Posts tonen met het label John Bowlby. Alle posts tonen
Posts tonen met het label John Bowlby. Alle posts tonen

dinsdag 13 februari 2018

Nieuwsuur over bedding-in, deel 4: mailwisseling met journalist

Via de onderstaande mailwisseling kunnen jullie een idee krijgen van de totstandkoming van de Nieuwsuur-reportage over bedding-in, gemaakt door Siebe Sietsma. Zijn e-mailgegevens heb ik verwijderd; de inhoud van zijn berichten onderschrijft hij en mag ik gebruiken, zo heeft hij aangegeven. Ik laat graag het oordeel aan jullie zelf!
Hiermee sluit ik deze serie af, al zal het onderwerp ongetwijfeld wel weer eens voorbijkomen!

*****

Van: Siebe Sietsma
Verzonden: zondag 4 februari 2018 11:47
Onderwerp: Fwd: bv

Beste Marianne,

Graag reageer ik op je blog over mijn reportage over bedding in.

Ons vertrekpunt qua toon is de zorg die artsen en kraamverzorgers uitspreken over een toename in samen slapen (nog weer wat anders dan co-slapen).
Onbekendheid met de risico's bij ouders speelt daarbij een rol. Maar ook goed geïnformeerde ouders laten hun kind nog in bed slapen, bijvoorbeeld omdat ze niet willen / het zielig vind dat het huilt. De cijfers uit Engeland zijn enkel de kapstok geweest om naar Nederland te kijken (we trekken daaruit geen andere conclusies dan dat het daar tot discussie leidt).

Artsen en kraamverzorgers hebben een heel helder verhaal, gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek: kinderen liggen het veiligst in de wieg, en alle varianten in bed of aan bed brengen meer gezondheidsrisico's met zich mee.
Niet doen dus. Het feit dat samen slapen óók voordelen heeft, bijvoorbeeld qua hechting, doet daar niets aan af. Dat hebben we voorrang gegeven.

Vriendelijke groeten,

Siebe Sietsma
Nieuwsuur

*****

Verzonden: zondag 4 februari 2018 15:54
Aan: Siebe Sietsma
Onderwerp: Fwd: bv; reactie Marianne

Beste Siebe,

Hartelijk dank voor je bericht! Fijn, dat je de moeite hebt genomen te reageren.
Helaas gaat er in je antwoord hetzelfde mis als in je reportage: veel aannames, geen onderbouwing, een zichtbaar gebrek aan achtergrondkennis en een normatieve conclusie.
Ik heb twijfels over de vraag of jullie je realiseren wat je aanricht onder jonge ouders, door zo te werk te gaan. Je voedt angst en angst is een slechte raadgever.
Het zou hetzelfde zijn als wanneer je tegen jongeren zou zeggen:
'Onbekendheid met de risico's van onbeschermde seks bij jongeren speelt daarbij een rol. Maar ook goed geïnformeerde jongeren nemen nog wel risico's met seks, bijvoorbeeld omdat ze zich seksueel geprikkeld voelen / behoefte hebben aan fysieke liefde. Het veiligst is gewoon om geen seks te hebben, want dat brengt gezondheidsrisico's met zich mee. Niet doen dus. Het feit dat seks ook prettig en gezond kan zijn, doet daar niets aan af.'
Of dit: 'Onbekendheid met de risico's van het vervoeren van een baby in de auto speelt daarbij een rol. Maar ook goed geïnformeerde ouders nemen nog wel risico's met hun baby in de auto, bijvoorbeeld omdat ze ergens naar toe moeten / haast hebben. Het veiligst is gewoon om geen baby's in auto's te vervoeren, want dat brengt gezondheidsrisico's met zich mee. Niet doen dus.
Het feit dat auto's praktisch zijn, doet daar niets aan af.'
Hoe klinkt je dat in de oren...? Is dat de meest effectieve benadering om met seks om te gaan en de veiligheid rondom seks te vergroten, of om het vervoer van baby's in auto's veilig te maken?
Het antwoord moge helder zijn: nee. Beide voorbeelden laten zien wat ook voor bedding-in/bedsharing geldt: het *gebeurt gewoon*, wat wie er ook over zegt, dus licht mensen goed en eerlijk voor, zodat ze weten wat ze kunnen doen om op een zo veilig mogelijke manier met zaken om te gaan.

Het antwoord van de arts en de kraamzorginstelling *klinkt* wel helder, maar is het niet. Het is simplistisch, paternalistisch en tendentieus.
De hele reportage trekt een rookgordijn op dat iedereen het zicht en de adem beneemt. Ik vind dat een blamage voor de publieke omroep en het tast zeer de geloofwaardigheid van een programma als Nieuwsuur aan. De gezondheid en het welzijn van jonge kinderen zijn cruciaal voor hun fundamentele fysiologie en stressregulatie, voor een gezonde psychoneuroimmunologische ontwikkeling.
Het arsenaal aan wetenschappelijk onderbouwde argumenten die vóór coslapen pleiten afdoen met 'gezellig' en 'vinden het zielig' geeft werkelijk geen pas. Het is een treurige manier van framen van juist vaak uitzonderlijk gemotiveerde ouders. Het aspect 'hechting' is niet zomaar een 'modedingetje'; er is waanzinnig veel onderzoek over de impact van onveilige
(angstige-afwerende/vermijdende/gedesoriënteerde) hechting op het latere leven. Ook hierover zijn bibliotheken volgeschreven; voor de basis ervan kun je terecht bij John Bowlby, grondlegger van de hechtingstheorie.
Als je me je adres stuurt, stuur ik je een exemplaar van mijn boekvertaling (stikvol referenties!) van James J. McKenna, mondiale autoriteit op het gebied van coslapen, en dan spreek ik daarna graag een keer met je af.

In dat boek kun je dan ook lezen hoe het zit met de terminologie (die vaak zeer slordig wordt gehanteerd en daardoor zinvolle uitspraken en vergelijkingen onmogelijk maakt):
Cosleeping (in het Nederlands: samen slapen) is een *overkoepelende* term voor alle vormen waarbij een kind op zintuiglijke, armlengte afstand van de ouders slaapt.
Rooming-in: het kind ligt op de kamer van de ouders, in hetzelfde bed, in een eigen bed of in een cosleeper.
Bedding-in of bedsharing: het kind slaapt in het bed van de ouders, op hetzelfde slaapoppervlak.
Cosleeper (het type bedje Alexander Otto): het kind ligt op een eigen slaapoppervlak in een bedje dat naadloos aan het ouderlijk bed vastzit.

