Posts tonen met het label hechting. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hechting. Alle posts tonen

zaterdag 12 juni 2021

'Veilig slapen met je baby' - het nieuwe boek van James McKenna

Toen ik gisteren, vrijdagavond, rond 20.30 uur thuiskwam, zag ik dat ik een bezorger had gemist. Gelukkig weten die rondom ons huis een aantal plekken waar ze dingen kunnen achterlaten en zo haalde ik een pakketje tevoorschijn waarvan het adreslabel de afzender verraadde… Uitgeverij Samsara! Het boek! Na de digitale versie was nu de echte, mooie papieren editie van mijn vertaling van James McKenna’s ‘Safe Infant Sleep’ aangekomen! Ik griste een mesje uit de keukenlade en sneed het plakband door dat stevig om het karton heen zat: ‘Veilig slapen met je baby – Deskundige antwoorden op al je vragen over coslapen’! Twee exemplaren met glanzende rode letters keken me aan. Dit was het fraaie eindresultaat van weer een fascinerend vertaalproces. Wat een mirakel is dat toch altijd, beginnen aan een creatieve reis, zonder al precies te weten waar je uitkomt, maar er zeker van te zijn dat je inspanning de moeite waard is omdat je van het onderwerp houdt, omdat je op een positieve impact vertrouwt voor de doelgroep, en omdat je diep ontzag en warme waardering hebt voor degene die zijn levenslange carrière heeft gewijd aan onderzoek voor precies die doelgroep: baby’s en jonge kinderen en hun ouders, die aan het begin staan van hun leven samen.

 

James McKenna heeft met dit boek alles bij elkaar willen brengen wat hij gedurende zijn werkzame leven als onderzoeker heeft verzameld over coslapen, bedsharing, borstvoeding en breastsleeping. Dat is niet niks, zeker als je bedenkt dat hij jarenlang een geluid liet horen waar velen liever niet naar luisterden, waartegen ze zich soms zelfs met hand en tand verzetten. McKenna had hier heel persoonlijk mee te maken: ‘Men was niet langer geïnteresseerd in mijn onderzoek of in de perspectieven van wie dan ook die tegengas gaf aan hun [AAP’s] gezichtspunt’ (p. 79). Hij liet zich echter niet weerhouden van het doen van gedegen onderzoek en van het bepleiten van zijn visie. Daarbij bleef het onderwerp controversieel. De negatieve oordelen over samen slapen gingen soms zelfs zo ver dat ouders voor de rechter werden gedaagd omdat ze schuldig werden geacht aan de dood van hun kind. Het is pijnlijk om te lezen dat er dan een getuigenis van een uitzonderlijk goed onderlegde wetenschapper aan te pas moet komen om ouders vrij te pleiten.

Toch laten deze verhalen vooral ook zien hoe moedig James McKenna met zijn onderwerp is omgegaan. Ze tonen het diepe vertrouwen dat hij heeft in de evolutionaire erfenis, in de kracht van de ouder-kindrelatie en in de vaardigheid van ouders om te begrijpen hoe ze voor hun kind een veilige slaapomgeving kunnen organiseren. Door uit te leggen wat een baby of jong kind nodig heeft, kunnen ouders leren de signalen van hun kind te herkennen en goed te duiden. Ze ervaren daardoor hoe waardevol hun aanwezigheid is voor hun baby. Wanneer ze weten hoe onrijp hun kind is bij de geboorte, dan is het eenvoudiger om de intense behoefte aan contact te snappen. Wanneer ouders weten hoe afhankelijk hun kind is van ouderlijke zorg, dan is het logisch dat hun baby pas tot rust komt als dat warme moederlijf weer dichtbij is. Met zoveel meer inzicht in wat een baby werkelijk nodig heeft, kun je als ouders het bieden van nabijheid zien voor wat het is: een investering voor de toekomst, een fundament onder de levenslange gezondheid, de basis voor krachtige hersenontwikkeling en stressregulatie. Het verlangen van het kind naar de ouder(s) verdwijnt immers niet op het moment dat de westerse visie op kinderbedtijd voorschrijft dat er geslapen moet worden.

Dat is dan ook precies waarop McKenna door het hele boek heen hamert: mensen zijn ‘wired for connection’ – ze zijn prosociaal, actief op zoek naar verbinding met anderen. Als we ons realiseren hoe diep de menselijke behoefte is aan betekenisvol contact met dierbare anderen, zowel lichamelijk als emotioneel en sociaal, dan kunnen we voorspellen dat een samenslaapverbod niet werkt. Die behoefte aan verbinding is ook waarom een seksverbod voor pubers niet werkt: de aangeboren drang naar intiem contact met een ander mens is daarvoor te groot en dus leggen we uit hoe het veilig kan. Nabijheid en contact zijn de biologische norm voor de mens; zo hebben we ons door de millennia heen ontwikkeld. Dat is dan ook de reden dat ik, met toestemming, het boek zó heb vertaald dat borstvoeding en samen slapen ook taalkundig de norm zijn. Borstvoeding is niet beter; geen borstvoeding is minder goed. Bedsharing heeft geen voordelen, maar gunstige eigenschappen. En breastsleeping zorgt niet voor minder stress, maar voor een gezonde stressregulatie.


