Posts tonen met het label fysiologie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label fysiologie. Alle posts tonen

zaterdag 12 maart 2016

Seksualisering versus babybelangen, deel 2

Afgelopen week schreef ik deel 1 van een blogserie over het boek ‘De Melkfabriek’.
Ik eindigde daarin met een opmerking over sarcasme, dat door sommigen, waaronder de auteurs, enthousiast wordt toegepast en door Wikipedia als volgt wordt omschreven: “Deze stijlfiguur is scherp en agressief van aard: er ligt altijd een aanval in besloten op een persoon, toestand of uitlating. Weliswaar kan sarcasme daardoor als een vorm van humor worden gezien, maar tegelijkertijd vormt het een aanval.” Ik stelde vorige week als afsluiting de vraag of dat een passende aanpak is voor de prille levensfase.

Het zal je waarschijnlijk niet verbazen als ik zeg dat ik het voor kraamperiode uit den boze acht. Je kunt natuurlijk bediscussiëren in welke levensfase het wél een geschikte manier is om belangrijke onderwerpen te benaderen, maar ik kan me voorstellen dat het soms inderdaad een goede functie vervult. Voor de periode kort na de bevalling lijkt me dat echter niet het geval en ik zal uitleggen waarom niet.

Ik stelde vorige week drie basisvragen:
  1. Worden de behoeften van het kind op waarde geschat?
  2. Schat de moeder zichzelf op waarde?
  3. Schat de samenleving de moeder-kindeenheid op waarde?
Een vervolg op de VBN-fysiologie, bij aanvang van de opleiding tot lactatiekundige

Hoewel de eerste vraag nog niet volledig is beantwoord, wil ik alvast vraag 2. erbij pakken.
Fysiologie is een door veel mensen volstrekt onbegrepen begrip. We zijn allemaal aan fysiologie onderworpen, of we dat nou leuk vinden en willen weten of niet, maar de kennis erover is vaak bedroevend. Hier vind je het één en ander aan uitleg en dan zie je dat het om onder andere stofwisseling gaat. Zowel de afgifte als de opname van stoffen door organen en het brein beïnvloedt hoe het lichaam functioneert en hoe we de wereld om ons heen ervaren én benaderen. Zijn we wantrouwig of ‘vertrouwig’? Streven we naar kracht of snakken we naar macht? Overkomt ons alles of overkomen we bijna alles? Hoe is ons brein geprogrammeerd via de fysiologie?
Afgelopen week las ik het bericht dat de theorie van ‘het ontbrekende stofje’ als verklaring voor depressie in feite een zeer wankel verhaal is. Ik sprak dan ook de verwachting uit dat dit de rol van de vroege levensfase waarschijnlijk alleen nog maar belangrijker maakt, omdat we zo langzamerhand weten dat het brein, zowel de anatomie (de letterlijke opbouw) als het functioneren (het overdragen van signalen) sterk afhankelijk is van de eerste maanden en jaren. De fysiologie heeft daarbij een grote invloed. Het brein is plastisch, het kan tot op hoge leeftijd bijleren en zich aanpassen, maar indringende vroege ervaringen kunnen vaak niet volledig ongedaan worden gemaakt. Je kunt strategieën ontwikkelen om met 'misprogrammering' te leren omgaan, maar dat kost natuurlijk energie, die je dan niet constructief in andere leuke en nuttige zaken kunt steken.

In het hele perinatale gebied (dus bij alles wat zich rondom de geboorte afspeelt) zien we dat de fysiologie niet meer de hoofdrol speelt. Gemiddeld genomen worden vrouwen steeds later zwanger (jarenlang verstoort de pil hun natuurlijke fysiologie), ze baren steeds minder vaak zonder hulpmiddelen en ingrepen in de thuissituatie (klinische, op pathologie ingestelde instellingen verstoren de bevallingsfysiologie) en er starten weliswaar veel vrouwen met borstvoeding, maar die cijfers dalen snel (en kunstvoeding rommelt met de fysiologie van zowel moeder als kind). (En nee, dat in 2012 gepubliceerde onderzoek over 38% met een half jaar was helaas geen goed onderzoek; methodologisch rammelde het aan alle kanten en het is dan ook een pijnlijke kwestie dat veel borstvoedingsdeskundigen er tamelijk klakkeloos achteraan zijn gelopen…).

Iemand die waanzinnig interessante dingen zegt over fysiologie in de perinatale periode is Michel Odent. Deze ‘éminence grise’ (letterlijk grijs, maar inmiddels ook echt op een uiterst respectabele leeftijd met zijn 86 jaar!) legt in diverse van zijn boeken glashelder uit hoe het werkt met fysiologie. Zo is thuis baren bij kaarslicht en zachte muziek niet zomaar een romantisch dingetje, een vage aangelegenheid of een sarcastisch te becommentariëren gebeurtenis, maar een evidence based aanpak. De auteurs doen er nogal schamper over; zo spreken ze in het voorwoord over vrouwen die ‘al klaarkomend hun kind gebaard hebben via hypno-birthing-technieken’. Daar klinkt, voor een ‘handboek’, niet al te veel kennis van de fysiologie in door. Het is namelijk zo dat fel licht de analytische delen van het brein aanspreekt en oproept tot waakzaamheid. Fysiologisch leidt het tot de afgifte van op z’n minst adrenaline, maar mogelijk ook cortisol. En wat is een belangrijk effect van cortisol? Een lage spiegel van oxytocine, want die twee werken antagonistisch: ze kunnen niet allebei hoog zijn. En wat is een belangrijk effect van een lage spiegel van oxytocine? In ieder geval dat je niet meer met een extatisch orgasme zult baren, maar zeker ook minder weeën, minder overgave, minder ontspanning. En wat is dáár het gevolg van? Een bevalling die niet vordert. En dan…? Stress, nog meer stress… en dan pijn… en dan ingrijpen… en misschien naar het ziekenhuis… en hoe moet het dan met het borstvoeden…? En waarom krijg je je baby niet aangelegd? Waarom hapt ze niet? Waarom voel je je zo waardeloos? Is dit nu zo bijzonder, bevallen? Het is meer een doffe ellende waar je doorheen moet om dat kind ter wereld te brengen. Voorlopig even niet nog een keer… Onder zulke omstandigheden lijkt sarcasme, een agressieve aanval op een persoon, toestand of uitlating ineens een stuk meer voor de hand te liggen.

De cijfers over vrouwen die op hun bevalling reageren met verschijnselen van PTSS, een posttraumatische stressstoornis, zijn schrikbarend. Claire Stramrood is erop gepromoveerd en is nu bezig met een onderzoek onder vrouwen die hun ervaring willen delen. Mooi, dat er aandacht voor is, maar wat gaan we doen om al die diep verdrietige ervaringen te voorkomen? Een baring zou een inspirerende, intens transformerende gebeurtenis moeten zijn in het leven van een vrouw, één waaruit ze kracht put die ze via haar moederschap aan haar kind kan doorgeven. Daar past geen sarcasme, dat volgens de definitie agressief van aard is, en waarin altijd een aanval op een persoon, toestand of uitlating besloten ligt. Een aanval… waarop, zo vraag ik me dan af? Op welke persoon, welke toestand, welke uitlating? Hoe kan een borstvoedingsrelatie een succes worden, als agressie (adrenaline ten top… wéér die fysiologie!) de boventoon voert? En hoe ga je het 'mislukken' ervan voor jezelf tot een goed verhaal maken?

Een moeder die baart, een moeder die net heeft gebaard of een moeder die net begint aan een borstvoedingsperiode… ze heeft een oxytocinebad nodig, een heerlijke overdosis van dit prachtige hormoon dat zulke mooie dingen tot stand brengt. Ik legde het onlangs in een consult nog weer eens uit aan een moeder. Als je net bent bevallen, is er een nieuw mensje op de wereld gekomen dat volledig van jou afhankelijk is. Het is de bedoeling dat je verliefd wordt op dat lieve kind, dat je, net als wanneer je verliefd bent op een volwassene, niks liever wilt dan de hele dag samen zijn, zodat je alles van elkaar te weten komt, dat je verdrinkt in elkaars ogen en dat de rest van de wereld nauwelijks nog lijkt te bestaan. Moeder Natuur helpt je daar via de fysiologie fantastisch bij, want oxytocine ondersteunt al die dingen. Je staat met al je poriën open om dat hummeltje in je op te nemen en te voeden. Daar zit één nadeel aan… je staat ook meer dan goed voor je is open voor negatieve dingen in je omgeving. Normaal kun je daar redelijk op filteren, maar met zo’n oxytocine-overdosis is dat moeilijk. De taak van moeders partner en andere dierbaren is dan ook om te zorgen dat moeder alles wat er aan prikkels binnenkomt, risicoloos zou moeten kunnen toelaten, oftewel: ALLE prikkels dienen bij voorkeur veilig en aangenaam te zijn en het vertrouwen van de kraamvrouw in haar moederlijke vaardigheden te ondersteunen. Negatieve kwalificaties over haar buik, haar borsten (‘uiers’...?!), haar baby… allemaal verboden. Sarcasme, agressie met een aanval op persoon, toestand of uitlating: volstrekt taboe.
Een kraamperiode die tegenvalt of aan elkaar hangt van ellende, wordt namelijk een PTSS-spook, een levensfase die je ondermijnt in plaats van ondersteunt, een baby-honeymoon die eerder het risico van een echtscheiding dan van een lang en gelukkig huwelijk in zich draagt (figuurlijk dan, hè, maar als je het letterlijk wilt opvatten, heb ik er ook niks op tegen).

