Op dinsdag 1 mei stond er op de Wetenschapspagina van ‘de Volkskrant’ een artikel over het gebruik van de fopspeen. Met wat ik inmiddels weet over orale anatomie hebben zulke stukken mijn gretige belangstelling. Tijdens het lezen ervan raakte ik geërgerd: wat weer een opeenstapeling van onjuiste en incomplete informatie! En wat beroerd ook, dat de redactie zo’n verhaal voor waar aanneemt! Zouden ze nog een andere deskundige hebben gevraagd, iemand die verstand heeft van wat er in de babymond gebeurt als je er met grote regelmaat iets anders in stopt dan wat er in thuis hoort om aan te zuigen… de moederborst?
Het leek erop dat er maar één persoon naar een mening was gevraagd. Nog niet zo lang geleden zei de geïnterviewde in een vergadering: “Waarom kunnen we niet gewoon zeggen ‘flesvoeding’? De term ‘kunstmatige zuigelingenvoeding’ is zo lang en het klinkt ook zo… kunstmatig!” Tsja… is dat niet net het hele probleem van het nageaapte product, dat het kunstmatig is? En hoe moeten we in dat verband een fopspeen bekijken? De essentie van de moederborst is dat die vastzit aan moeder, aan haar warme lijf, dat omhullende armen biedt en een hoofd en hart vol liefde voor dat kleine mensje dat de wereld moet leren kennen met een brein dat nog lang niet ‘af’ is.
Dat is allemaal wat veel voor een reactie op de Geachte Redactie-pagina. Daarom schreef ik het onderstaande, maar helaas heeft ‘de Volkskrant’ van plaatsing afgezien. Daarom nu alsnog mijn visie erop!
“Het moet niet gekker worden met de aanbidding van kunsttepels. Op de vraag: “Tot welke leeftijd kun je je kind een speen geven?” (Wetenschap, 1 mei) zegt Monique L’Hoir dat de definitieve grens bij de leeftijd van 1 jaar ligt, want “de mondmotoriek begint zich te ontwikkelen.” Wat een schrijnend gebrek aan kennis wordt hier tentoongespreid. De ontwikkeling van de mondmotoriek begint natuurlijk in de baarmoeder. Het duimzuigen daar is niet alleen een reflex, maar vooral broodnodige oefening voor het kind om na de geboorte effectief te kunnen voeden… aan de borst! Het artikel spreekt over een ‘speen’, maar het beschreven product heet in de volksmond ‘fopspeen’. Terecht: het (zoogdier)kind wordt gefopt met siliconen. Wat het écht zoekt, is de moederborst. Een baby vormt de borst in de mond zodanig dat de mondholte is gevuld. Dit geeft een gelijkmatige druk op kaken en gehemelte en zorgt voor een natuurlijke, gezonde vorming van die mondholte. Tevens leidt drinken aan de borst tot een gezonde ontwikkeling van alle mond-, tong- en aangezichtsspieren. Dat is de beste garantie voor goed leren spreken. Als een kind op de leeftijd van twee jaar (zoals de WHO aanbeveelt) nog geregeld een slok aan de borst drinkt, is dat een prima zaak die geen spraakproblemen geeft. Duimen en fopspenen zijn borstsubstituten. En dat de fopspeen tegen wiegendood zou beschermen… De speen valt uit de mond, zegt L’Hoir zelf en wiegendood vindt doorgaans in de vroege ochtend plaats. Borstvoeding is (evidence based!) de beste bescherming tegen SIDS.”
woensdag 9 mei 2012
dinsdag 4 oktober 2011
Autonomie
De gedachte leeft dat met het moederschap de autonomie verloren gaat. Ik hoorde een beleidsmaker voor een enorme zaal vol mensen ooit iets zeggen in de trant van: “Mensen stoppen soms met borstvoeding omdat ze hun autonomie terug willen, maar ja, die was met de bevalling toch al verdwenen.” Ik vind dit een zo volslagen respectloze benadering van het moederschap, dat ik het nauwelijks kan geloven als mensen op invloedrijke posities zulke uitspraken doen. Als er nog zo wordt gedacht, dan zijn we nog maar nauwelijks verder dan in de Middeleeuwen.
Je eigen leven vormgeven kan betekenen dat je voor een kind kiest. Dat het kind vervolgens van jou als ouder verzorging nodig heeft, is een gegeven. Dat je de verantwoordelijkheid hebt om die zorg te bieden, is een gevolg van je eigen, autonome keuze voor het krijgen van dat kind.