Ik hoor graag van je en zal een exemplaar voor je klaarleggen; dat kan dan op de post zodra ik je adres heb!

Met vriendelijke groet,

Marianne Vanderveen-Kolkena IBCLC, BSc
Borstvoedingscentrum Panta Rhei
Lactatiekundige en antropoloog

*****

Van: Siebe Sietsma
Verzonden: zondag 4 februari 2018 17:42
Aan: Info Bvc Panta Rhei
Onderwerp: Re: bv; reactie Marianne

Beste Marianne,

Dank voor het bericht. Ik wil geen eindeloze discussie aangaan, en we kunnen verschillende opvattingen hebben over onze berichtgeving. Maar ik ben het echt met je oneens als je zegt dat wij op basis van aannames berichten.
Wetenschappelijk onderzoek door medici is het uitgangspunt voor onze berichtgeving, en we hebben ons ook gebaseerd op gangbare meest recente adviezen voor ouders van pasgeboren kinderen, zie verder mijn vorige mail.
Dat lijkt me de meest verantwoorde manier, aangezien verkeerde informatie kan leiden tot ernstige ongelukken. Verder heb ik ook al aangegeven dat er inderdaad ook voordelen zijn van samen slapen (bv. hechting). Daar ga je in je reactie aan voorbij.

Dank voor het aanbod van het boek, mag ik het beleefd afslaan?

Vriendelijke groeten,

Siebe Sietsma

*****

Van: info@borstvoedingscentrumpantarhei.nl
Verzonden: zondag 4 februari 2018 18:33
Aan: Siebe Sietsma
Onderwerp: Fwd: bv; reactie Marianne

Beste Siebe,

Dank voor je reactie, die ik tamelijk teleurstellend vind.
Je lijkt niet bereid om wetenschappelijk onderzoek met een volledig andere conclusie tot je te nemen, zelfs niet als het je heel gemakkelijk wordt gemaakt.
Dat is naar mijn idee helemaal geen verantwoorde manier; dat is volstrekte eenzijdigheid.
Ik zou verwachten dat je als journalist nieuwsgierig bent naar hoe het kan dat andere wetenschappers (van mondiale faam) tot een totaal andere conclusie komen.
En áls je dan al conclusies van een arts noteert, dan moet dat uiteraard wel correct gebeuren. Dat heb je op twitter niet gedaan; je citaat c.q. interpretatie was niet juist.
Ik heb gereageerd, maar nog geen antwoord van je gezien.

Wat je zegt, is waar: verkeerde informatie kan leiden tot ernstige ongelukken. Daar hebben jullie nu zelf aan bijgedragen.
Je nóemt de hechting wel (overigens heeft gedrag in lijn met de biologische blauwdruk geen voordelen, maar heeft afwijken daarvan risico's en nadelen, maar dat terzijde), maar je doet die af als ondergeschikt. Daarmee doe je aan heel veel zaken geen recht. Ik heb geprobeerd daarover wat toelichting te geven, maar daar ga je niet op in.
Je gaat ook niet in op de twee analogieën die ik heb gegeven over informatievoorziening en veiligheid en de effecten van paternalistische benaderingen.
Al met al komt je mail op mij als volgt over: 'Ik ben er nu wel klaar mee en ik wil geen andere invalshoek horen of bestuderen, zelfs niet als ik een boek daarover gratis kan krijgen.'
Dat lijkt me strijdig met de NOS-missie die ik in het begin van mijn blog heb genoemd en waaraan jij je, neem ik aan, ook moet conformeren. Desalniettemin maak jij uiteraard zelf de keus of je je in het onderwerp wilt verdiepen (zij het dan dat achteraf natuurlijk te laat is...).

Ik neem aan dat je volledig achter je onderstaande twee mails staat? Het is niet ondenkbaar dat ik de inhoud daarvan zal gebruiken voor een blog.
Het lijkt me wenselijk dat het brede publiek een idee kan krijgen van hoe de NOS te werk gaat en op welke manier zo'n reportage tot stand komt.
Iemand vroeg al naar wat je had gezegd, maar ik gaf aan jou eerst de kans te willen geven je nader in het onderwerp te verdiepen en op mijn mail in te gaan.
Dat laatste heb je nu gedaan en je lijkt de discussie te willen sluiten; klopt dat...? Mocht je nog iets willen toevoegen aan of nuanceren in je reactie, dan hoor ik het graag.
Ik betreur dat je de discussie sluit. Ik zou denken dat de NOS haar taak van eerlijke en gebalanceerde informatievoorziening serieus neemt. Dat heeft ze met deze reportage zeker niet gedaan en ik vind dat eerlijk gezegd een blamage. Met een groot bereik komt ook een grote verantwoordelijkheid.
Dit is wat de website zegt over Nieuwsuur: 'Nieuwsuur wordt gemaakt door de taakomroepen NTR en NOS en brengt onafhankelijk, onpartijdig en ongebonden achtergronden bij het nieuws.'
Deze reportage was niet onpartijdig; er was een vooropgestelde boodschap die men/jij wilde overbrengen, en niet de intentie om beide kanten van de medaille te laten zien, zodat ouders afwegingen kunnen maken.
Ik ga ervan uit (ja, dat is een aanname... correct me if I'm wrong) dat het de bedoeling was om de veiligheid te vergroten; dat gebeurt helaas niet met deze benadering.

Ik hoop dat je nog reageert, maar ik houd er rekening mee dat je daarvan zult afzien.

Met vriendelijke groet,

Marianne

*****

Van: info@borstvoedingscentrumpantarhei.nl
Verzonden: zondag 4 februari 18 23:16
Aan: Siebe Sietsma
Onderwerp: RE: bv; reactie Marianne

Hallo Siebe,

Ik reageer even tussen je tekst met **...

-----Oorspronkelijk bericht-----
Van: Siebe Sietsma
Verzonden: zondag 4 februari 2018 20:13
Aan: Info Bvc Panta Rhei
Onderwerp: Re: bv; reactie Marianne

Hoi Marianne,

De twee analogieën die je gebruikt vind ik niet sterk: bij seks en autorijden is het risico op de dood extreem klein - en ook binnen die context lijkt het me trouwens verstandig alle mogelijke veiligheidsmaatregelen te nemen.

**Zeker, veiligheidsmaatregelen nemen! Dat is precies wat we bepleiten, en wat iets heel anders is dan verbieden! Dat is namelijk wat zorgverleners doen: verbieden, taboeïseren, wegzetten als onverantwoord.