Emancipatie is niet dat je wordt zoals vaak van mannen wordt verwacht dat ze zijn (hoewel het maar zeer de vraag is of die mannen daar zo bij zijn gebaat…), namelijk stoer en ‘geen mietje’ en voorbijgaand aan het zachte. De kunst voor íedere volwassene is om krachtig in het leven te staan, kwetsbaarheid te herkennen waar die zich voordoet en die vastberaden te beschermen. Daar hoort ook bij dat je loslaat wat je beschermde, als die ander of dat andere jouw bescherming niet meer nodig heeft en zichzelf tot ontwikkeling kan brengen. Bij baby’s duurt dat alleen wel even, dus maak maar niet te veel haast. Of, zoals vroedvrouw Rebekka Visser het afgelopen week noemde in haar éénregelige ‘column’: ‘Wat gebeurt er met je cake als je de oven open doet om te kijken of hij al rijst?’ Kortom: bescherm de warmte die je kind doet groeien en houd vooral de deur dicht voor mensen en boeken met sarcasme dat je agressief benadert en klein maakt.

woensdag 9 juli 2014

Hands-off meten of krachtig pletten?

Vorig jaar rond deze tijd maakte ik me grote zorgen over mijn gezondheid. Ik ken mijn lichaam aardig goed, denk ik, en ik voelde een bobbel in mijn linker borst die met de dag in omvang toenam. We hadden nog een week of twee te gaan totdat onze zomervakantie zou beginnen. We zouden voor het eerst in bijna vijfentwintig jaar weer met z’n tweeën vertrekken. Weliswaar zou onze oudste dochter na de eerste twee weken bij ons aanhaken en de derde week met ons doorbrengen, maar toch: voor het eerst weer samen weg! We keken er erg naar uit. Ik zat er dus bepaald niet op te wachten dat die kostbare weken met z’n tweeën zouden worden verpest door slecht nieuws. Maar ja… weggaan terwijl je ongerust bent en niet weet wat er aan de hand is met die borst die voor al die kinderen zo’n veilige haven was… dat is natuurlijk ook geen goed begin van een fijne vakantie.

Ik moest er dus aan geloven: onderzoek van de borst en dan afwachten wat de conclusie zou zijn en wat voor beleid de artsen zouden voorstellen. Nu ben ik niet bepaald een type dat lijdzaam afwacht wat anderen voor mij bedenken en dus bracht ik een paar intensieve dagen achter de computer door om uit te vinden wat zoal de opties waren. Ik wilde weten wat er aan de hand zou kunnen zijn en ook wat er aan te doen was. Natuurlijk is het angstigste scenario dat er borstkanker in het spel is, maar er zijn gelukkig ook minder zorgelijke diagnoses. Er zou een cyste kunnen zijn, opgezet klierweefsel of een borstontsteking en die vragen allemaal een andersoortige aanpak. Eén ding was echter duidelijk: als ik door de huisarts naar het ziekenhuis zou worden gestuurd voor onderzoek, zou men vrijwel zeker een mammogram voorstellen. Ik besteedde er in een eerder blog al eens aandacht aan. Dat dat een onaangenaam en pijnlijk onderzoek is, dat wist ik al heel lang, maar dat de methode niet zo onschuldig is als vaak wordt voorgesteld… daarover had ik in de voorbije jaren inmiddels ook het één en ander gelezen. Ik nam me dus voor om aan te sturen op een echo en dan verder te zien. Ik had dat al eens eerder bij de hand gehad en toen was het ook gelukt en dus ging ik ervan uit dat het ook nu geen al te groot probleem zou zijn. De plek die ik vorig jaar had, was echter een stuk groter en ook veel pijnlijker dan een paar jaar eerder. Het feit dat ‘ie pijnlijk was, was op zich overigens geruststellend, want kwaadaardige tumoren zijn dat meestal niet.

Tijdens mijn internetzoektocht naar informatie en door navraag bij collega’s (fijn, zo’n netwerk…!) vond ik ook informatie over het thermogram. Wanneer je daar de reguliere zorgverleners naar vraagt, zijn ze of volledig onbekend met het verschijnsel, of ze vinden het veel en veel te ‘alternatief’. (Ik blijf dat een rare term vinden, maar dat is stof voor een andere keer.)
De essentie van een thermogram is gebaseerd op fysiologie en dan heb je natuurlijk mijn geïnteresseerde aandacht, want fysiologie is wat mij betreft van waanzinnig veel gezondheidszaken de basis. Het zit als volgt. Alle processen in je lichaam zorgen ervoor dat je over de hele linie een temperatuur van zo’n 37°C hebt. Lokaal zijn er echter verschillen en daar waar zich heel actieve processen afspelen, ligt de temperatuur wat hoger, zonder dat er sprake is van koorts. Op plekken die meer aan de buitenlucht zijn blootgesteld, is de temperatuur wat lager, zonder dat er sprake is van onderkoeling. Als je gezond bent, zal je lichaam een aardig symmetrische temperatuurverdeling laten zien. Zit er ergens een ontsteking, is er iets beschadigd of wordt er nieuw weefsel aangelegd, dan geeft dat een temperatuurverhoging op die plek. Al die verschillende temperatuurzones in je lichaam kun je meten en die kunnen digitaal zichtbaar worden gemaakt met kleurverschillen. Blauw en groen zijn aan de koele kant, van geel naar oranje naar rood wordt de temperatuur hoger. Klinkt logisch, niet waar?

Daar hoeft je lijf dus niet voor aangeraakt, geprikt, bestraald of geplet te worden. Je gaat gewoon voor zo’n temperatuurgevoelige lens staan en dan word je ‘gescand’. Het apparaat meet de temperatuur van je lichaam op diverse plekken en maakt daar een plaatje van. Zaken als een ontsteking of herstel of aanleg van weefsel zijn zeer actieve processen, want er stroomt extra bloed rondom zo’n plek. Weefsel kan alleen genezen als er herstelprocessen in gang worden gezet. En een tumor kan alleen groeien wanneer er angiogenese is: aanleg van nieuwe bloedvaten. Iedereen heeft namelijk slechte cellen en als het immuunsysteem goed functioneert, worden die cellen opgeruimd. (Voor een goede celgezondheid is onder andere een goede vitamine D-status nodig, maar ook dat is een onderwerp voor een andere keer. :-)) Pas wanneer die slechte cellen de kans krijgen om te groeien (en daarvoor hebben ze voedingsstoffen nodig en dus ook bloedvaten die die voedingsstoffen aanleveren), kunnen ze gaan woekeren en het gezonde weefsel overheersen. Al die activiteit geeft een verhoogde temperatuur ter plaatse en dat kun je met een thermogram sneller zichtbaar maken dan met de meeste andere methodes. Daarna is er dan nog wel een biopt of andere diagnostiek nodig, maar dan ga je in ieder geval gericht te werk en voorkom je de onnodige en schadelijke, regelmatige blootstelling aan de hoge stralingsdoses die bij een mammogram horen, om nog maar niet te spreken over het lichamelijke ongemak, het gebrek aan respect voor het borstorgaan (welk ander orgaan kun je goed beoordelen door het stevig plat te drukken?!) en het risico van het kapot drukken van een tumor door de druk van de röntgenplaten, met mogelijke uitzaaiing als gevolg… Lees dit artikel maar eens of bekijk dit filmpje van een TED-talk over angiogenese.