 

Ik hoop oprecht dat het boek een gesprek tussen ouders onderling en tussen ouders en zorgverleners op gang kan helpen brengen. McKenna moedigt ouders aan om dapper te zijn en het gesprek erover niet uit de weg te gaan en niet te liegen over de slaapgewoontes in hun gezin: ‘Als het niet lukt je zorgverlener nieuwe informatie aan te reiken, breng je met openheid in ieder geval het gesprek op gang’ (p. 61). ‘Misschien moet je een korte preek aanhoren van je zorgverlener, maar door erover te vertellen kun je helpen breastsleeping normaal te maken voor jezelf en andere ouders die ook graag op die manier willen slapen met hun kind’, zo luidt zijn advies (idem). Ook zorgverleners steekt hij een hart onder de riem: ‘Hun baan zou niet in gevaar moeten komen als ze precies datgene doen waarvoor ze zijn opgeleid: moeders en baby’s veiligheid bieden via het ondersteunen van borstvoeding en veilige manieren van slapen’ (p. 81). Hij eindigt met een ferme stellingname: ‘Vooral artsen moeten weten hoe belangrijk het voor je is en hoe gewoon en veelvoorkomend breastsleeping werkelijk is. Het is niet langer aanvaardbaar dat je je stilhoudt, terwijl individuen die niets weten over jouw gezin nog steeds een eenzijdige, negatieve, ‘gezaghebbende’ visie verkondigen. Die visie botst namelijk volledig met de inzichten van andere onderzoekers en met het vertrouwen dat zij in ouders hebben. Bovendien laat zo’n visie heel veel ouders in de steek. Dat is ongepast, want ouders hebben waardevolle kennis over de unieke behoeften van hun eigen kind; zij weten hoe ze daaraan het beste kunnen beantwoorden. Geniet van je baby. Vier de liefde die jullie als gezinsleden met elkaar delen; het is een voorrecht die liefde samen te mogen ervaren. En bovenal: voel je op je gemak met de wetenschap dat jij altijd het beste in staat zult zijn om te beoordelen wat wel of niet goed is voor jullie allemaal’ (p. 226).

Rest mij tot slot niet veel meer dan een oprecht ‘dankjewel’ uit te spreken richting de vier prachtige professionals die vanuit hun eigen achtergrond een mooi Nederlands tintje aan het boek hebben gegeven en gezamenlijk het eerste en het laatste woord hebben: Roseriet Beijers PhD (universitair docent en onderzoekerRadboud Universiteit), Elke Slagt-Tichelman PhD (verloskundige en docent aan de Verloskundige Academie Amsterdam-Groningen), drs. Marilene de Zeeuw (klinisch psycholoog/psychotherapeut en IMH-specialist) en ir. Rachel Verweij (hechtingscoach, draagconsulent en wetenschapsjournalist). Dank, lieve vrouwen; jullie weten als professional én als moeder hoe cruciaal die eerste jaren van onze kleintjes zijn!

dinsdag 13 februari 2018

Nieuwsuur over bedding-in, deel 4: mailwisseling met journalist

Via de onderstaande mailwisseling kunnen jullie een idee krijgen van de totstandkoming van de Nieuwsuur-reportage over bedding-in, gemaakt door Siebe Sietsma. Zijn e-mailgegevens heb ik verwijderd; de inhoud van zijn berichten onderschrijft hij en mag ik gebruiken, zo heeft hij aangegeven. Ik laat graag het oordeel aan jullie zelf!
Hiermee sluit ik deze serie af, al zal het onderwerp ongetwijfeld wel weer eens voorbijkomen!

*****

Van: Siebe Sietsma
Verzonden: zondag 4 februari 2018 11:47
Onderwerp: Fwd: bv

Beste Marianne,

Graag reageer ik op je blog over mijn reportage over bedding in.

Ons vertrekpunt qua toon is de zorg die artsen en kraamverzorgers uitspreken over een toename in samen slapen (nog weer wat anders dan co-slapen).
Onbekendheid met de risico's bij ouders speelt daarbij een rol. Maar ook goed geïnformeerde ouders laten hun kind nog in bed slapen, bijvoorbeeld omdat ze niet willen / het zielig vind dat het huilt. De cijfers uit Engeland zijn enkel de kapstok geweest om naar Nederland te kijken (we trekken daaruit geen andere conclusies dan dat het daar tot discussie leidt).

Artsen en kraamverzorgers hebben een heel helder verhaal, gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek: kinderen liggen het veiligst in de wieg, en alle varianten in bed of aan bed brengen meer gezondheidsrisico's met zich mee.
Niet doen dus. Het feit dat samen slapen óók voordelen heeft, bijvoorbeeld qua hechting, doet daar niets aan af. Dat hebben we voorrang gegeven.

Vriendelijke groeten,

Siebe Sietsma
Nieuwsuur

*****

Verzonden: zondag 4 februari 2018 15:54
Aan: Siebe Sietsma
Onderwerp: Fwd: bv; reactie Marianne