Overigens is het risico bij bedsharing ook heel klein, al kan mevrouw Engelberts niet zeggen hoe klein (of hoe groot), zolang ze niet weet hoeveel ouders hun kind in bed nemen. Zoals ik in mijn blog stel:

'Even simpel: als vijf ouderkoppels hun kind in bed nemen en die vijf kinderen overlijden, is het risico 100%. Als er 500.000 ouderkoppels hun kind in bed nemen en er overlijden vijf, dan spreken we over een risico van 0,001%. Da’s nogal een verschil.'

Mevrouw Engelberts 'denkt' dat het toeneemt, maar ze heeft blijkbaar geen (betrouwbare) cijfers, anders had ze zeker gezegd: 'We weten uit onderzoek dat het toeneemt.'

Als journalist ben ik inderdaad nieuwsgierig. Maar je kunt niet verwachten dat ik bij een onderwerp gemaakt in een dag een boek tot me neem en ook nog evt. van toepassing zijnde wetenschappelijk onderzoek. Daarbij merk ik nog op dat de praktijk in de VS niet zomaar van toepassing is in Nederland: door armoede en slechte behuizing is samen slapen daar vaker een noodgedwongen oplossing. In Nederland is het weer vaker een bewuste keuze.

**Een bewuste keuze verkleint het risico aanmerkelijk, maar juist als er sprake is van noodzaak, is het des te belangrijker om ouders te informeren over hoe ze het veilig kunnen doen, zoals je in landen waar het water vervuild is, extra uitleg moet geven over hoe mensen besmetting met ziektes in dat water kunnen voorkomen. Hoe hoger het risico (waardoor dan ook), hoe *groter* de noodzaak van gedegen informatie.

Wat de mogelijkheden tot voorbereiding betreft: als je het niet verantwoord kunt doen en een 'scaremongering' item is het resultaat... is dat dan hoogstaande journalistiek, of is het 'laag-bij-de-grond'?

Zoals Stevo Akkerman vandaag uitlegde in zijn lezing hier in Assen: er is veel waarvan we kunnen zeggen: 'Het klopt wel, maar het deugt niet.' Het klopt wel dat een goede voorbereiding veel tijd kost, maar dat je die voorbereiding onvoldoende pleegt en dan angst creëert... dat deugt niet. (En helaas is er in je item ook nog veel wat inhoudelijk niet klopt.)

Daarom leun ik op de expertise van bijv. de bijzonder goed ingevoerde dr. Engelberts, zeker als haar opvattingen worden gesteund door andere experts.

**Dr. James McKenna is een nog veel beter ingevoerde expert en zijn opvattingen worden ook door heel veel experts gesteund, op grond van enorm veel onderzoek en stapels publicaties als resultaat.

Zie ook het werk van een andere mondiale grootheid, namelijk dr. Helen Ball en haar vakgroep in Durham (waar een prachtig sleep lab is, waar ik een paar jaar geleden nog was): https://www.isisonline.org.uk/ .

Een filmpje als dit https://www.facebook.com/culturacolectivaplus/videos/2077317248952394/ is een super bondige samenvatting van enorm veel onderzoek van de laatste decennia (waarin ACEs, epigenetica, eigenschappen van de HPA-as en neurologische impact op breinanatomie een grote rol spelen). Dat ouders zoeken naar manieren om hun kind niet te laten huilen (en wat is een betere manier dan de troost van de primaire hechtingsfiguur, zeker als die lacterende borsten heeft), is dus een wetenschappelijk verantwoorde aanpak. Ik kan je papers sturen van zowel McKenna als Ball.

Als je wilt kun je mijn mails gebruiken in je blog of elders. En mocht ik me nog eens verder willen verdiepen in het onderwerp, dan maak ik graag alsnog gebruik van het boek dat je me aanbood.

**Ik wacht het af!

Onderzoeksjournalistiek behelst meer dan even snel een itempje maken, zonder je rekenschap te geven van wat daarvan de consequenties zijn voor degene die je interviewt of degene die je reportage ziet.

Het innerlijk kompas, waarover Stevo vandaag sprak, zou je kunnen doen besluiten om te zeggen: 'Ik weet nog niet genoeg; ik moet me er meer in verdiepen voordat ik dit naar buiten breng.'

Natuurlijk kun je aanvoeren dat je vastzit in het systeem van 'snel, snel, snel', maar dat is nu precies waar Stevo's boek (net als dat van Joris Luyendijk, 'Dit kan niet waar zijn') bezwaar tegen maakt.

Hij stelt dat de systemische structuren de individuele moraal (dat innerlijk kompas) om zeep helpen en sprak in dat kader over de journalistieke plicht om misstanden en onjuiste informatie door te prikken.

Daar heb je een prachtkans laten liggen. Dat is zowel praktisch als ethisch een treurige kwestie, zowel voor de doelgroep van de reportage als voor je eigen beroepsgroep.

Mijn collega's en ik blijven er alles aan doen om ouders eerlijke informatie te geven en we moedigen de 'grassroots approach' in ouderschapskwesties van harte aan.

Ik zal je taggen in de volgende delen van mijn blog, zodat je geïnformeerd blijft.

Vriendelijke groeten,

**En weer terug,



Marianne

Siebe


woensdag 29 oktober 2014

Negorij?

“Wat een negorij hier, zeg! Dat is toch niet te geloven! Het is echt verschrikkelijk! Dat kun je mensen toch niet aandoen? Daar moet wat aan gebeuren!”

Keurig in het pak, met daaronder glimmende schoenen, een ordner onder zijn ene arm en een tas in zijn andere hand, stond deze fulminerende man een meter of wat van mij af. We stonden allebei aan de rand van een paar diepe plassen op een parkeerterrein en je moest een hink-stap-sprong-loopje doen om met droge voeten bij de auto te komen. Er gebeurde van alles in mijn hoofd door het gebruik van het woord ‘negorij’ door deze boze meneer. Wat doet taal met ons en wat roept specifiek woordgebruik bij ons op?
Dit is dus NIET de parkeerplaats, maar een overstroming in Sri Lanka.