Ik vond in mijn zoektocht op internet een Nederlands bedrijf dat thermogrammen maakt en ik nam contact op. Het lukte niet om op zo’n korte termijn al een thermogram te regelen en ik had bovendien het gevoel dat ik nog meer wilde weten en liever vanuit een gezonde situatie in de aspecten van het thermogram wilde duiken. De internist in mijn ziekenhuis kende het thermogram ook niet en was verder verbaasd over mijn dringende verzoek eerst de echo te maken en dan indien mogelijk het thermogram te skippen. Bij de echo kwamen (opnieuw) heel wat cystes aan het licht en op de plek van de pijn zat een duidelijke verdikking. De radioloog aspireerde vocht uit de cyste en zou dat opsturen voor onderzoek. Het consult verliep qua communicatie niet zo prettig en ik realiseerde me weer hoe gemakkelijk je in die toch intimiderende omgeving je autonomie kwijtraakt en hoe moeilijk het vaak voor moeders is om hun wensen ten aanzien van borstvoeding gerespecteerd te krijgen als de zorgverleners dit belangrijke proces niet zijn toegewijd.
Ik kreeg van de internist een recept voor antibiotica en ook daarvan ben ik geen fan, dus ik ging andermaal op zoek naar een alternatief. Ik vond dat in colloïdaal zilver en hoewel De Groene Vrouw aan dat middel later in het seizoen een pittig blog wijdde, had ik toch het gevoel dat ik de veelbeschreven resistentie tegen standaard antibiotica in ieder geval niet verder ondersteunde. Daarnaast pakte ik gedurende een aantal nachten de zieke borst in met een pakking van groene leem. Deze combinatie leek voor mij goed te werken, want de pijn zakte af en in de week tot aan het vervolgconsult bij de radioloog en de internist werd de harde plek merkbaar kleiner.

De uitslag van de punctie leverde geen zorgelijke resultaten op: het was waarschijnlijk een vorm van borstontsteking en er was verder geen aanleiding tot onrust. Die uitslag kwam op vrijdag en de zaterdag erna gingen we opgelucht, gerustgesteld en dankbaar op vakantie en we genoten met volle teugen, ons bewust van het grote belang van een goede gezondheid.

Onlangs heb ik vanuit mijn nieuwsgierigheid de thermogram-draad toch weer opgepakt en mij (letterlijk :-)) blootgesteld aan een camera die mijn temperatuurverdeling in beeld bracht. Dat leverde mooie plaatjes op, plus de uitspraak van de beoordelende arts (in Amerika) dat er op dit moment geen bijzonderheden zijn en dat het een goed idee is om over een tijdje nog eens een thermogram te laten maken. De eerste is dan als het ware de nulmeting en de volgende laat zien of er in de tussenliggende periode wat is veranderd. Op dit moment wordt zo’n thermogram echter nog niet vergoed door de zorgverzekeraar, dus ik wil er nog even over nadenken wanneer ik hieraan een vervolg wil geven. Ik hik wat aan tegen het commerciële karakter van de methode op dit moment en tegelijkertijd realiseer ik me dat het een nieuw iets is en dat introductie in het reguliere systeem tijd nodig heeft. Er zijn natuurlijk grote financiële belangen gemoeid met de hele mammogram-cultuur. Degenen die aan die mammogrammen verdienen en geld hebben gestoken in de apparatuur, evenals degenen die hun reputatie aan deze methode hebben verbonden en die al jarenlang te vuur en te zwaard verdedigen, zullen hun positie niet zonder slag of stoot opgeven. Bovendien vergt het de erkenning dat er substantiële risico’s aan een mammogram zijn verbonden en gezien de vele promotie die ervoor wordt gemaakt, ook door de overheid, en gezien de heftige emoties die met het onderwerp gepaard gaan, zal het niet eenvoudig zijn om de reguliere zorg van het jaarlijkse of tweejaarlijkse mammogram te laten afstappen en er iets heel anders voor in de plaats te stellen.

Mocht je geïnteresseerd zijn, dan kun je binnenkort in het noorden van het land zelf aanwezig zijn bij een voorlichtingsavond over deze diagnostische methode en je kunt eventueel ook een afspraak plannen om zelf een thermogram te laten maken. Hier vind je de informatie voor de gratis informatieavond in onder andere Assen. En voor de duidelijkheid: ik heb geen aandelen in dit bedrijf, krijg geen commissie en heb nog niet alles tot op de bodem uitgezocht. Maar zoals gezegd: ik houd van fysiologie en een thermogram sluit daar een heel stuk beter bij aan dan een mammogram. Op naar een in de zorg geïntegreerd ‘alternatief’ voor het mammogram!

dinsdag 6 mei 2014

Toch weer de tongriem, deel 2

Afgelopen week schreef ik over tongriemproblemen en maakte ik een begin met de bespreking van het boek van Alison Hazelbaker over dit onderwerp. Vandaag wil ik daar graag nog wat meer over zeggen.

De volledige titel van het boek is ‘Tongue-Tie; Morphogenesis, Impact, Assessment and Treatment’ en dat is inderdaad waarover het boek gaat. Alison is ervaringsdeskundige en heeft op haar 42e haar tongriem laten knippen, zo vertelt ze in het boek. Ze zegt dat als ze had geweten hoeveel beperking de korte tongriem haar haar hele leven heeft bezorgd, ze veel eerder had laten knippen. Ze wijst daar ook diverse keren op: wie geen te korte tongriem heeft, heeft geen idee hoezeer die van invloed is op allerlei lichaamsfuncties en op hoe de beweeglijkheid van de mond en de nek worden ervaren.
Dat deze persoonlijke ervaring, aangevuld met twee zonen en een kleinkind met een te korte tongriem, de drijfveer is achter de totstandkoming van het boek, proef je heel duidelijk. Het boek is met vuur en passie geschreven en met een diepgaande betrokkenheid bij het onderwerp. Ik vind dat prachtig; ik houd van zulke gedreven literatuur. De klasse van Alison zit erin dat ze, anders dan je bij ervaringsdeskundigen soms merkt, haar persoonlijke emotie is ontstegen. De drive zit erin, maar het is geen klagend getuigenverslag. Het is wetenschap van hoog niveau, deskundigheid om een puntje aan te zuigen… als je dat kunt, met je beweeglijke tong! :-)

Na het voorwoord van Catherine Watson Genna, een andere aanstekelijke, inspirerende deskundige, volgt de inleiding door Alison zelf. Ze vertelt over het pionierswerk dat gepaard ging met het laten knippen van haar tongriem, hoe ze daarna beter kon praten, slapen en slikken, hoe het klemmen van de kaken verdween, net als de hoofdpijn en de spanning op de borst en in de nek, en hoe de gezondheid van haar gebit en tandvlees verbeterde.
Toch is er ook in de 21e eeuw nog veel weerstand tegen tijdige behandeling van tongue-tie en dus moest haar boek er komen. De weerstand is namelijk van zodanige aard dat lactatiekundigen soms moeten vrezen voor hun baan als ze cliënten wetenschappelijk onderbouwde informatie aanreiken die strijdig is met de overtuigingen van de arts die de cliënt behandelt. Nu kan ik als zzp-er door niemand worden ontslagen, maar de weerstand ken ik helaas. Alison verklaart die weerstand: “Unfortunately, public knowledge lags behind the research.” (pag. 6) Het valt niet mee om die achterstand vlot weg te werken en dus moeten we soms ‘leuren’ met cliënten om een bereidwillige zorgverlener te vinden. Immers: “Despite the old-fashioned unspoken (and sometimes spoken) rule that patients should do whatever their doctor tells them we now know that being well-informed and willing to choose a physician who is both well-educated and supportive is a patient’s right.” (pag. 7) Daar houd ik van, van dat soort aanmoedigingen om de autonomie van de cliënt overeind te houden!

Hoofdstuk 1 gaat over de vraag hoe we tot een goede definitie kunnen komen, zodat iedereen weet waarover het gaat en daarover geen onduidelijkheid meer bestaat. Daarbij is de functie van de tong belangrijker dan het uiterlijk: “We are primarily concerned with how tongue-tie impairs normal physiology; therefore, our definition must be primarily one of function rather than appearance.” Functie, dus: dat is waar het vooral om gaat, de functie van de tong, zeker ook bij borstvoeding. Daarvoor moet een zorgprofessional een kindje goed onderzoeken. Alleen maar kijken of de tongpunt vastzit of niet, is dus een volstrekt ontoereikend assessment van de situatie.