Beste Siebe,

Hartelijk dank voor je bericht! Fijn, dat je de moeite hebt genomen te reageren.
Helaas gaat er in je antwoord hetzelfde mis als in je reportage: veel aannames, geen onderbouwing, een zichtbaar gebrek aan achtergrondkennis en een normatieve conclusie.
Ik heb twijfels over de vraag of jullie je realiseren wat je aanricht onder jonge ouders, door zo te werk te gaan. Je voedt angst en angst is een slechte raadgever.
Het zou hetzelfde zijn als wanneer je tegen jongeren zou zeggen:
'Onbekendheid met de risico's van onbeschermde seks bij jongeren speelt daarbij een rol. Maar ook goed geïnformeerde jongeren nemen nog wel risico's met seks, bijvoorbeeld omdat ze zich seksueel geprikkeld voelen / behoefte hebben aan fysieke liefde. Het veiligst is gewoon om geen seks te hebben, want dat brengt gezondheidsrisico's met zich mee. Niet doen dus. Het feit dat seks ook prettig en gezond kan zijn, doet daar niets aan af.'
Of dit: 'Onbekendheid met de risico's van het vervoeren van een baby in de auto speelt daarbij een rol. Maar ook goed geïnformeerde ouders nemen nog wel risico's met hun baby in de auto, bijvoorbeeld omdat ze ergens naar toe moeten / haast hebben. Het veiligst is gewoon om geen baby's in auto's te vervoeren, want dat brengt gezondheidsrisico's met zich mee. Niet doen dus.
Het feit dat auto's praktisch zijn, doet daar niets aan af.'
Hoe klinkt je dat in de oren...? Is dat de meest effectieve benadering om met seks om te gaan en de veiligheid rondom seks te vergroten, of om het vervoer van baby's in auto's veilig te maken?
Het antwoord moge helder zijn: nee. Beide voorbeelden laten zien wat ook voor bedding-in/bedsharing geldt: het *gebeurt gewoon*, wat wie er ook over zegt, dus licht mensen goed en eerlijk voor, zodat ze weten wat ze kunnen doen om op een zo veilig mogelijke manier met zaken om te gaan.

Het antwoord van de arts en de kraamzorginstelling *klinkt* wel helder, maar is het niet. Het is simplistisch, paternalistisch en tendentieus.
De hele reportage trekt een rookgordijn op dat iedereen het zicht en de adem beneemt. Ik vind dat een blamage voor de publieke omroep en het tast zeer de geloofwaardigheid van een programma als Nieuwsuur aan. De gezondheid en het welzijn van jonge kinderen zijn cruciaal voor hun fundamentele fysiologie en stressregulatie, voor een gezonde psychoneuroimmunologische ontwikkeling.
Het arsenaal aan wetenschappelijk onderbouwde argumenten die vóór coslapen pleiten afdoen met 'gezellig' en 'vinden het zielig' geeft werkelijk geen pas. Het is een treurige manier van framen van juist vaak uitzonderlijk gemotiveerde ouders. Het aspect 'hechting' is niet zomaar een 'modedingetje'; er is waanzinnig veel onderzoek over de impact van onveilige
(angstige-afwerende/vermijdende/gedesoriënteerde) hechting op het latere leven. Ook hierover zijn bibliotheken volgeschreven; voor de basis ervan kun je terecht bij John Bowlby, grondlegger van de hechtingstheorie.
Als je me je adres stuurt, stuur ik je een exemplaar van mijn boekvertaling (stikvol referenties!) van James J. McKenna, mondiale autoriteit op het gebied van coslapen, en dan spreek ik daarna graag een keer met je af.

In dat boek kun je dan ook lezen hoe het zit met de terminologie (die vaak zeer slordig wordt gehanteerd en daardoor zinvolle uitspraken en vergelijkingen onmogelijk maakt):
Cosleeping (in het Nederlands: samen slapen) is een *overkoepelende* term voor alle vormen waarbij een kind op zintuiglijke, armlengte afstand van de ouders slaapt.
Rooming-in: het kind ligt op de kamer van de ouders, in hetzelfde bed, in een eigen bed of in een cosleeper.
Bedding-in of bedsharing: het kind slaapt in het bed van de ouders, op hetzelfde slaapoppervlak.
Cosleeper (het type bedje Alexander Otto): het kind ligt op een eigen slaapoppervlak in een bedje dat naadloos aan het ouderlijk bed vastzit.

Ik hoor graag van je en zal een exemplaar voor je klaarleggen; dat kan dan op de post zodra ik je adres heb!

Met vriendelijke groet,

Marianne Vanderveen-Kolkena IBCLC, BSc
Borstvoedingscentrum Panta Rhei
Lactatiekundige en antropoloog

*****

Van: Siebe Sietsma
Verzonden: zondag 4 februari 2018 17:42
Aan: Info Bvc Panta Rhei
Onderwerp: Re: bv; reactie Marianne

Beste Marianne,

Dank voor het bericht. Ik wil geen eindeloze discussie aangaan, en we kunnen verschillende opvattingen hebben over onze berichtgeving. Maar ik ben het echt met je oneens als je zegt dat wij op basis van aannames berichten.
Wetenschappelijk onderzoek door medici is het uitgangspunt voor onze berichtgeving, en we hebben ons ook gebaseerd op gangbare meest recente adviezen voor ouders van pasgeboren kinderen, zie verder mijn vorige mail.
Dat lijkt me de meest verantwoorde manier, aangezien verkeerde informatie kan leiden tot ernstige ongelukken. Verder heb ik ook al aangegeven dat er inderdaad ook voordelen zijn van samen slapen (bv. hechting). Daar ga je in je reactie aan voorbij.

Dank voor het aanbod van het boek, mag ik het beleefd afslaan?

Vriendelijke groeten,

Siebe Sietsma

*****

Van: info@borstvoedingscentrumpantarhei.nl
Verzonden: zondag 4 februari 2018 18:33
Aan: Siebe Sietsma
Onderwerp: Fwd: bv; reactie Marianne

Beste Siebe,

Dank voor je reactie, die ik tamelijk teleurstellend vind.
Je lijkt niet bereid om wetenschappelijk onderzoek met een volledig andere conclusie tot je te nemen, zelfs niet als het je heel gemakkelijk wordt gemaakt.
Dat is naar mijn idee helemaal geen verantwoorde manier; dat is volstrekte eenzijdigheid.
Ik zou verwachten dat je als journalist nieuwsgierig bent naar hoe het kan dat andere wetenschappers (van mondiale faam) tot een totaal andere conclusie komen.
En áls je dan al conclusies van een arts noteert, dan moet dat uiteraard wel correct gebeuren. Dat heb je op twitter niet gedaan; je citaat c.q. interpretatie was niet juist.
Ik heb gereageerd, maar nog geen antwoord van je gezien.