Met het woord ‘negorij’ suggereerde deze man een beeld van een totaal onderontwikkeld, armzalig, afgelegen oord waar het slecht toeven is, waar je ontberingen moet lijden, waar de beschaving nog niet is doorgedrongen (en ja… natuurlijk ook… waar negers wonen…). Hij vond dat niet passen bij een stad als Amsterdam en beklaagde zich erover.
Zelf zou ik die parkeerplaats heel anders hebben beschreven. Ik was ik blij dat ik, midden in Amsterdam, voor uren aan een stuk, mijn auto gratis had kunnen parkeren. Ik vond dus ook dat iets van die parkeerplaats niet bij Amsterdam paste… namelijk dat die gratis was!
Via het classificeren van zaken (‘negorij’ of ‘gratis parkeermogelijkheid’) en het bijbehorende taalgebruik kun je dus een totaal verschillend beeld krijgen van alles om je heen.
(Ikzelf was bovendien dankbaar, want ik realiseerde me dat deze plassen als gevolg van flinke regenbuien op een niet verharde ondergrond in geen verhouding stonden tot de regelmatige overstromingen in Bangladesh of tot de enorme verwoesting die in 2004 in Zuidoost-Azië door de tsunami werd aangericht. Ik zei dat ook nog tegen de man, maar hij had er geen boodschap aan…)

Vandaag sprak onze docent onder andere over dit onderwerp, over classificatie. Het begrip houdt in dat we de wereld (dingen, dieren, mensen) indelen in sociale categorieën of types, mede op basis van onze zintuiglijke waarneming. Hoe we dat als samenleving doen, zegt iets over hoe we denken. Daarom wordt er wel gesteld dat classificatie een belangrijk onderdeel is van het kennissysteem van een maatschappij. De indeling verloopt vaak op basis van ‘binaire opposities’ (tegenovergestelde begrippen) en je vangt daarmee een glimp op van de achterliggende denkwerelden. Wanneer iemand iets ‘gezond’ noemt, heeft die persoon daarover een idee en tegenover dat idee staat het begrip ‘ongezond’, waaraan ook van alles wordt gekoppeld. Sommige dingen vallen in de ene, andere in de tegenovergestelde categorie. Als iemand vertelt over het ‘platteland’, zit daar een beeld achter van hoe dat eruit ziet, en vrijwel zeker ook van hoe de ‘stad’ eruit ziet. Het ene wordt wellicht als groen en rustig gezien, het andere als grijs en druk.

Je komt met dit soort tegenstellingen heel gemakkelijk in allerlei ethische categorieën terecht: goed en kwaad, mooi en lelijk, beschermwaardig en vogelvrij, vrijheid en censuur (of vrijheid en oorlog, of vrijheid en gevangenis, of vrijheid en dictatuur, afhankelijk van waar je op focust). Door dingen te classificeren, blijft de wereld overzichtelijk. Als je niet oppast, leidt het natuurlijk ook tot zwart-witdenken (nog een binaire oppositie) en tot hokjesgeest: alles moet ingedeeld, anders hebben we er geen grip op. Dat laatste was het thema van het college van vandaag: machtsstructuren.

Grip op iets houden betekent namelijk ook vaak ‘macht uitoefenen’. In het ouderschap en in opvoedingsdiscussies zien we dat verschijnsel terug in termen als ‘gehoorzaam’ versus ‘ongehoorzaam’, ‘consequent zijn’ versus ‘geen discipline bijbrengen’, ‘je kind laten huilen’ versus ‘je kind totaal verwennen’. Ik durf er wat om te verwedden dat jullie dit lijstje met gemak nog een heel stuk kunnen uitbreiden. Al deze kreten zijn geen kreten op zich; ze leggen een wereld aan visies bloot: visies op kinderen, visies op gezagsverhoudingen, visies op behoeftebevrediging, visies op menszijn, visies op rechtvaardigheid… Voor je het weet, zit je in een diepe filosofische beschouwing! Wie heeft de macht in het ouderschap? Wil je bij het begeleiden van kinderen wel denken in dat soort termen? Wat wil je bereiken met de manier waarop je je kind benadert en met de gezinscultuur die je creëert? Om het in de termen van John Bowlby te zeggen: wat voor ‘inner working models’ stimuleer je in je kind?
En kijk dan ook even naar de rest van deze fraaie overzichtspresentatie.

Het sterkst onderhevig aan beeldvorming zijn immers jonge kinderen. Voor hen is de wereld nog een min of meer ondeelbaar geheel; zij denken nog niet in categorieën en opposities en goed en kwaad. Die periode van ‘heelheid’, van ‘eenheid’, duurt echter maar kort; in een mum van tijd krijgen kinderen alle mogelijke uitersten bijgebracht: vies-schoon, vies-lekker, onder-boven, op-af, binnen-buiten, lief-stout, slim-dom, stoer-watje. Aan de hand van al die categorieën bouwen ze hun beeld van de sociale omgeving op en onze volwassen invloed daarop is immens. Ons taalgebruik, onze woordkeuze geeft kleur aan hun wereld, mede omdat de associaties bij alles wat we zeggen, ook in ons lichaam gaan zitten. Wat we voelen als we ‘vies’ of ‘stout’ of ‘watje’ zeggen, dat leest een kind af aan onze lichaamstaal. Dat betekent dat we met ons lichaam en onze vaak zo achteloos gesproken woorden veel ‘macht’ hebben over onze kinderen. Wanneer we ons daar bewust van zijn, zijn we in een betere positie om te zorgen dat die ‘macht’ niet in misbruik ontaardt. Dan kunnen we zorgen dat die ‘kracht’ een positieve invloed uitoefent en bijdraagt aan een optimistisch en vertrouwensvol wereldbeeld. Dan wordt een gratis parkeerplaats vol plassen een cadeautje in plaats van een drama!

donderdag 21 augustus 2014

De samenleving in kinderschoenen

Het is toch altijd weer een hele overgang om van het vakantieritme in het werkritme te geraken! We kwamen zaterdag aan het einde van de dag thuis, nadat het vliegtuig rond het middaguur de wielen op Schiphol op de landingsbaan zette, maar gevoelsmatig ben ik nog steeds niet helemaal geland.
We waren drie weken lang volledig door de schoonheid van de natuur overweldigd en dat maakt de terugkeer naar het leven alhier ineens groot. Weer een ander, minder intensief bewegingspatroon, het traditionele eetgedrag, hoofd niet meer leeg, maar doende de mailachterstand weg te werken… Je af en toe eens even helemaal losmaken van het gewone en je herbezinnen op je alledaagse ritme is een heilzaam en nuttig proces. Zoals je vanuit het vliegtuig heel anders naar de aarde (of naar de schitterende wolken!) kijkt, zo wordt ook je blik op je vaste routine gewijzigd wanneer je er letterlijk en figuurlijk afstand van neemt. Dan valt een prachtig boek als ‘The Selfish Society’ van Sue Gerhardt in voedzame bodem. Geregeld beveel ik ‘Waarom liefde zo belangrijk is’ aan, eveneens van haar hand, en dit nieuwere boek is zeer zeker ook een aanrader.