Hoofdstuk 2 en 3 behandelen de embryology (hoe zich de tong in de baarmoeder ontwikkelt) en de coördinatie van zuigen-slikken-ademhalen (met een beschrijving van de spieren en de zenuwen die daarbij van belang zijn). Beide hoofdstukken gingen mij bij vlagen volledig boven de pet. Wát een ingewikkeld proces om van een bevruchte eicel te komen tot een kindje dat een goed functionerende tong heeft, van belang voor de overleving, want cruciaal voor de voedselinname! Natuurlijk was niet alles abracadabra en zelfs als je van deze hoofdstukken alleen maar zou onthouden hoe complex de aanleg van de tongfunctie is, weet je in feite al genoeg om in ieder geval nóóit meer te zeggen dat de mobiliteit van de tong er bij borstvoeding niet toe doet en bij beperking geen enkel probleem oplevert! Lees deze hoofdstukken en je weet dat de ontkenning van tongriemproblematiek klinkklare onzin is.
De simpelste vorm van tongue-tie, type 1, ook wel anterior tongue-tie genoemd

Op pagina 49 schrijft Alison: “Understanding what a newborn can and should do at breast or on a bottle serves as a foundation for picking up on feeding abnormalities due to tongue-tie.” Daar begint dus je kundigheid als zorgverlener, bij de kennis over wat een baby met de tong moet kunnen. Daar komt veel bij kijken, want daarop is ook de ontwikkeling van de kaken en de keelholte van invloed. Het strottenhoofd, betrokken bij ademhaling, bescherming van de luchtpijp en bij het produceren van geluid, is eveneens een belangrijk onderdeel van het geheel. Omdat alle spieren en zenuwen de diverse organen op de juiste manier moeten aansturen en ook zelf op de juiste manier moeten worden aangestuurd, is het bovendien van belang dat de schedelplaten ten opzichte van elkaar niet te veel zijn verschoven of in het gedrang zijn gekomen tijdens de baring, want dat kan ook een flinke beknelling van wervels, zenuwen en spieren veroorzaken. Met de vele kunstverlossingen die er tegenwoordig zijn, is dat een punt van zorg. Denk aan wat er bij een keizersnede gebeurt: het hoofdje komt als eerst naar buiten en wordt vaak uit de baarmoeder gemanoeuvreerd. Daarbij is sprake van opwaartse krachten, tractie in de richting voeten-schedel. Wanneer een kind normaal wordt geboren, vaginaal en ongemedicaliseerd, is er sprake van druk op het hoofd in de richting schedel-voeten; dat is een heel ander proces.

Wat er in de maanden in de baarmoeder is gebeurd, is belangrijk voor de effectiviteit van het zuigen en slikken: “The suck-swallow-breathe sequence is a developmental reflex [which] includes both voluntary and involuntary components, and is a complex set of individual movements and responses of various structures that eventually link during the fetal period to form a schema or programmed response.” (pag. 57) Als de tong al die maanden al niet effectief heeft kunnen bewegen, is het niet verwonderlijk dat er na de geboorte tijd nodig is om het zuigen te ‘herprogrammeren’, zelfs als de tongriem snel wordt geknipt, maar helemaal als daar meer tijd overheen gaat.
Slide uit de presentatie van Alison Hazelbaker op het GOLD Lactation 2014-congres
Hoofdstuk 4 behandelt de invloed van tongue-tie op de borstvoedingsrelatie: “The growing popularity of bottle-feeding in our culture during the first two-thirds of the 20th century created amnesia regarding the tongue’s role in infant feeding.” (pag. 70) Daarmee is echter niet alles zomaar opgelost: “If babies can’t feed well at breast, they also won’t feed well on a bottle – despite the popular, yet mythical, notion that bottle-feeding corrects all manner of sucking problems.” (pag. 75)
Kortom: ook als een kind niet aan de borst is of gaat, moet er wat gebeuren aan een korte tongriem, want er komen allerlei andere problemen uit voort die met de fles niet kunnen worden opgelost: “(…) tongue-tied babies more easily gag, cough, choke and sputter, and are at risk for micro-aspiration (…) become fussy at breast; they pull off frequently, become fretful, wave their legs and arms about, fist, flare their nostrils, and cannot calm. Some tongue-tied babies experience so much feeding stress that they refuse the breast altogether.” (pag. 76) Dat is niet niks! Dat is een heel scala aan symptomen van onrust aan de borst. Alison zegt daarom: “Correcting the tongue-tie as soon as possible remains the best clinical strategy if simple management fails to improve the situation quickly.” (pag. 78) Ook voor de lange termijn en de melkproductie is dat van belang: “The infant drives the breastfeeding system via efficiënt milk removal. The system receives support in the First weeks from high endocrine levels, but, ultimately, how much milk the baby removes determines how much milk the mother makes. Despite its fundamental importance, this fact seems to elude many clinicians.” (pag. 79)
Opnieuw legt de schrijfster dus grote nadruk op een grondige kennis van de normale fysiologie, van het proces van borstvoeding geven, van melk innemen en melk maken. Als daar wat mis gaat, gaan ook de tepels kapot, met alle ellende van dien zoals “nerve inflammation, neuralgia of the breast [and] slowness of nipple and breast healing following frenotomy; (…).”

En nogmaals, want het mag wel wat meer gezegd worden: “Preserving breastfeeding and the mother’s comfort during breastfeeding takes precedence over many concerns – especially those that are ignorance-based or politically motivated.” Hoera, voor deze wetenschapper/zorgverlener die moeder en kind centraal stelt in haar aanbevelingen en positie durft te kiezen!
(Volgende week verder, want we hebben nog een paar hoofdstukken te gaan.)

woensdag 19 februari 2014

Positief Opvoeden Drenthe, deel 7

Baby’s en slapen… Ouders met baby’s en slapen… het is en blijft een hot topic in de wereld van opvoeding en ouderschapsadviezen. Afgelopen zaterdag heb ik daar al het één en ander over gezegd in mijn blog en vandaag pak ik één van de folders erbij die door Positief Opvoeden Drenthe zijn uitgegeven over dit onderwerp. De titel is ‘Slaap kindje slaap’ met als ondertitel ‘Lekker slapen bij baby’s’. Hé… nu ik naar die ondertitel kijk, moet ik eigenlijk wel glimlachen… ‘slapen bij baby’s’… dat is een goed idee! Eens kijken of de strekking van de folder daadwerkelijk een aanbeveling is om lekker bij je baby te slapen. Ik heb zo’n idee dat we bedrogen gaan uitkomen…

De meeste kinderen zijn nog maar net geboren of ze vallen alweer in slaap. Het is een belangrijk onderdeel in hun jonge leventje en als ouder wil je niets liever dan je kindje lekker te laten slapen. Daarvoor is het belangrijk dat je baby een vast slaapritme ontwikkelt. Makkelijk inslapen, ’s nachts verder slapen na het wakker worden, het is het eerste leerproces in een mensenleven. Deze folder helpt je bij het ontwikkelen van dat slaapritme en zorgt ervoor dat je zoveel mogelijk kunt genieten van je baby, ondanks dat jouw slaapritme ook verandert.

Wel, het begint weer gezellig, met een opeenstapeling van misvattingen, mag ik wel zeggen.
Willen ouders niets liever dan dat kun kind lekker slaapt? Of willen ouders dat hun kind zich prettig voelt bij alle activiteiten, waarvan slapen er één is?
Wie zegt (en toont aan!) dat het ontwikkelen van een vast slaapritme heel belangrijk is in de vroege levensfase? En voor wie is dat belangrijk… voor de baby of voor het dag- en nachtritme van de ouders, dat door de komst van de baby liefst niet verstoord moet raken?
Inslapen en ‘doorslapen’ zijn NIET, ik herhaal NIET de eerste leerprocessen in het leven. Het eerste leerproces van een baby om te overleven is het maken van sociaal contact met de primaire verzorgers en vervolgens het leren drinken aan de borst. Inslapen is überhaupt geen leerproces; inslapen is iets wat gebeurt als een baby moe is en zich veilig voelt. Ook ’s nachts verder slapen na wakker worden gaat vanzelf als een kind zich gekoesterd en geborgen weet.

Baby’s zijn net volwassenen.
Dit is een denkfout. Baby’s zijn volwaardige mensjes en ze kennen emoties die inderdaad een zelfde soort uitwerking op hen hebben als die emoties hebben op een volwassene (zoals angst, geluk en tevredenheid). Met hun onrijpe brein zijn ze echter bepaald niet vergelijkbaar met een volwassene. Het cruciale feit dat het cognitieve deel van het brein nog lang en lang niet is volgroeid, maakt dat baby’s een wezenlijk andere behoefte hebben aan troost en bevestiging van hun veiligheid dan grotere kinderen en volwassenen. Ze zijn nog niet tot zelfregulatie in staat en hebben dus de coregulatie van een groter lichaam nodig. Dit heeft grote consequenties voor hoe we ze verzorgen en wat we ze bieden ten aanzien van hun slaap.
Geconstateerd wordt in de folder dat kinderen heel verschillend zijn. Het is dan ook moeilijk om hier richtlijnen voor te geven. Zo is dat, dus laten we dat dan ook maar niet doen.
Ieder kind heeft zijn eigen leerproces, maar ze hebben allemaal wel hetzelfde doel: langer slapen ’s nachts, en minder overdag.
Dit is helemaal geen doel; het is misschien het doel van de ouders (of van de schrijvers van deze folder), maar het is niet het doel van het kind. Dit is gewoon wat er gebeurt, als een kind de kans krijgt zich overeenkomstig het normale patroon te ontwikkelen; het is geen doel.