Wat je zegt, is waar: verkeerde informatie kan leiden tot ernstige ongelukken. Daar hebben jullie nu zelf aan bijgedragen.
Je nóemt de hechting wel (overigens heeft gedrag in lijn met de biologische blauwdruk geen voordelen, maar heeft afwijken daarvan risico's en nadelen, maar dat terzijde), maar je doet die af als ondergeschikt. Daarmee doe je aan heel veel zaken geen recht. Ik heb geprobeerd daarover wat toelichting te geven, maar daar ga je niet op in.
Je gaat ook niet in op de twee analogieën die ik heb gegeven over informatievoorziening en veiligheid en de effecten van paternalistische benaderingen.
Al met al komt je mail op mij als volgt over: 'Ik ben er nu wel klaar mee en ik wil geen andere invalshoek horen of bestuderen, zelfs niet als ik een boek daarover gratis kan krijgen.'
Dat lijkt me strijdig met de NOS-missie die ik in het begin van mijn blog heb genoemd en waaraan jij je, neem ik aan, ook moet conformeren. Desalniettemin maak jij uiteraard zelf de keus of je je in het onderwerp wilt verdiepen (zij het dan dat achteraf natuurlijk te laat is...).

Ik neem aan dat je volledig achter je onderstaande twee mails staat? Het is niet ondenkbaar dat ik de inhoud daarvan zal gebruiken voor een blog.
Het lijkt me wenselijk dat het brede publiek een idee kan krijgen van hoe de NOS te werk gaat en op welke manier zo'n reportage tot stand komt.
Iemand vroeg al naar wat je had gezegd, maar ik gaf aan jou eerst de kans te willen geven je nader in het onderwerp te verdiepen en op mijn mail in te gaan.
Dat laatste heb je nu gedaan en je lijkt de discussie te willen sluiten; klopt dat...? Mocht je nog iets willen toevoegen aan of nuanceren in je reactie, dan hoor ik het graag.
Ik betreur dat je de discussie sluit. Ik zou denken dat de NOS haar taak van eerlijke en gebalanceerde informatievoorziening serieus neemt. Dat heeft ze met deze reportage zeker niet gedaan en ik vind dat eerlijk gezegd een blamage. Met een groot bereik komt ook een grote verantwoordelijkheid.
Dit is wat de website zegt over Nieuwsuur: 'Nieuwsuur wordt gemaakt door de taakomroepen NTR en NOS en brengt onafhankelijk, onpartijdig en ongebonden achtergronden bij het nieuws.'
Deze reportage was niet onpartijdig; er was een vooropgestelde boodschap die men/jij wilde overbrengen, en niet de intentie om beide kanten van de medaille te laten zien, zodat ouders afwegingen kunnen maken.
Ik ga ervan uit (ja, dat is een aanname... correct me if I'm wrong) dat het de bedoeling was om de veiligheid te vergroten; dat gebeurt helaas niet met deze benadering.

Ik hoop dat je nog reageert, maar ik houd er rekening mee dat je daarvan zult afzien.

Met vriendelijke groet,

Marianne

*****

Van: info@borstvoedingscentrumpantarhei.nl
Verzonden: zondag 4 februari 18 23:16
Aan: Siebe Sietsma
Onderwerp: RE: bv; reactie Marianne

Hallo Siebe,

Ik reageer even tussen je tekst met **...

-----Oorspronkelijk bericht-----
Van: Siebe Sietsma
Verzonden: zondag 4 februari 2018 20:13
Aan: Info Bvc Panta Rhei
Onderwerp: Re: bv; reactie Marianne

Hoi Marianne,

De twee analogieën die je gebruikt vind ik niet sterk: bij seks en autorijden is het risico op de dood extreem klein - en ook binnen die context lijkt het me trouwens verstandig alle mogelijke veiligheidsmaatregelen te nemen.

**Zeker, veiligheidsmaatregelen nemen! Dat is precies wat we bepleiten, en wat iets heel anders is dan verbieden! Dat is namelijk wat zorgverleners doen: verbieden, taboeïseren, wegzetten als onverantwoord.

Overigens is het risico bij bedsharing ook heel klein, al kan mevrouw Engelberts niet zeggen hoe klein (of hoe groot), zolang ze niet weet hoeveel ouders hun kind in bed nemen. Zoals ik in mijn blog stel:

'Even simpel: als vijf ouderkoppels hun kind in bed nemen en die vijf kinderen overlijden, is het risico 100%. Als er 500.000 ouderkoppels hun kind in bed nemen en er overlijden vijf, dan spreken we over een risico van 0,001%. Da’s nogal een verschil.'

Mevrouw Engelberts 'denkt' dat het toeneemt, maar ze heeft blijkbaar geen (betrouwbare) cijfers, anders had ze zeker gezegd: 'We weten uit onderzoek dat het toeneemt.'

Als journalist ben ik inderdaad nieuwsgierig. Maar je kunt niet verwachten dat ik bij een onderwerp gemaakt in een dag een boek tot me neem en ook nog evt. van toepassing zijnde wetenschappelijk onderzoek. Daarbij merk ik nog op dat de praktijk in de VS niet zomaar van toepassing is in Nederland: door armoede en slechte behuizing is samen slapen daar vaker een noodgedwongen oplossing. In Nederland is het weer vaker een bewuste keuze.