De ondertitel is: ‘How we all forgot to love one another and made money instead.’ Ze beschrijft zeer helder hoe de maatschappelijke ontwikkelingen van de laatste eeuwen in de hand hebben gewerkt dat we allemaal minder tijd met onze dierbaren doorbrengen en materiële welvaart een zeer hoge prioriteit heeft gekregen.
Haar stelling is dat het emotionele leven in de vroege fase, de aandacht die we geven aan jonge kinderen, van grote invloed is op hoe de samenleving zich ontwikkelt. De vaardigheid, het geduld en vooral de empathie die nodig zijn om voor een jong kind te zorgen en in haar basale behoefte aan veiligheid en liefde te voorzien, moeten volgens Sue Gerhardt in het politieke en economische denken worden geïntegreerd om tot een reflectieve en meer samenwerkende maatschappij te komen. Ze acht de noodzaak van die ontwikkeling groot, gezien het toenemende individualisme.

Als altijd heb ik het boek weer gelezen met een potlood in de hand en graag deel ik diverse citaten met jullie.
Ook in dit boek verschijnt ‘good old’ John Bowlby weer ten tonele met zijn “powerful and influential attachment theory”: “Bowlby courageously stood up to the entire psychoanalytic profession of his day to insist that a child’s actual early attachment experiences were the key to his or her healthy emotional development. His once controversial thinking is now taken for granted in developmental psychology and in developmental approaches to psychotherapy.” (p. 28)

Ze maakt onderscheid tussen “material abundance” en “emotional abundance” en is van mening dat een gebrek aan overvloed aan emotionele veiligheid leidt tot het zoeken van veiligheid in materiële zaken. “Very often, poor mental health is due to early life experiences that have undermined the sense of self and ability to manage feelings and relationships well.” (p. 32)
Ze beschrijft diverse onderzoeken die de link beschrijven tussen materialistische attitudes en agressie enerzijds en gebrek aan veiligheid anderzijds: “This research has shown that social isolation, emotional deprivation or stress in infancy alters the dopamine pathways, particularly in the ‘social brain’. This can increase impulsive, ‘grabby’ behaviour, and can create a predisposition to addiction.” (p. 35) Da’s allemaal niet niks; het is ook niet zo vergezocht om dan te zeggen dat de vroege kindertijd van invloed is op hoe de samenleving eruit ziet. Dat is dan een kwestie van logische stappen zetten en vertalen wat we als kind ervaren en leren, naar wat we als volwassene doen.

In heel veel opvoedingsondersteuning kom je adviezen tegen die erop zijn gericht het kind zo snel mogelijk onafhankelijk te maken. Sue Gerhardt kijkt met een andere blik: “The belief that we can be fully autonomous is a desperate attempt to deny the fact that we are not in control of our lives, (…). In all (...) phases of life, when we are unable to contribute economically to society, we need sensitive care from other people. This requires a very different ethic from the go-getting entrepreneurial mentality.” (p. 39)

Ze plaatst al deze ontwikkelingen binnen het grotere kader van mondiale problematiek: “At a time when we need to adjust our values and expectations away from a world economy based on growth and the exploitation of fossil fuels towards a world based on greater empathy for others and care for our natural resources, we will need to understand why we behave as we do and what drives us.” (p. 46)

Ik denk dat dit relevante vragen zijn. Wanneer we kijken naar de problematiek die we in de samenleving kennen en die heel divers is, komt ook bij mij altijd weer die vraag op: “Hoe is het zo ver gekomen?” Waarom slaat iemand een ander in elkaar? Waarom wordt er gestolen? Wat is de reden dat managers van publieke instanties zo’n grote greep doen uit de pot die door de burgers wordt gevuld? Waar is je verstand gebleven als je een vrouw verkracht? Hoe komt het dat er alsmaar weer conflicten zijn die op oorlogen en plunderingen uitdraaien? En terug naar heel klein: waaruit komen de vele pestsituaties op scholen voort? Waarom is Jeugdzorg zo’n grote speler geworden in de zorg?

In heel veel gevallen is er sprake van een gevoel van miskenning bij de dader, die zijn of haar frustraties botviert op het (soms willekeurig gekozen) slachtoffer. Vele vormen van discriminatie worden veroorzaakt door een onterechte superioriteitsbeleving, een bewuste of onbewuste vastbeslotenheid om liever te onderdrukken dan onderdrukt te worden. Dat leidt tot de meest schrijnende situaties, die bij de ‘onderdrukte’ of gediscrimineerde veel pijn veroorzaken, maar evenzeer ook agressie en haat kunnen aanwakkeren, en dan is het kringetje rond.
Toch zul je bij nadere beschouwing vaak tot de trieste conclusie moeten komen dat wie als dader wordt aangemerkt, in een vroegere levensfase vaak slachtoffer was.
De incestpleger is vaak slachtoffer van fysieke mishandeling, verwaarlozing of incest geweest.
De agressieve schreeuwer op straat had vaak ouders die commandeerden in plaats van overlegden.
De dief heeft als kind zichzelf of de dierbaren vaak veel ontnomen zien worden.
Is dat een excuus, een reden om de ‘dader’ niet verantwoordelijk te houden voor het aangerichte leed? Nee, niet zonder meer en niet op deze simpele manier.
Wel lijkt het belangrijk om voor ogen te houden dat onze ethische, morele vorming begint in onze babytijd. Ik herhaal nog maar eens de uitspraak van Robin Grille: “The way we treat our children, they will treat the world.” Of om een Nederlands spreekwoord aan te halen: “Wie wind zaait, zal storm oogsten” of “Goed voorbeeld doet goed volgen”.

Over de boodschap die je afgeeft als je kinderen laten huilen, zegt Sue Gerhardt dan ook dit: “[The message is] that their feelings don’t matter and that they must subordinate their will to the more powerful people around them. Taught that comfort cannot be relied upon, and left to manage their distress alone, this can constitute an early but devastating life lesson.” (p. 65)
Ze pleit daarom voor een intense investering van tijd en aandacht in de fase waarin baby’s helemaal van die pre-verbale, fysieke communicatie afhankelijk zijn. Door het voorbeeld te geven van sensitieve aandacht, leer je je baby hoe dit voelt en dit legt voor het kind de basis om dit later ook zelf te doen en zo deel te kunnen nemen aan de complexe sociale wereld waarin we leven. (p. 81)