Vanaf drie maanden zien we steeds meer baby’s zes uur achter elkaar doorslapen en rond een half jaar slapen de meeste baby’s de hele nacht door.
Gewoontegetrouw stel ik de definitievraag: wat is ‘de hele nacht’ en wat is ‘doorslapen’? Vrijwel geen volwassene ‘slaapt de hele nacht door’. Of is de definitie: ‘gedraagt zich zodanig dat de ouders er niet door gestoord worden’?
Dan een bijzondere tussenkop op pagina 03, ook al is al gesteld dat je voor het slapen geen richtlijnen kunt geven:
Lekker slapen doe je zo
Er lijkt dus een truc te zijn die je kunt toepassen.

Je wilt genieten van je kind. En genieten doe je het meest als jezelf ook uitgerust bent.
(De spelfout is niet van mij.)
Ik krijg de kriebels van dit soort formuleringen: een kind is geen gadget dat jou vermaak biedt. Daarnaast proef ik polarisatie in deze zin, een ‘jij vs. ik’-sfeer. Waarom staat hier niet iets als: “Om goed te functioneren en om de onderlinge communicatie gedurende de dag prettig en geduldig te laten verlopen, heb je allemaal je rust nodig.”
Genieten van je kind doe je het meest als jezelf ook blijft genieten van het leven. Neem daar dus gewoon de tijd voor.
Blijkbaar is ‘genieten van het leven’ gedefinieerd als ‘dingen zonder je baby doen’.

Pagina 04:
Je kindje slaapt het lekkerst op zijn rug en op een stevig matras.
Kan dat worden onderbouwd? Is dat aan baby’s gevraagd?

Bij jou in bed laten slapen, heeft een aantal nadelen. Je baby kan onder het dekbed terecht komen, tussen jullie in bekneld raken, en er is een grotere kans op wiegendood. Verder slapen kinderen onrustiger bij hun ouders in bed en loop je de kans dat je baby na verloop van tijd niet meer terug in de eigen wieg wil.

Tsja… waar zal ik beginnen?

In de eerste paar maanden na de geboorte is het goed om regelmaat aan te brengen in de eet- en slaaptijden.
Weer: wie zegt dat, dat dat belangrijk is? En vanaf welk moment gaan we baby’s in dat ritme persen?
Pagina 05: Na het wakker worden de voeding, spelen en rondkijken, en vervolgens weer op bed leggen bij de eerste tekenen van vermoeidheid. Zo leert je baby dat hij wakker op bed wordt gelegd en zelf in slaap moet vallen.
Wakker in bed leggen… dat is in veel methodes helemaal ‘in’ tegenwoordig. Dus als je van de voeding bij mama aan de borst heerlijk bedwelmd bent geraakt, moet je eerst weer wakker worden? Je mag niet in haar armen of aan haar borst verder slapen? Je *moet* in je eigen bed? En als iedereen het nou heerlijk vindt, al die lichamelijke nabijheid… wat zijn dan de goed onderbouwde bezwaren?
En dat ‘zelf in slaap vallen’, dat is ook zo wat… je valt toch altijd zelf in slaap? Dat kun je niet uitbesteden!

Je baby gaat langer slapen en je kunt na verloop van tijd de nachtvoeding afbouwen. Houd dit ritme vast en probeer te voorkomen dat de slaaptijden van je baby worden verstoord.
Na verloop van hoeveel tijd? Het is heel normaal als een baby nog lange tijd, tot een jaar of anderhalf of langer zelfs, ’s nachts wat bevestiging nodig heeft. Borstvoeding kan die prachtig en snel bieden.
Hoe de fysiologie van voeden, veiligheidsbeleving en slaap in elkaar zit… daarover ontbreekt behoorlijk wat kennis, zo laat de volgende alinea op pagina 05 zien:
Veel ouders wiegen hun kindje in slaap en leggen hem dan in bed. Dat klinkt vertederend, maar kun je beter niet doen. Is je kindje erg overstuur of huilerig, dan kun je een beetje wiegen of schommelen om het in slaap vallen makkelijker te maken. Maar in slaap vallen is in principe iets dat hij zelf moet leren. Leg hem daarom het liefst wakker in bed, en verlaat de kamer. Valt je baby in slaap tijdens het voeden, ga dan niet door maar leg je kindje op bed. Als dit vaker gebeurt, vervroeg dan de eettijden om in slaap vallen te voorkomen.

Ook op pagina 06 staat nog allerlei droevigs, maar mijn blog is alweer aardig lang, dus nog even naar pagina 07 en 08.

Na zijn voeding gaat hij meestal weer rustig slapen. Zo niet, dan kun jij of je partner hem een beetje wiegen, een speentje geven, hem strelen of zachtjes tegen ‘m praten om hem kalm te krijgen.
Waarom wordt hier niet geopperd om nog weer of gewoon wat langer te voeden? Dát biedt een baby wat hij nodig heeft: voeding, warmte, troost, veiligheid. Een speen is daarvoor een inferieur alternatief en kan in de vroege fase de borstvoeding verstoren. Bovendien kosten al deze technieken vaak veel meer energie en tijd van de ouders; die moesten toch zorgen zelf zo goed mogelijk uitgerust te zijn…?

Bij de tips:
Probeer je kindje altijd wakker in bed te leggen en voorkom dat hij in jouw aanwezigheid in slaap valt.
(…) Ga daarom ook nooit te snel naar je kindje toe als hij ‘s nachts wakker wordt, maar geef hem even de ruimte om zelf weer in slaap te vallen.
Betekent dit dat je een baby moet laten huilen…? Ik kan het niet opmaken uit de tekst en vind er ook geen waarschuwing in tégen laten huilen.

Tot slot, op pagina 08:
Het is van belang dat ze dit [zelf in slaap vallen] zelf aanleren. Na drie tot zes maanden is de nachtvoeding niet echt meer nodig en kun je ermee stoppen. Je kindje kan nog wel wakker worden, maar hij wil dan eerder aandacht dan voeding. Het is dan aan jou om te beslissen wat je doet. Ga je nog even door met de nachtvoeding of niet.
Dit klinkt mij niet in de oren als een warm pleidooi voor borstvoeding in de nacht, terwijl dat ook de aandacht en troost geeft die je kind nodig heeft.

De sfeer van de folder is andermaal dat je ervoor moet zorgen dat je kind je zo snel mogelijk niet meer nodig heeft en zich behoorlijk gedraagt, want anders roep je allerlei ellende over jezelf af.
Lees dit eens en luister ook naar wat Darcia Narvaez te zeggen heeft over de zorg voor baby’s (vooral 2.50-3.52 minuten), ook in de nacht. Of doet wetenschappelijk inzicht er niet toe en is de behavioristische visie leidend…?

woensdag 12 februari 2014

Positief Opvoeden Drenthe, deel 6

In vrijwel alle culturen ter wereld neemt samen eten een belangrijke plaats in in het sociale leven. Het is onderdeel van rituelen, van inwijdingen, van memorabele momenten, van het welkom heten van gasten en nieuwe leden van de leefgemeenschap.
Tegelijkertijd weten we dat eten ook een uitlaatklep voor emoties kan zijn. Het zogenaamde ‘emotie-eten’ (eten om bepaalde onaangename gevoelens de kop in te drukken) kan volledig uit de hand lopen en tot allerlei ongezonde gevolgen leiden, zowel lichamelijk als geestelijk. En natuurlijk is het ook vaak zo dat deze vorm van eten een ongezonde geestelijke toestand als oorzaak heeft. Hoe zorgen we er nu voor dat eten van jongs af aan een gezond en sociaal karakter heeft, dat kinderen zich niet overeten en niet ondervoeden?

Wel, het zal geen verbazing wekken als ik zeg dat borstvoeding (dus voeden aan de borst) daarvoor de normale start is. De moeder biedt voeding en de baby neemt wat ze nodig heeft en stopt als ze genoeg heeft gehad. De baby weet dat ze weer mag drinken als de honger opduikt en dat er genoeg voeding voor haar is. Ze hoeft niet te wachten tot de klok een bepaalde tijd aangeeft, want mama is beschikbaar en weet dat de fysiologie van haar baby geen lange wachttijden toestaat.
Naarmate de baby groter wordt, komt er, zo vanaf een half jaar, ook vaste voeding op het menu. Deel uitmaken van de gezinsmomenten aan tafel is tegen die tijd waarschijnlijk allang gewoonte geworden, want de meeste baby’s willen graag aan de borst als de rest van het gezin gezellig zit te eten. Die aangeboren neiging om prosociaal gedrag te vertonen zit in ieder kind. Antisociaal gedrag dient immers de overleving niet, dus waarom zou een kind de boel verstieren? En als iedereen lief voor je is en je je plekje in de sociale kring gunt… waarom zou je dan rottig doen?