You can’t have it both ways: én altijd je eigen gang gaan én de leuke kanten van een kind aan je leven toevoegen zonder dat het verplichtingen geeft. Een kind is zo’n weerloos wezen; brein en fysiologie zijn voor hun ontwikkeling zo afhankelijk van wat er in de eerste jaren gebeurt. Het potentieel is enorm en dus is er ook een enorm potentieel dat kan worden verpest of kan ‘atrofiëren’ als het niet wordt aangeboord. “Use it or loose it” geldt zeker ook voor de hersenen en voor de daaraan gekoppelde fysiologie en de fijngevoelige interactie tussen die twee.

Steeds duidelijker wordt dat dat proces al in de baarmoeder begint. Vrouwen en hun partners doen er goed aan de harmonie te bevorderen en te bewaren, want je bent er niet met een genotype alleen. Het zijn al die omgevingsomstandigheden en invloeden die uiteindelijk het phenotype bepalen: de vorm waarin het organisme tot uiting komt. Het heeft werkelijk geen zin (en heeft vaak zelfs een averechts effect) om het moederschap te denigreren tot een hoedanigheid waarin je aan de nukken en grillen van een baby bent overgeleverd. Daarmee doen we kind én moeder (en partner) tekort, net als de prachtige gevolgen van een sensitief afgestemde wisselwerking.
Hoe komt het, dat we als samenleving zo ver zijn weggedreven van de neiging om ons kind (letterlijk) aan de borst te drukken? Wat is daarvan de diepere, onderliggende oorzaak?
Hoe komt het, dat vrouwen zoveel moeite hebben om in dankbaarheid de rijkdom te aanvaarden die hun lichaam hun kind kan bieden? En wat moeten we ervan denken als een beleidsmaker daarover schamper doet?
De belangen van baby’s en hun moeders op de voorgrond plaatsen zie ik als mijn missie. In veel discussies zie ik die belangen veel te ver naar de achtergrond schuiven.
Baby’s zijn de menselijke toekomst. Hun fysieke en psychische gezondheid is mede bepalend voor hoe de mensheid zich ontwikkelt. De kansen op een stabiele ontwikkeling nemen toe, als de maatschappij het belang van moederlijke, ouderlijke nabijheid erkent en faciliteert.
Borstvoeding als ‘encompassing behaviour’ (dus allesomvattend en niet slechts als voedingsmethode) is van gebalanceerd opgroeien een wezenlijk en bezielend onderdeel.
Je eigen leven vormgeven kan betekenen dat je voor een kind kiest. Dat het kind vervolgens van jou als ouder verzorging nodig heeft, is een gegeven. Dat je de verantwoordelijkheid hebt om die zorg te bieden, is een gevolg van je eigen, autonome keuze voor het krijgen van dat kind.
You can’t have it both ways: én altijd je eigen gang gaan én de leuke kanten van een kind aan je leven toevoegen zonder dat het verplichtingen geeft. Een kind is zo’n weerloos wezen; brein en fysiologie zijn voor hun ontwikkeling zo afhankelijk van wat er in de eerste jaren gebeurt. Het potentieel is enorm en dus is er ook een enorm potentieel dat kan worden verpest of kan ‘atrofiëren’ als het niet wordt aangeboord. “Use it or loose it” geldt zeker ook voor de hersenen en voor de daaraan gekoppelde fysiologie en de fijngevoelige interactie tussen die twee.

Steeds duidelijker wordt dat dat proces al in de baarmoeder begint. Vrouwen en hun partners doen er goed aan de harmonie te bevorderen en te bewaren, want je bent er niet met een genotype alleen. Het zijn al die omgevingsomstandigheden en invloeden die uiteindelijk het phenotype bepalen: de vorm waarin het organisme tot uiting komt. Het heeft werkelijk geen zin (en heeft vaak zelfs een averechts effect) om het moederschap te denigreren tot een hoedanigheid waarin je aan de nukken en grillen van een baby bent overgeleverd. Daarmee doen we kind én moeder (en partner) tekort, net als de prachtige gevolgen van een sensitief afgestemde wisselwerking.
Hoe komt het, dat we als samenleving zo ver zijn weggedreven van de neiging om ons kind (letterlijk) aan de borst te drukken? Wat is daarvan de diepere, onderliggende oorzaak?
Hoe komt het, dat vrouwen zoveel moeite hebben om in dankbaarheid de rijkdom te aanvaarden die hun lichaam hun kind kan bieden? En wat moeten we ervan denken als een beleidsmaker daarover schamper doet?
De belangen van baby’s en hun moeders op de voorgrond plaatsen zie ik als mijn missie. In veel discussies zie ik die belangen veel te ver naar de achtergrond schuiven.
Baby’s zijn de menselijke toekomst. Hun fysieke en psychische gezondheid is mede bepalend voor hoe de mensheid zich ontwikkelt. De kansen op een stabiele ontwikkeling nemen toe, als de maatschappij het belang van moederlijke, ouderlijke nabijheid erkent en faciliteert.