Gerhardt schrijft ook over de moeilijke omstandigheden waarin ouders soms hun onrust en emotionele spanning niet meer kunnen reguleren en zelfs tot slaan kunnen overgaan. (Recent was hierover nog weer enige publiciteit naar aanleiding van een artikel in Medisch Contact en de reacties daarop, zoals deze en deze en deze en als laatste deze, van Gabriëlle Jurriaans.) Ouders kunnen zich door de druk van de dagelijkse drukte hulpeloos of vernederd voelen: “At these moments, parents sometimes just want their child to feel as helpless and humiliated as they do. When the parent’s own self-regulation collapses, it can become impossible to hold on to empathy for the child’s experience.” (p. 111)

Empathie is door het hele boek heen het kernwoord om de sociale problematiek op de meest uiteenlopende levels te duiden. Sue Gerhardt trekt het met nadruk ook door naar de politiek en de invloed van gebrek aan empathie op het morele bewustzijn en het bijbehorende handelen op dat beleidsmatige niveau.
Het boek bevat een indrukwekkend aantal referenties waarin we bekende namen tegenkomen: Meredith Small, Ed Tronick (still face-experiment), Winnicott (‘no such thing as a baby, always a baby and someone’), Lloyd de Mause (psycho-historicus en sociaal denker), Jaak Panksepp (neuroscience), Allan Schore (neuroscience, hersenontwikkeling) en vele anderen, bekend en onbekend.

Ik kan dit boek van harte aanbevelen aan wie is geïnteresseerd in de samenhang tussen de vroege kinderontwikkeling en de ontwikkeling van de samenleving. Mocht je het willen lenen… je weet me te vinden! :-)

zaterdag 21 december 2013

Huilbabygate... het vervolg

Op Kiind.nl verscheen in oktober 2013 een artikel van de hand van Gabriëlle Jurriaans over de richtlijn aangaande excessief huilen bij baby's. Op het artikel kwamen reacties, onder andere van twee zorgverleners. Zij stelden dat de richtlijn is gebaseerd op kennis. Deze stelling is strijdig met de wetenschappelijke realiteit van vandaag. Wij (Marianne Vanderveen-Kolkena IBCLC (destijds lid van de klankbordgroep voor de richtlijn) en Linda Rikkers) hebben daarom gemeend dat extra informatie op zijn plaats is over de schadelijke effecten van diverse aspecten van de aanpak zoals beschreven in de richtlijn. Margreet de Ruijter stelt in haar reactie dat gekeken wordt naar de specifieke wensen van ouders. Ouders worden aan de hand van de richtlijn echter onvolledig geïnformeerd; dan kan van een vrije of geïnformeerde keuze geen sprake zijn. Sterker nog, veel te vaak voelen goed geïnformeerde ouders zich gepusht om hun kind niet-responsief te benaderen. Het oorspronkelijke Kiind-artikel is hier te lezen.

Een ingekorte versie van onze reactie staat op de Kiind-website; hieronder volgt onze uitgebreidere argumentatie. De referenties bevatten ook boektitels, voor wie verder wil lezen.


In 1947, zo'n 65 jaar geleden, zei de Britse psycho-analist Donald Woods Winnicott (1896-1971): "There is no such thing as a baby, there is always a baby and someone." (1) Recent onderzoek op het gebied van epigenetica laat zien hoe juist dit vroeg geformuleerde standpunt is. Hoe een kind zich ontwikkelt, hoe haar brein groeit, hoe haar stressregulatie wordt afgestemd, hoe haar karakter tot uiting komt… het hangt allemaal af van de omgevingsinvloeden en hoe die inwerken op het aanwezige genetische materiaal. Richard Bowlby, zoon van John Bowlby (de grondlegger van de hechtingstheorie), gaf tijdens het jaarlijkse congres van de LCGB in Winchester in april 2009 antwoord op de vraag of we in het kader van ontwikkeling moeten denken aan ‘nature’ of aan ‘nurture’. Hij vatte het zo samen: “It’s a matter of nurturing nature.”

Om de natuur, de aanleg, van het kind te voeden en optimaal tot ontwikkeling te brengen, heeft de pasgeboren baby vrijwel constante nabijheid nodig. In lichaamscontact met een volwassene komen baby's tot rust. Dit paradigma, deze coherent samenhangende zienswijze op de zorg voor het nageslacht is gebaseerd op de huidige kennis rond de biologie van de mensenbaby. Hoogwaardig onderzoek op het gebied van hechting, hersenontwikkeling en gezondheid op de lange termijn onderstreept het belang van responsieve kindzorg. (2) De behoefte aan veel lichaamscontact (3) en veelvuldige voedingen (4) zien we terug bij alle draagzoogdieren.

Vanuit de antropologische visie zegt Sarah Blaffer Hrdy in haar boek ‘Mothers and Others’ (in het Nederlands vertaald als ‘Een kind heeft vele moeders’) het volgende over sensitieve zorg: “but regardless of language or custom, the message conveyed by such administrations is equivalent: you are cared for and will continue to be. Love is a message that all babies are all too eager to receive, and small wonder. How secure an infant feels depends on how responsive the mother is to his physical and emotional needs.” Ze houdt een warm pleidooi voor afschaffing van het behaviorisme, dat zo sterk is gericht op het ‘africhten’ van het kind en het bewerkstelligen van gedrag dat de verzorgers past.

Ook Sue Gerhardt schrijft over de gevolgen van gescheiden zijn van het moederlichaam in haar boek ‘Why Love Matters’ (in het Nederlands vertaald als ‘Waarom liefde zo belangrijk is’): “Probably the most stressful experience of all for a baby or toddler is to be separated from his or her mother or caregiver, the person who is supposed to keep him or her alive. Early separation from the mother increases corticotropinreleasing factor (CRF) in the amygdala. This is thougt, by some, to be the biochemical of fear, suggesting that even short separations from the source of food and protection are very frightening for any breastfed young mammals, including humans.”

Er is, kortom, brede consensus over het idee dat baby’s in essentie allemaal gevoelig zijn voor prikkels en dat die prikkels voorwaarde zijn voor een kind om te groeien. Belangrijk is echter dat een baby de júiste prikkels ontvangt, namelijk die van menselijke interactie. Het volwassen lichaam biedt met de geruststellende aanwezigheid rust en ontspanning en ouderlijke sensitiviteit zorgt voor het bevredigen van de biologische behoeften van een kind.