Wanneer we dit alles als uitgangspunt nemen, roept de folder ‘Gezellig samen eten’ (ondertitel: Genieten van het eten en genieten van elkaar’) heel wat vraagtekens op.
Op pagina 02 lezen we: Samen eten is het gezinsmoment bij uitstek. Genieten van het eten en genieten van elkaar. Maar een kind aan tafel die niet wil eten of vervelend is, maakt het een stuk minder gezellig.(…) Met deze folder leer je het jouw peuter of kleuter ook, en breng je de goede sfeer aan tafel weer terug.
(De taalfout is niet van mij.)
De inleiding van de folder neemt, zo lijkt het, alvast een voorschot op de verwachting dat je kind de stemming zal bederven. Het startpunt van de folder is dus dat het niet gezellig is aan tafel. Is dat ‘positief’ opvoeden…?

Na een jaar beginnen de meeste peuters met hun handen te eten en leren ze om een lepel vast te houden.
Het gezonde advies is om een kind tot en met zes maanden uitsluitend borstvoeding te geven en vanaf dan met vaste voeding te starten. De methode die daarvoor optimaal de zintuigen van het kind prikkelt en het kind regie geeft over zijn eigen voedingsgedrag, zonder dwang, is de Kleintjes-methode. De baby doet mee met de rest van het gezin, omdat ze van nature geneigd is de anderen na te doen. Dat is natuurlijk gedrag, net als ademhalen en om zich heen kijken. Wordt een kind daarvoor telkens geprezen (Prijs hem als hij het proeft.), dan ontstaat bij haar de indruk dat ze iets heel bijzonders doet. Eten verliest daarmee een deel van het ongedwongen karakter en dat is een hellend vlak.

Kinderen in de (fysieke en mentale) groei kunnen hun eigen honger niet altijd helemaal goed inschatten en bovendien varieert die honger nogal eens, afhankelijk van de geleverde inspanningen en opgedane ervaringen.
Pagina 03 zegt: Geef je peuter niet meer dan hij op kan, en laat hem geen grote hoeveelheden melk of vruchtensap drinken bij het eten. Even daarvoor is echter ook gesteld dat 20 tot 25 minuten lang genoeg [is] om zijn bord leeg te eten.
Dit maakt het wel wat lastig, want het veronderstelt dat jij als ouder wel altijd weet hoeveel honger je kind heeft. Jij bent immers degene die de hoeveelheid bepaalt en óók degene die zegt dat het bord leeg moet. We kennen dat vast allemaal wel, dat je ergens te gast bent en dat je niet zelf mag opscheppen, maar dat de gastheer of gastvrouw dat voor je doet. Hoe voelt dat, als je een hoeveelheid voedsel krijgt toebedeeld die je niet op kunt, gewoon omdat je normaal veel minder eet, of omdat je dit voedsel niet gewend bent? Het voelt meestal niet zo fijn, want dat idee dat het bord leeg moet, is er bij de meesten van ons stevig ingepeperd. Een klein beetje opscheppen en dan nóg een keer mogen toetasten… dat voelt een heel stuk prettiger. (Vanuit milieu-oogpunt is het een goed idee je bord niet halfvol te laten en de resten dan weg te gooien, maar vanuit gezondheidsoogpunt is het géén goed idee om meer te eten dan je nodig hebt, alleen maar omdat je bord leeg moet.)

Pagina 04: Prijs je kind als het hem lukt om eten op zijn lepel te doen, en helemaal als hij er ook nog in slaagt om het eten in zijn mond te krijgen. Ook hier geldt: oefening baart kunst en hoe vaker je hem helpt, hoe eerder hij het leert.
Het prijzen lijkt een onmisbaar onderdeel van het leren eten, zoals het ook in de andere folders een onmisbaar aspect lijkt. Het is een misverstand te denken dat prijzen de intrinsieke motivatie stimuleert en het is ook de vraag of het vele helpen het leerproces bevordert. Wat met name belangrijk is bij leerprocessen, is de kans en de ruimte die je krijgt om te oefenen en om hulp te vragen wanneer je die nodig hebt. Is het fijn om iets te leren, als iedere handeling die je verricht, met een regen aan complimenten en loftuitingen gepaard gaat…? Of voelen we ons dan vooral erg op de nek gezeten, zeker als het om normale sociale dingen gaat?

Niet willen eten, eten uitspugen of op de grond gooien, zeuren of jengelen, geef er geen aandacht aan en eet zelf gewoon rustig door. Blijft hij doorgaan, blijf hem dan negeren en wees erop voorbereid dat zijn gedrag erger wordt. Hij gaat op deze manier gewoon extra zijn best doen om je aandacht te krijgen. Eventueel kun je zijn eten weghalen. Stopt je peuter met zijn gedrag, geef hem dan zijn eten terug. Gaat hij weer rustig eten, geef hem dan alle aandacht en prijs hem voor zijn goede gedrag. Is de tijd voor de maaltijd voorbij, haal de borden dan van tafel, ook al is je kind nog niet klaar.

Tsja… ik vrees dat ik in herhaling ga vallen met mijn commentaar op deze alinea… Helaas wordt het op pagina 05 nog erger:
Gedraagt je kind zich voorbeeldig? Proeft hij voedsel dat nieuw voor hem is, eet hij met zijn lepel, blijft hij rustig zitten of eet hij zijn hele bord leeg? Prijs hem dan, lach naar hem, aai hem over zijn bol, zeg hem wat hij zo goed doet en vertel hoe trots je op hem bent.
Het kind moet, kortom, de liefde van de ouders verdienen door het gewenste gedrag te vertonen; dat is ver verwijderd van onvoorwaardelijk ouderschap.

Je kind dwingen om iets te eten dat hij niet lust, is nergens voor nodig en zorgt er ook niet voor dat hij het lekker gaat vinden. Niet doen, dus, net als in discussie gaan, dreigen met straf en maar blijven proberen om hem over te halen.
Nu wordt dreigen met straf als een slecht idee voorgesteld, maar er zijn al diverse maatregelen besproken die door een kind zeker als straf worden ervaren (zoals negeren en eten weghalen).

Pagina 06: Geef je kind een paar duidelijke regels tijdens het eten en neem ze met hem door. (…) als hij zich aan de regels houdt, beloon hem dan en geef hem complimentjes. Ook kun je hem extra belonen met een speciaal toetje wat hij lekker vindt of door iets met hem te doen wat hij ontzettend leuk vindt. Zo stimuleer je het gedrag dat je graag ziet.
Dit grote misverstand is zeer hardnekkig. Wat hier in feite gebeurt, is dat er van het eten een machtsmiddel wordt gemaakt. Deze aanpak leidt uiteindelijk alleen maar tot verliezers. Je kunt een kind immers niet dwingen te eten, maar je kunt haar wel je liefde onthouden en zo je eigen macht (van ouder en groter zijn ten opzichte van een alleszins afhankelijk mensje) misbruiken.

Pagina 07/08:
Zijn jullie klaar met eten? Ga dan even rustig zitten met je kind en vertel wat je goed of niet goed vond gaan. Heeft je kleuter zich keurig aan de regels gehouden, geef hem dan de beloning die je voor hem in petto had. Natuurlijk moet je geen beloning geven als het niet goed ging, ook al vind je dat een beetje sneu. Neem rustig door wat er niet goed ging, en zeg hem dat hij de volgende keer de beloning wel krijgt als hij doet wat je zegt. Na verloop van tijd zijn de ‘nabesprekingen’ en de beloningen niet meer nodig. Je kleuter gaat, net zoals jij vroeger, goede eetmanieren ontwikkelen en zich keurig aan de regels houden.

Wie of wat is hier nu ‘sneu’…? Dit is je reinste traumatisering: van elke maaltijd een therapeutische sessie maken en zo het sociale karakter van dat moment totaal verstoren. Zou je zelf na iedere maaltijd zo geanalyseerd, bekritiseerd en gemanipuleerd willen worden? De chantage-elementen erin, de problematisering van het eten, de intimidatie… het mag een wonder heten als een kind dat aan een dergelijk beleid wordt blootgesteld, géén eetproblemen ontwikkelt, nu of later. In mijn terminologie mag dit absoluut geen ‘positief opvoeden’ heten.

zaterdag 25 januari 2014

Gedraag je (naar je soort)!