**Een bewuste keuze verkleint het risico aanmerkelijk, maar juist als er sprake is van noodzaak, is het des te belangrijker om ouders te informeren over hoe ze het veilig kunnen doen, zoals je in landen waar het water vervuild is, extra uitleg moet geven over hoe mensen besmetting met ziektes in dat water kunnen voorkomen. Hoe hoger het risico (waardoor dan ook), hoe *groter* de noodzaak van gedegen informatie.

Wat de mogelijkheden tot voorbereiding betreft: als je het niet verantwoord kunt doen en een 'scaremongering' item is het resultaat... is dat dan hoogstaande journalistiek, of is het 'laag-bij-de-grond'?

Zoals Stevo Akkerman vandaag uitlegde in zijn lezing hier in Assen: er is veel waarvan we kunnen zeggen: 'Het klopt wel, maar het deugt niet.' Het klopt wel dat een goede voorbereiding veel tijd kost, maar dat je die voorbereiding onvoldoende pleegt en dan angst creëert... dat deugt niet. (En helaas is er in je item ook nog veel wat inhoudelijk niet klopt.)

Daarom leun ik op de expertise van bijv. de bijzonder goed ingevoerde dr. Engelberts, zeker als haar opvattingen worden gesteund door andere experts.

**Dr. James McKenna is een nog veel beter ingevoerde expert en zijn opvattingen worden ook door heel veel experts gesteund, op grond van enorm veel onderzoek en stapels publicaties als resultaat.

Zie ook het werk van een andere mondiale grootheid, namelijk dr. Helen Ball en haar vakgroep in Durham (waar een prachtig sleep lab is, waar ik een paar jaar geleden nog was): https://www.isisonline.org.uk/ .

Een filmpje als dit https://www.facebook.com/culturacolectivaplus/videos/2077317248952394/ is een super bondige samenvatting van enorm veel onderzoek van de laatste decennia (waarin ACEs, epigenetica, eigenschappen van de HPA-as en neurologische impact op breinanatomie een grote rol spelen). Dat ouders zoeken naar manieren om hun kind niet te laten huilen (en wat is een betere manier dan de troost van de primaire hechtingsfiguur, zeker als die lacterende borsten heeft), is dus een wetenschappelijk verantwoorde aanpak. Ik kan je papers sturen van zowel McKenna als Ball.

Als je wilt kun je mijn mails gebruiken in je blog of elders. En mocht ik me nog eens verder willen verdiepen in het onderwerp, dan maak ik graag alsnog gebruik van het boek dat je me aanbood.

**Ik wacht het af!

Onderzoeksjournalistiek behelst meer dan even snel een itempje maken, zonder je rekenschap te geven van wat daarvan de consequenties zijn voor degene die je interviewt of degene die je reportage ziet.

Het innerlijk kompas, waarover Stevo vandaag sprak, zou je kunnen doen besluiten om te zeggen: 'Ik weet nog niet genoeg; ik moet me er meer in verdiepen voordat ik dit naar buiten breng.'

Natuurlijk kun je aanvoeren dat je vastzit in het systeem van 'snel, snel, snel', maar dat is nu precies waar Stevo's boek (net als dat van Joris Luyendijk, 'Dit kan niet waar zijn') bezwaar tegen maakt.

Hij stelt dat de systemische structuren de individuele moraal (dat innerlijk kompas) om zeep helpen en sprak in dat kader over de journalistieke plicht om misstanden en onjuiste informatie door te prikken.

Daar heb je een prachtkans laten liggen. Dat is zowel praktisch als ethisch een treurige kwestie, zowel voor de doelgroep van de reportage als voor je eigen beroepsgroep.

Mijn collega's en ik blijven er alles aan doen om ouders eerlijke informatie te geven en we moedigen de 'grassroots approach' in ouderschapskwesties van harte aan.

Ik zal je taggen in de volgende delen van mijn blog, zodat je geïnformeerd blijft.

Vriendelijke groeten,

**En weer terug,



Marianne

Siebe


woensdag 3 september 2014

Levensweg

En daar ging ze, zwaarbepakt met grote koffer en volgepropte rugzak… onze jongste dame, de wijde (studenten)wereld in, voorzien van het cadeau dat ook haar zussen kregen toen ze de deur uit gingen: een briefopener, voorzien van naam en datum van ‘zelfstandigheid’ (als symbool voor het feit dat ze vanaf nu zelf verantwoordelijk is voor haar administratie) en een exemplaar van het levenswerk van Clarissa Pinkola Estés, ‘De ontembare vrouw’ (als symbool voor het feit dat we allemaal in ons leven fases doorlopen die ons een deel van het levensverhaal onthullen en ons de weg wijzen in onze lange tocht door het bestaan).