Dat is een heel ander uitgangspunt dan wat we in de richtlijn vinden; daar is de essentie dat een kind pas tot rust komt en goed kan slapen als het alleen is en aan een strakke structuur blootstaat. Dit idee is strijdig met alle recente wetenschappelijke inzichten; de stelling dat de richtlijn is gebaseerd op de laatste wetenschappelijke stand van zaken is dan ook onjuist. Alleen zijn geeft geen rust; het is juist een enorme stressfactor voor een baby of jong kind. Er is enorm veel onderzoek dat zicht biedt op de behoeften van jonge kinderen en dat in de richtlijn niet is terug te vinden. Uit de hoofdtekst van de richtlijn is de kookwekker weliswaar verdwenen, maar met de verwijzing in Bijlage 4 naar het boekje van Ria Blom (versie 2011), waarin de kookwekker nog steeds wordt genoemd, is deze vorm van negeren van het hulpgeroep van de baby nog steeds een integraal onderdeel van de richtlijn. De adviezen om het huilen te negeren, zijn apert strijdig met sensitief ouderschap. Negeren van onder de term 'love withdrawal' en wordt door onderzoekers als mishandeling betiteld. (5)

Het grootste doel van de richtlijn lijkt te zijn: het huilen doen stoppen. Er zijn methodes (inbakeren en laten huilen) die daarvoor redelijk effectief kunnen zijn, in ieder geval voor de korte termijn. Of een bepaalde aanpak ook op de langer termijn en in brede zin effectief is, hangt af van wat je met een kind tot stand wilt brengen. Kijk je vanuit het behaviorisme, de studie van het gedrag, en ben je gefocust op het bijsturen en beheersen van het gedrag van een kind, dan kun je bepaalde strategieën succesvol noemen. Daarmee ga je echter voorbij aan wat het emotioneel en fysiologisch voor een kind betekent om niet gehoord en verzorgd, maar alleen gelaten en genegeerd te worden. Dit veroorzaak schade, waarvan de omvang de laatste jaren steeds duidelijker wordt. (6) Overigens betreft het hier deel ook zeer basale kennis die al decennialang bekend is. (7). Dat dissociatie en ‘freezing’ voor rust worden aangezien en voor effectief resultaat van de aanpak, is dan ook verontrustend.


En natuurlijk is het jonge ouderschap een indrukwekkende taak. De (verdrietige) ironie is, dat ouders zélf moeite kunnen hebben met stressregulatie doordat zij als baby zijn blootgesteld aan stress omdat hun behoeften niet (voldoende) werden bevredigd. Daardoor zijn ze zichzelf kwijtgereaakt en dat bemoeilijkt het responsief reageren op de signalen van hun baby. Het koesteren van de baby's van nu is pas werkelijke preventie. Door hun huilen, hun 'separation distress call', te beantwoorden, kunnen ouders eraan bijdragen dat hun kinderen opgroeien tot stabiele volwassenen die te zijner tijd hun eigen kinderen sensitief kunnen benaderen. (8) (9)

Dat de nabijheid van de primaire verzorgers, meestal de moeder en vader, van onbetwistbaar belang is, is geen mening meer. Het is kennis waar ouders recht op hebben en het is kennis die in de richtlijn pijnlijk ontbreekt. Dat ouders kennis over normaal babygedrag wordt onthouden, maakt het voor hen vrijwel onmogelijk om op basis van de in de richtlijn aangereikte (en door andere zorgverleners doorgegeven) informatie een weloverwogen keuze te maken over hoe ze met het huilen van hun kind kunnen omgaan.

Er zijn daarentegen ook veel ouders die zich goed voelen met de keuzes die ze maken. Zij krijgen helaas geregeld ongevraagd advies over (het omgaan met) het huilen van hun kind.
De gedachte dat het belangrijk is te onderzoeken wat het beste past bij de ouders, willen we graag vervangen door een andere. Wij pleiten voor een aanpak die past bij de behoeften van het kind. Het is belangrijk dat ouders zich zo goed mogelijk aanpassen aan die primaire behoeften van hun pasgeboren baby. Ook professionals moeten hun werkwijzen afstemmen op wat er bekend is over wat baby’s nodig hebben om een stabiele persoonlijkheid te ontwikkelen. Het eerste levensjaar legt de basis voor de toekomst en investeren in een stevige basis is van groot belang. Huilen is in dit licht geen 'probleem' dat zo snel mogelijk uitgedoofd moet worden, maar een poging van de baby om duidelijk te maken wat zij nodig heeft: een uitnodiging tot contact, een vraag om liefde en nabijheid.

Linda Rikkers is Vaktherapeut Beeldend en schrijver over sensitief ouderschap.

Marianne heeft vanaf 2008 als lid van de klankbordgroep feedback gegeven op de vele conceptversies van de richtlijn. De notitie die zij samen met Stephanie Sanders heeft geschreven, was één van de redenen dat het multidisciplinaire richtlijnontwikkelingsproces in gang is gezet. Je vindt die notitie hier. De publieksversie van dit document lees je hier. Marianne heeft van 11 september tot en met 4 december 2013 over de richtlijn geblogd. Ze heeft daarbij uitgebreid uit de meer dan 120 pagina’s van de richtlijn geciteerd. Geïnteresseerden kunnen kennis nemen van deze analyses via www.borstvoedingscentrumpantarhei.blogspot.nl .

Dit blog is ook te vinden op het blog van Linda.




[1]Winnicott, Donald. (1964) Further thoughts on babies as persons. In his The child, the family, and the outside world (pp. 85-92). Harmondsworth, England: Penguin Books. (Original work published 1947)
[3] Evolution, Early Experience and Human Development, Darcia Narvaez et al, p. 427-452 (Prescott, McKenna, Gettler)
[5]https://openaccess.leidenuniv.nl/bitstream/handle/1887/18245/huffmeijer_tekst%20proefschrift.pdf?sequence=2 (zie vooral pagina 87 en verder, samenvatting van het onderzoek in het Nederlands)
[7] A Secure Base, John Bowlby, 1988
[8] Evolution, Early Experience and Human Development, Darcia Narvaez et al, 2013, p. 31-67 (Schore)
[9] The Hormone of Closeness, Kerstin Uvnäs Moberg, 2009/2013

woensdag 19 juni 2013

Boekenjunkie

Vorig jaar in september, na afloop van het SBO-congres in Ede, vroeg ik aan Nils Bergman, die uitgebreid over neuroscience en hersenontwikkeling had verteld: “Is het een goed idee om werk van Allan Schore aan te schaffen?” Allan Schore is wereldwijd één van de grote namen op het gebied van de neuropsychologie, een vakgebied dat allerlei andere disciplines krachtig beïnvloedt, maar deels ook de eigen wortels in die vakgebieden vindt. (En lees vooral ook door op zijn eigen website, waarheen je onderaan de Wiki-pagina een link vindt. Je leest hier en hier over de risico’s die hij ziet aan de heel vroege kinderopvang.)