Borstvoeding als ‘encompassing behaviour’ (dus allesomvattend en niet slechts als voedingsmethode) is van gebalanceerd opgroeien een wezenlijk en bezielend onderdeel.
donderdag 15 september 2011
Tiet zat!
Afgelopen week kwam de film ‘Tiet zat’ uit, een woordspeling van ‘genoeg tijd’ en ‘meer dan voldoende borst beschikbaar’. De titel daagt het grote publiek uit. Dat vindt het soms een moeilijke gedachte dat borsten voor borstvoeding zijn bedoeld. Alle andere functies zijn extra, erbij bedacht, additioneel, commercieel, whatever.
Borstvoeding krijgen betekent je met heel je lijf en leden geaccepteerd en gekoesterd weten door de ander, je moeder. Je eigen lichaam(pje) voelt goed aan en dat van je moeder ook; ze worden beide omringd door positieve associaties. Alle walgelijke gevallen van kinderporno en misbruik en verkrachting gaan over non-acceptatie, over onbevredigde behoeften, over macht(smisbruik). In een liefdevolle borstvoedingsrelatie is daarvan geen sprake. Een kind leert aan de borst dat lichaamscontact prettig is. Tot rust komen bij een ander, omarmd worden, het voelen van een warme huid... allemaal aanleiding tot verhoogde oxytocinespiegels.

Oxytocine is het hormoon dat ons gericht maakt op de ander, dat onze stress verlaagt, dat ons vertrouwen geeft in de intermenselijke relatie. Het is overduidelijk dat de wereld een ernstig tekort heeft aan dat oxytocine-effect. Ik vraag me serieus af wat daarbij de rol van de teruggelopen borstvoedingscijfers is. Antropologisch onderzoek laat zien dat de meeste kinderen die vlot stoppen met de borstvoeding, een vorm van sturing ondergaan. Er worden bewust of onbewust pogingen gedaan om de borstvoeding af te bouwen en geen pogingen om die te laten doorgaan. Deze processen worden vaak sterk sociaal-cultureel bepaald.
Borstvoeding is een kwestie van jezelf als moeder geven en voor de baby een kwestie van dankbaar ontvangen wat je wordt gegeven.
Ook dit zijn aspecten die tegenwoordig erg onder druk staan; velen hebben moeite om ruimhartig van zichzelf te geven, maar ook (zonder schuldgevoel) ontvangen is voor sommigen een zware klus. “Ben ik het wel waard om te ontvangen?” “Bouw ik nu een schuld op die ik moet terugbetalen, als ik aanneem wat mij in liefde wordt geschonken?” Prangende persoonlijkheidskwesties...
Wie zelf weinig of niets heeft ontvangen, heeft het vaak moeilijker om te geven. Als aan jou niet in liefde is gegeven (tijd, aandacht, borst), kan er gemakkelijk een onbewust gevoel van ‘ik moet nog krijgen’ ontstaan. Dat creëert een diepe hunkering en een gevoel van gemis en het staat geven in de weg en zo is dan de cirkel rond.
Kortom: borstvoeding is een gecompliceerd psychologisch en sociologisch en fysiologisch en antropologisch en immunologisch verschijnsel.
Ik weet vaak werkelijk niet waar te beginnen om er een ander zicht op mogelijk te maken.
De film ‘Tiet Zat’ zet het in ieder geval weer krachtig op de kaart en dat is winst!
Borstvoeding krijgen betekent je met heel je lijf en leden geaccepteerd en gekoesterd weten door de ander, je moeder. Je eigen lichaam(pje) voelt goed aan en dat van je moeder ook; ze worden beide omringd door positieve associaties. Alle walgelijke gevallen van kinderporno en misbruik en verkrachting gaan over non-acceptatie, over onbevredigde behoeften, over macht(smisbruik). In een liefdevolle borstvoedingsrelatie is daarvan geen sprake. Een kind leert aan de borst dat lichaamscontact prettig is. Tot rust komen bij een ander, omarmd worden, het voelen van een warme huid... allemaal aanleiding tot verhoogde oxytocinespiegels.
Oxytocine is het hormoon dat ons gericht maakt op de ander, dat onze stress verlaagt, dat ons vertrouwen geeft in de intermenselijke relatie. Het is overduidelijk dat de wereld een ernstig tekort heeft aan dat oxytocine-effect. Ik vraag me serieus af wat daarbij de rol van de teruggelopen borstvoedingscijfers is. Antropologisch onderzoek laat zien dat de meeste kinderen die vlot stoppen met de borstvoeding, een vorm van sturing ondergaan. Er worden bewust of onbewust pogingen gedaan om de borstvoeding af te bouwen en geen pogingen om die te laten doorgaan. Deze processen worden vaak sterk sociaal-cultureel bepaald.
Borstvoeding is een kwestie van jezelf als moeder geven en voor de baby een kwestie van dankbaar ontvangen wat je wordt gegeven.