’s Avonds zaten we getweeën aan tafel, toen mijn man zei: “Dat was het dan? Ik had echt niet gedacht dat het zó snel zou gaan. Ik dacht dat het levenslang zou duren, die lieve kinderen om ons heen.” En natuurlijk blijf je als ouders levenslang betrokken bij wat ze doen, maar die dagelijkse zorg voor ze en hun sprankelende, inspirerende aanwezigheid… die is per kind meestal binnen twintig jaar voorbij. En zelfs als je vier dochters hebt, zijn vijfentwintig jaren verrassend en verbazingwekkend snel om.
We keken elkaar aan en toastten op deze nieuwe fase, op de levenslust waarmee de kinderen hun pad vervolgen en op het feit dat we daarvan nog steeds samen getuige zijn. Dat is niet iedereen gegeven; sommige ouders slagen er niet in hun verbintenis liefdevol en vreedzaam in stand te houden, andere zien hun relatie eindigen door de dood van hun partner. Deze week nog trof ik een vriendin die weduwe werd toen hun dochters 4 en 1 jaar oud waren. Dan krijgt het ouderschap een heel andere kleur en ook de kindertijd ontbeert dan de onbezorgde vreugde van twee blije ouders.

En zoals we allemaal weten, zijn er daarnaast nog heel veel andere factoren die het leven van kinderen zwaar kunnen maken. Twee artikelen van Vakblad Vroeg die ik vorige week las, laten daar iets van zien. Het ene gaat over hulp bij onveilige hechting, het andere over het risico op de ontwikkeling van gewelddadigheid ingeval van verwaarlozing. Dat zijn droevige verhalen, en toch is er voor die tekortschietende zorg in de meeste gevallen een verklaring te vinden die een evenzeer verdrietige geschiedenis van de ouder(s) zichtbaar maakt.

Zoals al vaker besproken: de transgenerationaliteit van de problematiek is het meest trieste van alles. Het risico dat ouders hun eigen pijn, problemen, verdriet en frustratie doorgeven aan hun kinderen, terwijl ze waarschijnlijk vast van plan waren dat niet te doen, blijkt dikwijls prominent aanwezig.
Het lijkt dan ook zaak om met argusogen te kijken naar de manier waarop jonge ouders worden voorzien van adviezen over de zorg voor hun baby en peuter. In dat opzicht valt er nog wel het nodige te verbeteren, want wat ik onlangs in een wachtkamer weer las… het is om wanhopig van te worden. Wéér ging het over de manier waarop ouders grenzen moeten stellen, opdat hun kinderen hen niet de baas worden, hoe ze duidelijk moeten aangeven dat het kind zich erbuiten moet houden als volwassenen in gesprek zijn, de technieken die ze kunnen toepassen om de controle over hun kind te behouden. Is dat dan het doel? Is dat werkelijk waarnaar we streven in de omgang met onze kinderen? Of is het toch wenselijker dat ze een fraaie mate van 'ontembaarheid' behouden?

Onze oudste dochter vertelde vorige week over een training die ze net had gedaan voor een bestuursorgaan. Daarin werd er in de uitleg over hoe relaties functioneren, zo ongeveer voetstoots vanuit gegaan dat er tussen ouders en kinderen een hiërarchische verhouding geldt en dat daar niet de gelijkwaardigheid van kracht is die tussen volwassenen onderling geldt. De ondergeschiktheid van het kind aan de ouders werd als een gegeven gepresenteerd: ouders vertellen kinderen wat ze moeten doen en kinderen ‘luisteren’ daar naar (lees: volgen die instructies op).
Onze dochter had bezwaar gemaakt; zo werkt dat niet per sé, had ze gezegd, en ik ben het met haar eens. Op de vraag ‘Waarom?’ is het antwoord ‘Daarom!’ meestal niet gepast. Als er iemand is die de taak en de verantwoordelijkheid heeft om zich te verantwoorden (door het geven van het goede voorbeeld) en zaken uit te leggen, toe te lichten en nog een keer te verklaren… dan wel ouders richting hun kind.
Dat is geen sinecure, die taak. Ouderschap is dan ook niet voor watjes, zoals een mooi artikel in Kiind toelichtte in februari 2012.

Het is dan ook een bijzonder gevoel dat die opvoedklus nu grotendeels ‘geklaard’ is en dat de tijd zal leren of we ons werk als ouders een beetje behoorlijk hebben gedaan. Vooralsnog lijkt het aardig gelukt, al blijven er ook in deze leeftijdsfase genoeg issues waarover je met elkaar een boom kunt opzetten, waarover je met elkaar stevig in debat kunt om te zien hoe visies en ethische idealen en bezwaren van toepassing zijn op wat er ter tafel komt. De zelfreflectie van het jonge ouderschap verandert door de jaren heen steeds meer in het wederzijds delen van kennis en ervaring en de bespiegelingen die dat losmaakt. Een mooi pleidooi, dus in De Correspondent, om van filosofie een verplicht vak te maken. Het beste begin je dan natuurlijk op de basisschool, als kinderen nog redelijk onbevangen in het leven staan. Zo is de kans het grootst dat ze als student en als volwassene zich niets laten aanpraten en dat ze een ragfijn gevoel ontwikkelen voor rechtvaardigheid en medemenselijkheid.

Er valt immers waanzinnig veel te ervaren in de wereld en hoe vreemder die voor je is, hoe lastiger het is te duiden wat je voor je ogen ziet gebeuren. Onbekend maakt nu eenmaal vaak onbemind. Dan ligt etnocentrisme op de loer: de cultuur en gewoontes van de ander beoordelen (en misschien veroordelen) op basis van je eigen achtergrond, je eigen referentiekader. Dat neemt niet weg dat er, zeker op fysiologisch gebied, ook wel algemene, universele dingen te zeggen zijn. In al dit soort aangelegenheden ben ik sinds afgelopen maandag volledig ondergedompeld met de colleges en werkgroepen van mijn studie Culturele Antropologie & Ontwikkelingssociologie in Amsterdam.
Later meer, over wat dáár allemaal ter tafel komt, nu de tafel in de keuken thuis nogal dunbevolkt is geworden! :-)