Eerder deze week kreeg ik van een collega dit artikel toegestuurd. Er staan mooie dingen in, zoals dit: “The close contact between mother and young is a defining feature of mammals.” A defining feature… dat betekent zoveel als ‘een eigenschap die karakteristiek is voor de soort’.
“The mother’s physical presence and provision of species-typical postpartum behavior supports growth and thriving of mammalian young.” De moeder is dus dichtbij en laat gedrag zien dat bij haar soort hoort (en levert melk die bij haar soort hoort!), als gevolg waarvan de jongen groeien en gedijen.
© Anna Vanderveen

“Research in nonhuman mammals, mainly rodents, has shown that early maternal contact is accompanied by biobehavioral processes that promote physiologic and behavioral development and have an impact on the infants brain systems that manage stress and enhance social adaptation. Early maternal deprivation, on the other hand, exerts lifelong negative effects on offspring. Being
a mammal therefore implies that the brain is not fully formed at birth, and maturation of systems that enable adaptive functioning in the world are gradually acquired through close contact with an
alert, responsive mother, albeit to varying degrees across species.”
Dit zijn grote uitspraken: de biologische gedragspatronen die moeder en kind samen laten zien, zijn van invloed op de ontwikkeling van de fysiologie en het gedrag en ook op de hersensystemen die voor stressregulatie zorgen en die de sociale vorming ondersteunen. Een zoogdierbaby kan dus niet zonder haar moeder, want dat blijkt levenslange, negatieve gevolgen te hebben.

Dat is natuurlijk precies de reden waarom ik me zo druk maak over de richtlijn excessief huilen en het opvoedprogramma TripleP, dat in mijn provincie Positief Opvoeden Drenthe heet. Beide methodes doen namelijk allerlei aanbevelingen die erop gericht zijn het kind de zaken in haar eentje te laten opknappen. Ze moet zichzelf redden, moet bij huilen ‘tot zichzelf komen’ en mag niet ‘te afhankelijk’ zijn. Het zijn wonderlijke gedachtegangen en onlangs gaf ik aan iemand die mij allerlei vragen over mijn werk stelde, weer eens een paar analogieën ten beste.
Stel je voor… je hebt een kind van vier, vijf maanden en je zegt: “Nou, ik heb dit kind nu vier, vijf maanden steeds moeten dragen. Het zal tijd worden dat ze zelf gaat lopen.”
Stel je voor… je hebt een kind van zeven jaar en je zegt: “Nou, ik heb nu zeven jaar lang dit kind van eten en drinken en kleren voorzien. Het zal tijd worden dat ze het zelf regelt.”
Stel je voor… je hebt een kind van vijftien jaar en je zegt: “Nou ik heb nu vijftien jaar het schoolgeld betaald en kost en inwoning verschaft. Het zal tijd worden dat ze op zichzelf gaat wonen en in haar eigen onderhoud voorziet.”
Geen van deze scenario’s zal als realistisch worden beschouwd. De ouder die dit met klem poneert en met gretige inzet tracht te verwerkelijken en het kind bestraft als het in de gegeven opgave niet slaagt, zal vermoedelijk bij het AMK worden gemeld wegens mishandeling en geestelijke of fysieke verwaarlozing. De sociale omgeving zal er schande van spreken en er zullen maatregelen volgen. En volkomen terecht, mag ik wel zeggen.







Wat is in dezen nu het wezenlijke verschil met de ‘eisen’ die door veel zorgverleners en ouders worden gesteld aan pasgeboren baby’s die op tijd worden geboren of nog indringender… die veel te vroeg worden geboren? Waarom moeten die zelfredzaam zijn, acht of tien uur aan een stuk doorslapen, zonder borstvoeding kunnen en zichzelf kunnen vermaken, op een leeftijd waarop ze daar fysiek, psychisch en neurologisch nog niet aan toen zijn?
Zoals het onderzoek zegt (en zoals veel meer literatuur aangeeft): Being a mammal therefore implies that the brain is not fully formed at birth, and maturation of systems that enable adaptive functioning in the world are gradually acquired through close contact with an alert, responsive mother, albeit to varying degrees across species.
Niet ieder zoogdierjong heeft haar moeder even hard nodig, maar de mens is een draagzoogdier en mensenbaby’s vallen dus in de categorie waarin de jongen echt niet zonder hun moeder kunnen (ik ga er daarbij vanuit dat de baby bij de eigen moeder drinkt) en in ieder geval niet zonder volwassene die lichaamscontact en geruststelling biedt.
Dat betekent dat baby’s in een couveuse niet zo goed af zijn, in tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd: “Je kunt gerust naar huis gaan; je kind is hier in de couveuse met alle apparatuur op de beste plek.” Dat is niet het geval, hoe pijnlijk dat wellicht ook is om te horen. De beste plek is het moederlichaam (primaire hechtingsfiguur, met borsten en melk) of het partner-/vaderlichaam (secundaire hechtingsfiguur).

Ik wil in die context graag een mogelijk controversiële stellingname poneren: in je rol als ouder heb je naar je kind toe voornamelijk plichten en veel minder rechten, met name in de eerste jaren van het leven van je kind. De geboorte van zo’n afhankelijk mensje vergt donders veel van ouders. De tijden van zomaar de deur uitlopen en met niemand rekening hoeven houden, zijn voorbij. En zelfs als je thuis bent met je baby, kun je niet ongestoord van alles en nog wat doen zoals je dat gewend was. Je zult een ander ritme moeten vinden.
In extreme mate geldt dat wanneer een baby veel te vroeg wordt geboren. Het beroep van je kind op jou is dan niet minder (omdat het in het ziekenhuis ligt), maar gróter (omdat het zo ongelooflijk kwetsbaar is). Je kind leeft niet meer aan de goede kant van je buikwand (binnenin), maar aan de buitenkant. De afstand zou echter nog steeds minimaal moeten zijn, oftewel: creëer huid-op-huidcontact en geef je eigen melk, want kunstmatige zuigelingenvoeding is een risico voor je kind. Lees dit blog van collega Linda Rikkers maar eens voor een aantal ontluisterende praktijken.
Het belang van die non-stop beschikbaarheid van primaire en secundaire hechtingsfiguren, het belang van borstvoeding, het belang van een autonome aanpak door de ouders die zich niet laten vangen in de protocollen van het ziekenhuis, maar in het belang van hun kind de grenzen opzoeken en verleggen… ze vormen samen vaak geen gemakkelijke weg. De boodschap van ‘Koester je kleintje’ roept soms dan ook verzet op, zoals onderstaand citaat laat zien:
Er staan ook dingen in die me tegen de borst stuiten. Niet alleen over borstvoeding (ik ben het absoluut met je eens dat borstvoeding de eerste keus is voor elke pasgeborene, maar het is niet de enige mogelijkheid. Ik ben van mening dat je een ouder ook moet steunen als het kind flesvoeding krijgt: als er geen borstvoeding is of als je het niet kunt opbrengen om te kolven, is er gelukkig een alternatief: flesvoeding. Donormelk is ook niet altijd het juiste alternatief: een baby van 30 (zwangerschaps)weken verdraagt misschien de melk van een moeder van een kindje van een half jaar helemaal niet: moedermelk past zich immers aan aan de behoefte van het kind? Dat staat tenminste ook in je boek: ”Moedermelk is dynamisch, want je lichaam maakt het aan voor precies jouw baby in precies die fase van haar ontwikkeling.”  Daarnaast denk ik niet dat kunstvoeding risicovol is, het is natuurlijk wél dat moedermelk bescherming biedt en dat een kind immuniteit kan opbouwen door het drinken van moedermelk en die beschermende stoffen mist een kunstgevoed kind. Maar dat wil niet zeggen dat er in de kunstvoeding risicovolle stoffen zitten.
Ik zal je een ander voorbeeld geven. Op pagina 24 staat dat je je kind tenminste een uur op de borst moet houden, dat het mondje niet mag worden uitgezogen… Prachtig, een ideaal. Maar bij (extreem) prematuren lang niet altijd mogelijk: hoe vaak moet een kind niet meteen worden geïntubeerd? En ja, het zou mooi zijn als dat op de borst van het de moeder zou kunnen gebeuren, maar dat is lang niet altijd mogelijk en tijd om in discussie met je arts te gaan is er niet (als je daar emotioneel gesproken al toe in staat zou zijn).

In deze hartenkreet lees en hoor ik verdriet en teleurstelling en opstandigheid, maar helaas hier en daar ook gebrek aan correcte informatie. Hopelijk kan het bovengenoemde artikel, net als ‘Koester je kleintje’, helpen om het tekort aan informatie op te heffen en misinformatie te voorkomen.
En als afsluiter wil ik jullie de slotopmerking van de onderzoekers niet onthouden:
Finally, it would be important to test whether for any human infantpremature or born at termif enhancing the mothers uninterrupted presence and full bodily contact during the neonatal period may help reduce the high levels of unregulated stress, sleep disturbances, and cognitive difficulties observed in so many of todays children.

Revolutie!