Ook dit zijn aspecten die tegenwoordig erg onder druk staan; velen hebben moeite om ruimhartig van zichzelf te geven, maar ook (zonder schuldgevoel) ontvangen is voor sommigen een zware klus. “Ben ik het wel waard om te ontvangen?” “Bouw ik nu een schuld op die ik moet terugbetalen, als ik aanneem wat mij in liefde wordt geschonken?” Prangende persoonlijkheidskwesties...
Wie zelf weinig of niets heeft ontvangen, heeft het vaak moeilijker om te geven. Als aan jou niet in liefde is gegeven (tijd, aandacht, borst), kan er gemakkelijk een onbewust gevoel van ‘ik moet nog krijgen’ ontstaan. Dat creëert een diepe hunkering en een gevoel van gemis en het staat geven in de weg en zo is dan de cirkel rond.
Kortom: borstvoeding is een gecompliceerd psychologisch en sociologisch en fysiologisch en antropologisch en immunologisch verschijnsel.
Ik weet vaak werkelijk niet waar te beginnen om er een ander zicht op mogelijk te maken.
De film ‘Tiet Zat’ zet het in ieder geval weer krachtig op de kaart en dat is winst!
donderdag 5 mei 2011
Hippocrates
Afgelopen week was ik samen met een collega bij de KNOV voor een afspraak. We troffen elkaar ten kantore van de verloskundigenorganisatie, een indrukwekkend pand! Het heet ‘Domus Medica’ en ik ben nog aan het nadenken over de vraag of deze Latijnse constructie grammaticaal wel correct is…
In ieder geval is het de plek waar veel medische organisaties hun ‘domus’ hebben, hun huis, hun kantoor. In de ruime hal is hoog aan het plafond de spreuk aangebracht waardoor we ons als werkers in de gezondheidszorg allemaal zouden moeten laten leiden. Sommigen beloven dat bij de aanvang van hun beroepsuitoefening, maar ook voor hen die dat niet hoeven te doen, is de belofte belangrijk.
Ik heb het over de Eed van Hippocrates. Wat speurwerk heeft uitgewezen dat er vele versies van deze eed zijn. Het ‘primum non nocere’ (ten eerste geen kwaad doen, in ieder geval geen kwaad doen), dat ik er altijd mee verbind, blijkt oorspronkelijk trouwens niet in de eed te hebben gestaan, maar past wel in de geest van de tekst.

Er zitten mooie zinnen in, die aanleiding geven tot allerlei overpeinzingen.
“Ik stel het belang van de patiënt voorop en eerbiedig zijn opvattingen.”
Als lactatiekundigen spreken we geregeld over de vraag wie bij een consult onze cliënt is… de moeder of de baby? Of horen ze zozeer bij elkaar, dat we ze ook op dit punt niet los van elkaar mogen zien? En wat te doen als de belangen van moeder en kind op het eerste gezicht lijken te botsen… wiens belang heeft dan ‘voorrang’? Moeilijke vragen…
“Ik zal aan de patiënt geen schade doen.”
Geen schade doen houdt in dat we handelingen achterwege moeten laten die risico’s in zich dragen. Dat begint meteen na de geboorte: een baby bij de moeder weghalen, is schadelijk voor meerdere aspecten in hun relatie. Ze moeten elkaar leren kennen als de oxytocinespiegels torenhoog zijn in die eerste momenten; hen scheiden verstoort dat proces. Ook immunologisch is het onwenselijk, want op de moeder wordt de baby met haar huidflora gekoloniseerd en dat is heilzaam. En verder… hartslag, ademhaling, temperatuur en borstvoeding varen natuurlijk allemaal wel bij de nabijheid.
“Ik erken de grenzen van mijn mogelijkheden.”
We hoeven niet alles alleen te doen. Er zijn altijd anderen met wie we kunnen overleggen en die op een specifiek gebied meer deskundigheid hebben dan wijzelf. Wanneer we samenwerken, kunnen we onze eigen expertise combineren met die van een ander, die, als het goed is, dezelfde Hippocratische uitgangspunten hanteert.
“Ik zal mij open en toetsbaar opstellen, en ik ken mijn verantwoordelijkheid voor de samenleving.”
Leerprocessen zijn nooit voltooid. Hoe meer je weet, hoe meer je weet wat je nog niet weet. Voortdurende bijscholing is dan ook noodzakelijk, voor alle vakgebieden. Op die manier kunnen we moeder en kind beter van dienst zijn en daarmee vullen we ook de genoemde verantwoordelijkheid al voor een deel in.
Ik kwam voor een praktische afspraak in ‘Domus Medica’, maar kreeg dit beeld met deze waardevolle aansporingen er zomaar bij!