zaterdag 21 december 2013

Huilbabygate... het vervolg

Op Kiind.nl verscheen in oktober 2013 een artikel van de hand van Gabriëlle Jurriaans over de richtlijn aangaande excessief huilen bij baby's. Op het artikel kwamen reacties, onder andere van twee zorgverleners. Zij stelden dat de richtlijn is gebaseerd op kennis. Deze stelling is strijdig met de wetenschappelijke realiteit van vandaag. Wij (Marianne Vanderveen-Kolkena IBCLC (destijds lid van de klankbordgroep voor de richtlijn) en Linda Rikkers) hebben daarom gemeend dat extra informatie op zijn plaats is over de schadelijke effecten van diverse aspecten van de aanpak zoals beschreven in de richtlijn. Margreet de Ruijter stelt in haar reactie dat gekeken wordt naar de specifieke wensen van ouders. Ouders worden aan de hand van de richtlijn echter onvolledig geïnformeerd; dan kan van een vrije of geïnformeerde keuze geen sprake zijn. Sterker nog, veel te vaak voelen goed geïnformeerde ouders zich gepusht om hun kind niet-responsief te benaderen. Het oorspronkelijke Kiind-artikel is hier te lezen.

Een ingekorte versie van onze reactie staat op de Kiind-website; hieronder volgt onze uitgebreidere argumentatie. De referenties bevatten ook boektitels, voor wie verder wil lezen.


In 1947, zo'n 65 jaar geleden, zei de Britse psycho-analist Donald Woods Winnicott (1896-1971): "There is no such thing as a baby, there is always a baby and someone." (1) Recent onderzoek op het gebied van epigenetica laat zien hoe juist dit vroeg geformuleerde standpunt is. Hoe een kind zich ontwikkelt, hoe haar brein groeit, hoe haar stressregulatie wordt afgestemd, hoe haar karakter tot uiting komt… het hangt allemaal af van de omgevingsinvloeden en hoe die inwerken op het aanwezige genetische materiaal. Richard Bowlby, zoon van John Bowlby (de grondlegger van de hechtingstheorie), gaf tijdens het jaarlijkse congres van de LCGB in Winchester in april 2009 antwoord op de vraag of we in het kader van ontwikkeling moeten denken aan ‘nature’ of aan ‘nurture’. Hij vatte het zo samen: “It’s a matter of nurturing nature.”

Om de natuur, de aanleg, van het kind te voeden en optimaal tot ontwikkeling te brengen, heeft de pasgeboren baby vrijwel constante nabijheid nodig. In lichaamscontact met een volwassene komen baby's tot rust. Dit paradigma, deze coherent samenhangende zienswijze op de zorg voor het nageslacht is gebaseerd op de huidige kennis rond de biologie van de mensenbaby. Hoogwaardig onderzoek op het gebied van hechting, hersenontwikkeling en gezondheid op de lange termijn onderstreept het belang van responsieve kindzorg. (2) De behoefte aan veel lichaamscontact (3) en veelvuldige voedingen (4) zien we terug bij alle draagzoogdieren.

Vanuit de antropologische visie zegt Sarah Blaffer Hrdy in haar boek ‘Mothers and Others’ (in het Nederlands vertaald als ‘Een kind heeft vele moeders’) het volgende over sensitieve zorg: “but regardless of language or custom, the message conveyed by such administrations is equivalent: you are cared for and will continue to be. Love is a message that all babies are all too eager to receive, and small wonder. How secure an infant feels depends on how responsive the mother is to his physical and emotional needs.” Ze houdt een warm pleidooi voor afschaffing van het behaviorisme, dat zo sterk is gericht op het ‘africhten’ van het kind en het bewerkstelligen van gedrag dat de verzorgers past.

Ook Sue Gerhardt schrijft over de gevolgen van gescheiden zijn van het moederlichaam in haar boek ‘Why Love Matters’ (in het Nederlands vertaald als ‘Waarom liefde zo belangrijk is’): “Probably the most stressful experience of all for a baby or toddler is to be separated from his or her mother or caregiver, the person who is supposed to keep him or her alive. Early separation from the mother increases corticotropinreleasing factor (CRF) in the amygdala. This is thougt, by some, to be the biochemical of fear, suggesting that even short separations from the source of food and protection are very frightening for any breastfed young mammals, including humans.”

Er is, kortom, brede consensus over het idee dat baby’s in essentie allemaal gevoelig zijn voor prikkels en dat die prikkels voorwaarde zijn voor een kind om te groeien. Belangrijk is echter dat een baby de júiste prikkels ontvangt, namelijk die van menselijke interactie. Het volwassen lichaam biedt met de geruststellende aanwezigheid rust en ontspanning en ouderlijke sensitiviteit zorgt voor het bevredigen van de biologische behoeften van een kind.