Gezien alles wat Nils Bergman aanreikt in zijn presentaties over de aanleg van het brein in de vroege levensfase, leek het me zinvol een stap dieper te gaan en Schore te lezen. “Doe maar niet”, zei Nils, “want dat is zó moeilijk lezen; daar kom je niet doorheen.” Dat was een onverwachte reactie, maar wel een die ik serieus nam, zeker ook omdat hij gelukkig wel een andere suggestie had. “Lees liever ‘Affective Neuroscience’ van Jaak Panksepp”, was de tip van Nils; “dat is deels een samenvatting van het werk van Schore en deels eigen werk van Panksepp.” Boekenjunkie als ik ben, altijd in voor goede leesideeën, ging ik op zoek naar het boek. Dat soort lijvige, ‘groundbreaking’ boeken zijn altijd duur, maar ik vond een tweedehands exemplaar en begon er gretig in te lezen. Poeh… als dit prettig leesbaar was in vergelijking met Allan Schore, dan kon ik niet anders dan Nils gelijk geven, want ‘Affective Neuroscience’, over de neurologische mechanismes achter emotie, was ook nog een hele kluif. Tijdens een twee uur durende treinreis kwam ik maar tien bladzijden verder; razend boeiende, maar ook razend ingewikkelde materie behandelt het boek. Ik legde het op de stapel ‘nog te lezen’; misschien moest ik eerst nog andere dingen beter begrijpen.


Ik pakte dus iets anders en de afgelopen weken heb ik drie titels gelezen die ik kocht tijdens het congres dat ik in april in Manchester bezocht: ‘The Red Tent’ (Anita Diamant), ‘The Hormone of Closeness (Kerstin Unväs Moberg) en ‘Birth and Sex’ (Sheila Kitzinger). Als de andere twee die ik daar kocht (‘Childbirth in the Age of Plastics’ van Michel Odent en ‘Childbirth Without Fear’ van Grantly Dick-Read) net zulke page-turners zijn, dan heb ik nog heel wat moois tegoed. Het is ongelooflijk inspirerend en ongelooflijk knap, wat al deze mensen op hun eigen vakgebied hebben gedaan om onze ontwikkeling als mens te beschrijven en te plaatsen in een neurobiologische en psychosociale context. Het is waarachtig niet niks, wat die vroege fase betekent voor de rest van ons leven.

Dat maakt dat je sommige ontwikkelingen met grote zorgen gadeslaat. Er zijn twee gewaardeerde collega’s met wie ik geregeld over deze materie van gedachten wissel: Gabriëlle Jurriaans en Linda Rikkers. De afgelopen dagen hebben we veel gesproken over de methode van Harvey Karp, ‘The Happiest Baby on the Block’. We keken alle drie met afgrijzen naar dit filmpje.

Daarin zie je naar ons idee overduidelijk een baby die, zoals Nils Bergman en Allan Schore zouden beschrijven, in een staat van ‘freezing’ is: doen alsof je dood bent, niet meer bewegen, niet meer communiceren, opdat je het gevaar kunt afwenden. Dit wordt ook wel dissociatie genoemd, je onttrekken aan de ondraaglijke realiteit. Wanneer een kind dit regelmatig moet doen, heeft dat een heftige, negatieve invloed op de hersenontwikkeling en de sociale vaardigheden.

Tijdens ons gesprek erover kwam Linda met een boekenwens die zij nog had: ‘Evolution, Early Experience and Human Development’, geschreven door vele grote namen, waaronder… Darcia Narvaez, Jaak Panksepp en Allan Schore! Dat was wel een heel mooi stel namen! Ik kon me niet bedwingen en ging op zoek. Het duurde niet lang voor ik het had gevonden en al de volgende dag arriveerde het per post. Wat een traktatie, zoveel experts in één boek bij elkaar, met zulke indrukwekkende uitspraken op basis van zoveel onderzoek! Ik lees dit soort boeken altijd met een potlood in de hand om aan te strepen wat ik belangrijk vind en… ik kan wel aan de gang blijven! Deze paragraaf, al aan het begin van het eerste hoofdstuk, bezorgde me kippenvel: "The evidence across animal, human psychological, neurobiological, and anthropological research is increasing and converging to demonstrate lifetime vulnerability of brain and body systems among those with poor early care. Even when medicines are available to alleviate symptoms of dysfunction, the underlying suboptimal structures remain. This problem may be particularly true for emotional and moral functioning."
Dan volgt een indrukwekkend rijtje problemen die kunnen voortvloeien uit die levenslange kwetsbaarheid: ADHD, autisme, angst, depressie, diabetes, hypertensie, obesitas en diverse auto-immuunziektes.

Wat ik in dit alles evenzeer indrukwekkend vind, is de mate waarin de hechtingstheorie van John Bowlby nog steeds als fundament onder al dit werk ligt. Natuurlijk is erop doorgebouwd, maar een bouwsel zonder krachtige basis… dat stort in. En dat doet het huis van de veilige hechting niet. Het staat, na al die jaren, nog fier overeind en Allan Schore geeft Bowlby de eer die hem toekomt, bijvoorbeeld in dit artikel. Ook dat toont aan dat je een echte kei in je vak bent: weten waar je vandaan komt, erkennen dat je veel te danken hebt aan je voorgangers en vaststellen dat jouw prestaties een onderdeel vormen van een zich telkens verder uitbreidend inzicht in de menselijke ontwikkeling. Ik kan tot tranen geroerd raken door dat soort mensen, die van een onderwerp niet alleen hun passie, maar een levenslange carrière hebben gemaakt, mensen die je in één adem associeert met het onderwerp waarvoor ze steeds opnieuw hun nek uitsteken, ook als dat niet altijd even goed valt in de sociale omgeving en het heersende tijdsgewricht.

Bij zulke toppers voel ik mij weliswaar heel klein worden, als een kind dat aan het begin staat, maar niet onveilig of onzeker. Ik voel me, al lezend, aan de hand genomen door de onderzoekers, die mij niet commanderen, mijn denkruimte niet inperken (inbakeren…), en mij niet volstoppen met woorden waarvoor ik me moet afsluiten (dissociatie...), maar die mij wijzen op alles wat zij om zich heen waarnemen. Als wakkere, wijze, oplettende ouders reiken ze me dingen aan waarmee ik mijn gedachten kan vormen en waarmee ik kan leren hoe de wereld in elkaar zit. En weet je wat… dat is een heerlijke wandeling, wanneer je die met redelijk ontbloot lijf, vitamine D tankend op een stretcher in de zomerzon, kunt afleggen!