In ieder geval is het de plek waar veel medische organisaties hun ‘domus’ hebben, hun huis, hun kantoor. In de ruime hal is hoog aan het plafond de spreuk aangebracht waardoor we ons als werkers in de gezondheidszorg allemaal zouden moeten laten leiden. Sommigen beloven dat bij de aanvang van hun beroepsuitoefening, maar ook voor hen die dat niet hoeven te doen, is de belofte belangrijk.
Ik heb het over de Eed van Hippocrates. Wat speurwerk heeft uitgewezen dat er vele versies van deze eed zijn. Het ‘primum non nocere’ (ten eerste geen kwaad doen, in ieder geval geen kwaad doen), dat ik er altijd mee verbind, blijkt oorspronkelijk trouwens niet in de eed te hebben gestaan, maar past wel in de geest van de tekst.
Er zitten mooie zinnen in, die aanleiding geven tot allerlei overpeinzingen.
“Ik stel het belang van de patiënt voorop en eerbiedig zijn opvattingen.”
Als lactatiekundigen spreken we geregeld over de vraag wie bij een consult onze cliënt is… de moeder of de baby? Of horen ze zozeer bij elkaar, dat we ze ook op dit punt niet los van elkaar mogen zien? En wat te doen als de belangen van moeder en kind op het eerste gezicht lijken te botsen… wiens belang heeft dan ‘voorrang’? Moeilijke vragen…
“Ik zal aan de patiënt geen schade doen.”
Geen schade doen houdt in dat we handelingen achterwege moeten laten die risico’s in zich dragen. Dat begint meteen na de geboorte: een baby bij de moeder weghalen, is schadelijk voor meerdere aspecten in hun relatie. Ze moeten elkaar leren kennen als de oxytocinespiegels torenhoog zijn in die eerste momenten; hen scheiden verstoort dat proces. Ook immunologisch is het onwenselijk, want op de moeder wordt de baby met haar huidflora gekoloniseerd en dat is heilzaam. En verder… hartslag, ademhaling, temperatuur en borstvoeding varen natuurlijk allemaal wel bij de nabijheid.
“Ik erken de grenzen van mijn mogelijkheden.”
We hoeven niet alles alleen te doen. Er zijn altijd anderen met wie we kunnen overleggen en die op een specifiek gebied meer deskundigheid hebben dan wijzelf. Wanneer we samenwerken, kunnen we onze eigen expertise combineren met die van een ander, die, als het goed is, dezelfde Hippocratische uitgangspunten hanteert.
“Ik zal mij open en toetsbaar opstellen, en ik ken mijn verantwoordelijkheid voor de samenleving.”
Leerprocessen zijn nooit voltooid. Hoe meer je weet, hoe meer je weet wat je nog niet weet. Voortdurende bijscholing is dan ook noodzakelijk, voor alle vakgebieden. Op die manier kunnen we moeder en kind beter van dienst zijn en daarmee vullen we ook de genoemde verantwoordelijkheid al voor een deel in.
Ik kwam voor een praktische afspraak in ‘Domus Medica’, maar kreeg dit beeld met deze waardevolle aansporingen er zomaar bij!
dinsdag 5 april 2011
De kunst afkijken
Na de geboorte van onze oudste dochter zag mijn leven er op slag volslagen anders uit. De zeeën van tijd die ik voor me had gezien in de zwangerschap, bleken verdampt. Ze huilde veel meer dan ik had verwacht en ik had al mijn energie nodig om haar behoefte aan mijn nabijheid te bevredigen.
Toen ze een paar maanden oud was, las ik een boek dat grote invloed op me zou hebben. Ik kreeg het van een vriendin van de zwangerschapsyoga, een ervaren moeder die haar derde kind kreeg, die voedde en kolfde met de vanzelfsprekendheid waarmee een mens zijn tanden poetst, die met een parttime baan hoofdkostwinner was in haar gezin en die de nachten met haar man en kinderen doorbracht in een vijfpersoons bed.
Ik volgde niet al haar voorbeelden, maar het boek, ‘Op zoek naar het verloren geluk’, zette me aan het denken. Schrijfster Jean Liedloff leefde in de zeventiger jaren van de vorige eeuw tweeënhalf jaar in de jungle van Venezuela tussen de Yequana-indianen. Haar westerse opvattingen werden door deze ervaring ondermijnd. Haar nieuwe visie had breed uitwaaierende consequenties voor hoe ze keek naar het opgroeien van baby’s en jonge kinderen.

In dit interview stelt ze fascinerende zaken aan de orde.
“Baby’s hebben vierentwintig uur per dag nabijheid nodig. Huilen betekent: stress. De baby zegt ermee: ‘Pak me op!’ Wanneer je er geen gehoor aan geeft, zal de baby denken: ‘Ik ben niet de moeite waard om antwoord te krijgen op mijn hulpvraag. Ik ben niet goed genoeg.’ Dit achtervolgt ons ons hele leven; het ondermijnt ons zelfvertrouwen en ons gevoel competent te zijn.