Dat is een heel ander uitgangspunt dan wat we in de richtlijn vinden; daar is de essentie dat een kind pas tot rust komt en goed kan slapen als het alleen is en aan een strakke structuur blootstaat. Dit idee is strijdig met alle recente wetenschappelijke inzichten; de stelling dat de richtlijn is gebaseerd op de laatste wetenschappelijke stand van zaken is dan ook onjuist. Alleen zijn geeft geen rust; het is juist een enorme stressfactor voor een baby of jong kind. Er is enorm veel onderzoek dat zicht biedt op de behoeften van jonge kinderen en dat in de richtlijn niet is terug te vinden. Uit de hoofdtekst van de richtlijn is de kookwekker weliswaar verdwenen, maar met de verwijzing in Bijlage 4 naar het boekje van Ria Blom (versie 2011), waarin de kookwekker nog steeds wordt genoemd, is deze vorm van negeren van het hulpgeroep van de baby nog steeds een integraal onderdeel van de richtlijn. De adviezen om het huilen te negeren, zijn apert strijdig met sensitief ouderschap. Negeren van onder de term 'love withdrawal' en wordt door onderzoekers als mishandeling betiteld. (5)

Het grootste doel van de richtlijn lijkt te zijn: het huilen doen stoppen. Er zijn methodes (inbakeren en laten huilen) die daarvoor redelijk effectief kunnen zijn, in ieder geval voor de korte termijn. Of een bepaalde aanpak ook op de langer termijn en in brede zin effectief is, hangt af van wat je met een kind tot stand wilt brengen. Kijk je vanuit het behaviorisme, de studie van het gedrag, en ben je gefocust op het bijsturen en beheersen van het gedrag van een kind, dan kun je bepaalde strategieën succesvol noemen. Daarmee ga je echter voorbij aan wat het emotioneel en fysiologisch voor een kind betekent om niet gehoord en verzorgd, maar alleen gelaten en genegeerd te worden. Dit veroorzaak schade, waarvan de omvang de laatste jaren steeds duidelijker wordt. (6) Overigens betreft het hier deel ook zeer basale kennis die al decennialang bekend is. (7). Dat dissociatie en ‘freezing’ voor rust worden aangezien en voor effectief resultaat van de aanpak, is dan ook verontrustend.


En natuurlijk is het jonge ouderschap een indrukwekkende taak. De (verdrietige) ironie is, dat ouders zélf moeite kunnen hebben met stressregulatie doordat zij als baby zijn blootgesteld aan stress omdat hun behoeften niet (voldoende) werden bevredigd. Daardoor zijn ze zichzelf kwijtgereaakt en dat bemoeilijkt het responsief reageren op de signalen van hun baby. Het koesteren van de baby's van nu is pas werkelijke preventie. Door hun huilen, hun 'separation distress call', te beantwoorden, kunnen ouders eraan bijdragen dat hun kinderen opgroeien tot stabiele volwassenen die te zijner tijd hun eigen kinderen sensitief kunnen benaderen. (8) (9)

Dat de nabijheid van de primaire verzorgers, meestal de moeder en vader, van onbetwistbaar belang is, is geen mening meer. Het is kennis waar ouders recht op hebben en het is kennis die in de richtlijn pijnlijk ontbreekt. Dat ouders kennis over normaal babygedrag wordt onthouden, maakt het voor hen vrijwel onmogelijk om op basis van de in de richtlijn aangereikte (en door andere zorgverleners doorgegeven) informatie een weloverwogen keuze te maken over hoe ze met het huilen van hun kind kunnen omgaan.

Er zijn daarentegen ook veel ouders die zich goed voelen met de keuzes die ze maken. Zij krijgen helaas geregeld ongevraagd advies over (het omgaan met) het huilen van hun kind.
De gedachte dat het belangrijk is te onderzoeken wat het beste past bij de ouders, willen we graag vervangen door een andere. Wij pleiten voor een aanpak die past bij de behoeften van het kind. Het is belangrijk dat ouders zich zo goed mogelijk aanpassen aan die primaire behoeften van hun pasgeboren baby. Ook professionals moeten hun werkwijzen afstemmen op wat er bekend is over wat baby’s nodig hebben om een stabiele persoonlijkheid te ontwikkelen. Het eerste levensjaar legt de basis voor de toekomst en investeren in een stevige basis is van groot belang. Huilen is in dit licht geen 'probleem' dat zo snel mogelijk uitgedoofd moet worden, maar een poging van de baby om duidelijk te maken wat zij nodig heeft: een uitnodiging tot contact, een vraag om liefde en nabijheid.

Linda Rikkers is Vaktherapeut Beeldend en schrijver over sensitief ouderschap.

Marianne heeft vanaf 2008 als lid van de klankbordgroep feedback gegeven op de vele conceptversies van de richtlijn. De notitie die zij samen met Stephanie Sanders heeft geschreven, was één van de redenen dat het multidisciplinaire richtlijnontwikkelingsproces in gang is gezet. Je vindt die notitie hier. De publieksversie van dit document lees je hier. Marianne heeft van 11 september tot en met 4 december 2013 over de richtlijn geblogd. Ze heeft daarbij uitgebreid uit de meer dan 120 pagina’s van de richtlijn geciteerd. Geïnteresseerden kunnen kennis nemen van deze analyses via www.borstvoedingscentrumpantarhei.blogspot.nl .

Dit blog is ook te vinden op het blog van Linda.




[1]Winnicott, Donald. (1964) Further thoughts on babies as persons. In his The child, the family, and the outside world (pp. 85-92). Harmondsworth, England: Penguin Books. (Original work published 1947)
[3] Evolution, Early Experience and Human Development, Darcia Narvaez et al, p. 427-452 (Prescott, McKenna, Gettler)
[5]https://openaccess.leidenuniv.nl/bitstream/handle/1887/18245/huffmeijer_tekst%20proefschrift.pdf?sequence=2 (zie vooral pagina 87 en verder, samenvatting van het onderzoek in het Nederlands)
[7] A Secure Base, John Bowlby, 1988
[8] Evolution, Early Experience and Human Development, Darcia Narvaez et al, 2013, p. 31-67 (Schore)
[9] The Hormone of Closeness, Kerstin Uvnäs Moberg, 2009/2013