbeurs… is dat een geschikte omgeving voor het laten maken van een echo…? Daar was namelijk ook een stand van. En dat je daar dan een dvd van krijgt… of dat je meteen een pakket aanschaft met een tegoed voor nog een aantal echo’s… zodat je precies kunt weten wat je kunt verwachten? Kunnen we echt niet meer wachten en verwachten zonder iets te weten, in vertrouwen op wat komt, in afwachting en verwachting van een geheim dat bij de geboorte zal worden onthuld? Weten we wel zo zeker dat echo’s zo onschadelijk zijn en dat ze een baby in dat veilige holletje niet verstoren? Is het logisch, dat je iets wilt weten als daarvoor de technische mogelijkheid aanwezig is?

En over techniek gesproken… een toedieningsysteem waarbij tussen de fles en de speen een verwarmingselement aanwezig is, zodat je geen magnetron of flessenwarmer nodig hebt… is dat vooruitgang? Of wat vroeger een ‘wipstoeltje’ heette, nu uitgevoerd met instelbare wiebelsterktes zodat je baby van links naar rechts of van voor naar achter wordt geswingd, zonder dat je je met je kind bezig hoeft te houden… (antropo)logisch?

Kortom: er was heel wat waarvan ik me afvraag of alle kindertjes van de toekomst er wel mee gebaat zijn. Ik kijk dan ook uit naar de Ouders Natuurlijk-beurs waar de bezoekers scherp het lezingenprogramma in de gaten houden, hongerig als ze zijn naar deskundige informatie over zaken rondom de geboorte en het opgroeien van hun kroost. Ouders die net voor de ingang hun niet opgerookte sigaret op de grond gooien… die zul je daar vrijwel niet zien en het grote aantal draagdoeken en borstdrinkende hummeltjes is hartverwarmend!