Baby’s hoeven niet sociaal te worden gemaakt; ze worden sociaal geboren! Ze zijn erop gericht om deel uit te maken van de groep. Ze willen graag aan het verwachtingspatroon van hun sociale omgeving voldoen. Het zelfbeeld van je kind heeft echter een sterke invloed op zijn gedrag. Wanneer je als ouders vertrouwen in je kind uitstraalt, zal hij zich krachtig voelen en uit zichzelf sociaal wenselijk gedrag vertonen. Het omgekeerde geldt ook.
Als kind zijn we erop gericht om te leren, niet om te worden onderwezen. Je leert door na te doen wat wordt gedaan, niet door te doen wat wordt gezegd. Meekijken met het dagelijks leven vanuit de armen van hen die van je houden, is daarom een fantastische leerschool. De stabiliteit van je leermeesters (je ouders, broers en zusjes, ooms en tantes) stelt je in staat in je eigen tempo je leerprocessen te doorlopen. Ouders zouden daarom niet zo veel moeten wegnemen voor hun kinderen, want dat ontneemt ze de kans om dingen te ontdekken. Laat je kind naar jou toe komen voor hulp in plaats van andersom en voedt zo zijn gevoel van autonomie.”
Dit is een greep uit het prachtige interview, dat ik van harte kan aanbevelen.
En haar boek… dat zou verplichte kost moeten zijn voor iedereen die met baby’s werkt!
Jean Liedloff, geboren in 1926, was psychotherapeute; ze is op 15 maart 2011 overleden.
Toen ze een paar maanden oud was, las ik een boek dat grote invloed op me zou hebben. Ik kreeg het van een vriendin van de zwangerschapsyoga, een ervaren moeder die haar derde kind kreeg, die voedde en kolfde met de vanzelfsprekendheid waarmee een mens zijn tanden poetst, die met een parttime baan hoofdkostwinner was in haar gezin en die de nachten met haar man en kinderen doorbracht in een vijfpersoons bed.
Ik volgde niet al haar voorbeelden, maar het boek, ‘Op zoek naar het verloren geluk’, zette me aan het denken. Schrijfster Jean Liedloff leefde in de zeventiger jaren van de vorige eeuw tweeënhalf jaar in de jungle van Venezuela tussen de Yequana-indianen. Haar westerse opvattingen werden door deze ervaring ondermijnd. Haar nieuwe visie had breed uitwaaierende consequenties voor hoe ze keek naar het opgroeien van baby’s en jonge kinderen.

In dit interview stelt ze fascinerende zaken aan de orde.
“Baby’s hebben vierentwintig uur per dag nabijheid nodig. Huilen betekent: stress. De baby zegt ermee: ‘Pak me op!’ Wanneer je er geen gehoor aan geeft, zal de baby denken: ‘Ik ben niet de moeite waard om antwoord te krijgen op mijn hulpvraag. Ik ben niet goed genoeg.’ Dit achtervolgt ons ons hele leven; het ondermijnt ons zelfvertrouwen en ons gevoel competent te zijn.
Baby’s hoeven niet sociaal te worden gemaakt; ze worden sociaal geboren! Ze zijn erop gericht om deel uit te maken van de groep. Ze willen graag aan het verwachtingspatroon van hun sociale omgeving voldoen. Het zelfbeeld van je kind heeft echter een sterke invloed op zijn gedrag. Wanneer je als ouders vertrouwen in je kind uitstraalt, zal hij zich krachtig voelen en uit zichzelf sociaal wenselijk gedrag vertonen. Het omgekeerde geldt ook.
Als kind zijn we erop gericht om te leren, niet om te worden onderwezen. Je leert door na te doen wat wordt gedaan, niet door te doen wat wordt gezegd. Meekijken met het dagelijks leven vanuit de armen van hen die van je houden, is daarom een fantastische leerschool. De stabiliteit van je leermeesters (je ouders, broers en zusjes, ooms en tantes) stelt je in staat in je eigen tempo je leerprocessen te doorlopen. Ouders zouden daarom niet zo veel moeten wegnemen voor hun kinderen, want dat ontneemt ze de kans om dingen te ontdekken. Laat je kind naar jou toe komen voor hulp in plaats van andersom en voedt zo zijn gevoel van autonomie.”
Dit is een greep uit het prachtige interview, dat ik van harte kan aanbevelen.
En haar boek… dat zou verplichte kost moeten zijn voor iedereen die met baby’s werkt!
Jean Liedloff, geboren in 1926, was psychotherapeute; ze is op 15 maart 2011 overleden.
donderdag 31 maart 2011
Wirwar
Het valt in onze tijd niet mee om je een weg te banen in de overdaad aan informatie.