(Hoewel ‘Koester je kleintje’ primair is bedoeld voor ouders van een te vroeg geboren kind, kan ik het alle ouders en zorgverleners van harte aanbevelen voor een diepgaand begrip van de ontwikkeling van onze kinderen!)

zaterdag 11 januari 2014

De toekomst van homo sapiens

Na een pauze tijdens de kerstvakantie las ik vorig weekend het nieuwste boek van Michel Odent uit, ‘Childbirth and the Future of Homo Sapiens’. Ik vind deze man een mirakel en ben blij dat ik hem een aantal keren mocht horen spreken. Hij wordt dit jaar 84, maar als je zijn boek leest, kon hij ook 60 zijn: je proeft al zijn ervaring, maar daar overheen ligt een dikke laag enthousiasme en gretigheid waaruit een diepgaande kennis over en nieuwsgierigheid naar de fysiologie blijkt. Dat is een woord waar je in zijn boeken niet omheen kunt: FYSIOLOGIE, met dikke vette hoofdletters, en ik vind dat een verademing. Het is namelijk werkelijk om wild van te worden, al die situaties waarin wordt gesproken over goede zorg en evidence based werken en (al dan niet anti-) kwakzalverij en behandeling (waarmee vaak symptoombestrijding wordt bedoeld)… en waarin aan de fysiologie vol-le-dig voorbij wordt gegaan. Is dat nou werkelijk zo’n superingewikkeld onderwerp, fysiologie?

Okay, ik geef onmiddellijk toe dat ons lichaam indrukwekkend gecompliceerd in elkaar zit, dat we heel veel dingen nog niet of nauwelijks doorgronden en dat het totale overzicht van alle samenhangende factoren soms moeilijk in één beeld te vangen is… maar de grote lijn, de basis, de essentie… die kan een gemiddelde zorgverlener toch wel bevatten? Het is toch niet te veel gevraagd om erop te rekenen dat er in ieder geval vanuit die basis een behandelplan wordt opgesteld als er sprake is van een gezondheidsprobleem?
Nou, helaas blijkt dat heel vaak dus wel het geval: het is te veel gevraagd.
Barende vrouwen worden op hun rug gelegd.
Baby’s die huilen, worden van hun moeder afgezonderd.
Borsten die onvoldoende melk produceren, worden op een schema gezet.

Michel Odent begrijpt dat soort handelwijzen volgens mij ook niet, want hij zet in op alles wat er in het begin gebeurt. Hij laat keer op keer zien van hoe cruciaal belang die eerste levensfase is, die 'primal period': fetal life, perinatal period and year following birth.
Ik heb ‘Childbirth and the Future of Homo Sapiens’ dan ook weer met een potlood in de aanslag gelezen en heel veel passages aangestreept, net als in alle andere boeken die ik van hem heb.

Odent begint in het eerste hoofdstuk met de constatering dat de periode rondom de geboorte zowel in academische kringen als door de media meestal niet in overweging wordt genomen als verklaring voor van alles, terwijl de wetenschap inmiddels sterk van mening is dat het een kritische periode betreft in de vorming van het individu. Een belangrijke oorzaak van dat inzicht wordt gevormd door de ontwikkeling van de epigenetica als vakgebied. Transgenerationele effecten van dat wat er tijdens de ‘primal period’ gebeurt, worden steeds meer zichtbaar. De moeder geeft aan haar kind niet slechts het genetische materiaal door, maar ook het epigenetische. De omgevingsinvloeden en het moment waarop ze zich voordoen, hebben (soms grote) invloed op de karakteristieken van een mens. Die verandering verloopt dan niet via het DNA, maar via een veranderde genfunctie. De invloeden uit de omgeving hebben, simpel gezegd, als het ware de capaciteit om sommige genen ‘aan’ of ‘uit’ te zetten.

Het idee van ‘use it or lose it’ geldt ook hier: fysiologische systemen waarop geen beroep meer wordt gedaan, zullen van generatie op generatie verder degenereren en het systeem waarover Odent zich de meeste zorgen maakt, is het oxytocinesysteem. Steeds minder vrouwen baren op basis van de kracht van hun eigen hormoonsystemen, want de invloed van allerlei cocktails aan hulpstoffen (synthetische oxytocine voor de weeën, diverse vloeistoffen voor pijnbestrijding, injecties om na de baring de baarmoeder te laten samentrekken) wordt groter en groter. De kracht van het eigen oxytocine- en dopaminesysteem zou daardoor wel eens drastisch kunnen afnemen. Wanneer er vervolgens ook nog weinig borstvoeding wordt gegeven, daalt de hoeveelheid dagelijks circulerende oxytocine in de gemiddelde populatie nog verder. Dat heeft grote gevolgen voor de empathie die mensen ontwikkelen voor hun omgeving. En dat heeft dan weer zijn weerslag op de mate waarin mensen in staat zijn zich in te leven in de achtergrond en omstandigheden van de ander, om verdraagzaamheid op te brengen, hulpbereidheid aan de dag te leggen, crimineel gedrag binnen de perken te houden, sociaal gedrag de boventoon te laten voeren, discriminatie uit te bannen, uitbuiting van anderen te voorkomen door verantwoord koopgedrag op het terrein van kleding, voedsel en transport. Het is niet niks, wat er op het spel staat, en ik ben van mening dat het geenszins vergezocht is, al zal dat voor velen misschien wel zo lijken. Hij gaat er soms namelijk wel met zevenmijlslaarzen doorheen. In het op één na laatste hoofdstuk schrijft hij onder de paragraaftitel ‘Smashing barriers’ (‘Barrières kapotslaan’): Another step is to claim that the quality of our immune system should not be dissociated from other personality traits.

Daar komt dan natuurlijk wel héél krachtig het borstvoedingsverhaal in beeld, want borstvoeding krijgen is voor een mens primair een immunologische kwestie, meer haast dan van voeding. Evolutionair liggen de wortels van de lactatie namelijk ook in bescherming en niet in voeding. De alinea die volgt is zo boeiend, dat ik ‘m hier graag integraal citeer:
Today we must smash the barriers between the functions of the primitive brain structures and the functions of the immune system. For example, the activities of the immune system are dependent on the release of cortisol by the adrenal gland: it is well known that cortisol levels are under the control of the hypothalamus, a part of the primitive brain that works as an endocrine gland. The ‘set point levels’ of the hypothalamus are established during critical phases of the primal period. We now know that stimulating the immune system sends a flow of information to the hypothalamus. Some antigens – substances that stimulate the immune system – can considerably increase the electrical activity of certain nerve cells of the hypothalamus. So the immune system can be seen as an actual sensory organ which gives information to the brain.

Wow! Wat een verbinding wordt daar gelegd! Dat kun je met recht een holistische aanpak noemen! En het wordt nog wilder: hij gaat door met deze lijn van denken en legt uit hoeveel gemakkelijker het voor een virus is om te muteren dan voor een organisme om daar het immuunsysteem op af te stemmen en zo’n virus adequaat te elimineren. Hij roept daarbij de SARS-epidemie in herinnering. Hij trekt dit door naar een nóg veel grotere context:
Analysing the viral threat is an elegant way of realizing the limits of our domination of nature, as a basic strategy for survival that started with the Neolithic revolution. This domination has included interferences in human physiological processes, particularly those related to sexuality, and especially the birth process. An emotionally dysregulated human being is a product of such strategies for survival. This kind of human being is unable to shift from knowledge to awareness. He is blind to the effects of his behaviour and continues to dramatically disturb ecosystems without taking into account that viruses can adapt much more easily and quickly than mammals to drastic environmental changes, particularly climatic changes. What kind of Homo can break this vicious circle?

Hij eindigt met hoofdstuk 20, dat is getiteld ‘Cultural blindness’: There is a universal lack of interest in the long-term consequences of how babies are born. (…) It is as if there are cultural forces that are pushing us to ignore the essential. (…) This lack of interest – this blindness- is cultural. It is shared by the media, the general public and even authoritative medical and scientific circles.
Hij deelt een denkbeeldig scenario met ons, over de eisen die aan een gynaecoloog of een vroedvrouw worden gesteld in de toekomst:
The basis of her plan is that to become an obstetrician or a midwife the prerequisite will be to be a mother who has a personal positive experience of unmedicated birth.
Ik voorzie hier, gezien de huidige stand van zaken, een forse overbelasting voor de paar zorgprofessionals die dan hun vak nog kunnen uitoefenen! :-)
Odent filosofeert nog wat door en besluit met het volgende:
The conclusion will be: let us get rid of the aftermath of thousands of years of beliefs and rituals and restart from the physiological perspective. Let us act as if it is not too late.
Starten vanuit het fysiologische perspectief: ik zou het er niet hartgrondiger mee eens kunnen zijn!