Hoe kun je als leek bepalen of informatie betrouwbaar is, of je er wat aan hebt? Klopt dat wat je leest of hangt het van halve waarheden en hele leugens aan elkaar? Wie is de financier van de website waar je rondstruint voor raadgevingen? Welke belangengroepen beïnvloeden de informatie die aan het grote publiek wordt doorgegeven? Waar hangen carrières en ego’s af van het slagen van een bepaald project? Een moeilijk te analyseren wirwar…

Als je leest dat onderzoek heeft uitgewezen dat tomaten beschermen tegen kanker… en je komt er vervolgens achter dat het onderzoek is gefinancierd door een fabrikant van tomatenketchup, wat is dan de waarde van de onderzoeksconclusies?
Als iemand een onderzoek heeft geleid en dat wetenschappelijke werk wordt door vervolgstudies onderuitgehaald… hoe beoordeel je dan de poging om het eerder geformuleerde standpunt te blijven verdedigen?
Als onderzoek laat zien dat kinderen gebaat zijn bij een beperkt aantal vaste verzorgers en de maatschappij is zo ingericht dat aan die voorwaarde in de kinderopvang niet kan worden voldaan… hoe kijk je dan naar de verzuchting dat dit een valse poging is om moeders weer aan het aanrecht vast te plakken?
Kortom: onderzoek op waarde schatten is een gecompliceerde aangelegenheid. Het vergt allerlei vaardigheden. Je moet weten hoe de onderzochte groep is samengesteld en op welke manier de populatie is geworven voor de studie. Kregen mensen er geld voor? Moesten ze er iets voor doen of laten? Wie financierde het onderzoek? Had dat invloed op de keuze van deelnemers? Welke definities zijn er gehanteerd bij het beschrijven van resultaten? Hoe is er gecorrigeerd voor verstorende invloeden? Had de onderzoeker voldoende voorkennis over het onderwerp om de juiste opzet te kiezen? Als je bepaalde resultaten op de korte termijn ziet, kun je dan conclusies trekken, ook al weet je niets over de gevolgen op de lange termijn? Worden proefpersonen lang genoeg gevolgd? Of is dan het geld op, omdat de financier voornamelijk belang had bij de conclusies op de korte termijn?
Zoals gezegd: het valt niet mee, om wijs te worden uit die wirwar. Wat goed is voor de ene groep, is dat niet noodzakelijkerwijs voor de andere groep. Dat vezels goed zijn voor de volwassen darmflora, betekent niet dat je baby’s vezels moet geven, omdat hun darmen anders niet goed functioneren. Dat het goed is voor volwassenen om te lopen, betekent niet dat het slecht is voor baby’s om te worden gedragen.
Soms moet je al die kennis vergeten en bedenken: “Hoe gaat het in de natuur, als we niet ingrijpen?” Dan wordt een lammetje bijvoorbeeld zomaar geboren en staat het op een zonovergoten zondagmiddag met wiebelige pootjes met zijn snoetje tegen mama aan te duwen, op zoek naar haar tepels. De placenta glinstert in het gras. Niemand bemoeit zich ermee; moeder en kind kunnen in alle rust bijkomen en hun instincten volgen. Dat zou een mooie, beschrijvende ‘case study’ kunnen zijn!
Hoe kun je als leek bepalen of informatie betrouwbaar is, of je er wat aan hebt? Klopt dat wat je leest of hangt het van halve waarheden en hele leugens aan elkaar? Wie is de financier van de website waar je rondstruint voor raadgevingen? Welke belangengroepen beïnvloeden de informatie die aan het grote publiek wordt doorgegeven? Waar hangen carrières en ego’s af van het slagen van een bepaald project? Een moeilijk te analyseren wirwar…
Als je leest dat onderzoek heeft uitgewezen dat tomaten beschermen tegen kanker… en je komt er vervolgens achter dat het onderzoek is gefinancierd door een fabrikant van tomatenketchup, wat is dan de waarde van de onderzoeksconclusies?
Als iemand een onderzoek heeft geleid en dat wetenschappelijke werk wordt door vervolgstudies onderuitgehaald… hoe beoordeel je dan de poging om het eerder geformuleerde standpunt te blijven verdedigen?
Als onderzoek laat zien dat kinderen gebaat zijn bij een beperkt aantal vaste verzorgers en de maatschappij is zo ingericht dat aan die voorwaarde in de kinderopvang niet kan worden voldaan… hoe kijk je dan naar de verzuchting dat dit een valse poging is om moeders weer aan het aanrecht vast te plakken?
Kortom: onderzoek op waarde schatten is een gecompliceerde aangelegenheid. Het vergt allerlei vaardigheden. Je moet weten hoe de onderzochte groep is samengesteld en op welke manier de populatie is geworven voor de studie. Kregen mensen er geld voor? Moesten ze er iets voor doen of laten? Wie financierde het onderzoek? Had dat invloed op de keuze van deelnemers? Welke definities zijn er gehanteerd bij het beschrijven van resultaten? Hoe is er gecorrigeerd voor verstorende invloeden? Had de onderzoeker voldoende voorkennis over het onderwerp om de juiste opzet te kiezen? Als je bepaalde resultaten op de korte termijn ziet, kun je dan conclusies trekken, ook al weet je niets over de gevolgen op de lange termijn? Worden proefpersonen lang genoeg gevolgd? Of is dan het geld op, omdat de financier voornamelijk belang had bij de conclusies op de korte termijn?
Zoals gezegd: het valt niet mee, om wijs te worden uit die wirwar. Wat goed is voor de ene groep, is dat niet noodzakelijkerwijs voor de andere groep. Dat vezels goed zijn voor de volwassen darmflora, betekent niet dat je baby’s vezels moet geven, omdat hun darmen anders niet goed functioneren. Dat het goed is voor volwassenen om te lopen, betekent niet dat het slecht is voor baby’s om te worden gedragen.
Soms moet je al die kennis vergeten en bedenken: “Hoe gaat het in de natuur, als we niet ingrijpen?” Dan wordt een lammetje bijvoorbeeld zomaar geboren en staat het op een zonovergoten zondagmiddag met wiebelige pootjes met zijn snoetje tegen mama aan te duwen, op zoek naar haar tepels. De placenta glinstert in het gras. Niemand bemoeit zich ermee; moeder en kind kunnen in alle rust bijkomen en hun instincten volgen. Dat zou een mooie, beschrijvende ‘case study’ kunnen zijn!
dinsdag 22 maart 2011
Transitie
We maken in het leven allerlei overgangsfasen door. Een wilde greep: van borst naar vaste hap, van thuis bij mama naar peuterspeelzaal, van basisschool naar middelbare school, van eindexamen naar hoger onderwijs, van thuis wonen naar op eigen benen staan, van single naar een leven met partner. Op die laatste stap volgt vaak een fase waarmee ik als lactatiekundige te maken heb: van volwassen, zelfstandige vrouw naar de rol van moeder. Daar hoort een kleine tegenspeler bij, die eveneens een grote overgang doormaakt: een baby die van de baarmoeder naar de grote wereld gaat. Dat is niet niks, twee van die grote transities bij elkaar van twee mensen die samen in balans moeten komen, terwijl ze zelf nog niet eens hun nieuwe evenwicht hebben gevonden. Geen wonder dus, dat daarvoor intense aandacht nodig is en dat het zoeken is naar hoe en wat en wanneer. Wie kan, ondanks alle voorlichting en boeken en websites, vooraf bevroeden dat een baby écht zoveel tijd van je vraagt? Je dacht dat je met alle opgebouwde levenservaring zo’n klein mensje toch wel aan zou kunnen. Ineens versta je echter de taal van je gesprekspartner niet meer. Het dagelijks leven wordt een ‘crash course’, een survivaltocht, waarin je in hoog tempo moet zien te ontcijferen wat de ander van je wil, wat ‘ie bedoelt als ‘ie zus of zo kijkt of beweegt of pruttelt. En je minipartner is ook nog totaal van jou afhankelijk.
In de dierenwereld levert dat alles zoogdiermoeders op die, hoe vriendelijk hun karakter anders ook moge zijn, vervaarlijk agressief kunnen worden wanneer je hen en hun jongen te na komt. We kijken daar vaak met ontzag naar, hoe goed ze voor hun kroost opkomen en hoe prachtig de filmer van National Geographic dat in beeld heeft gebracht. Zo bezien is het wel merkwaardig dat wanneer mensenmoeders vergelijkbaar gedrag vertonen, ze gemakkelijk als ‘overbezorgd jong moedertje’ in de hoek worden gezet. “Gaat u maar, wij zorgen wel voor uw kindje. U moet aan uzelf denken, u hebt uw rust nodig. Er is niks aan de hand, uw kindje kan best even zonder u. U hoeft er echt niet aldoor bij te zijn. U hebt toch ook een eigen leven? U wilt u kind toch niet verwennen?”

Wat zou een leeuw inbrengen tegen deze redenering? Of een neushoorn? Of een poes? Vinden we hen ook overbezorgd? Of zeggen we in hun geval: “Het is een hele goede moeder; ze let voortdurend op haar jongen.” En een aap die haar kind alleen in een hoekje laat zitten… zeggen we dan: “Ze leert haar jong om onafhankelijk te zijn”…? Of zeggen we dan: “Ja, dat krijg je ervan, als dieren niet in het wild, maar in gevangenschap opgroeien. Dan hebben ze geen goede voorbeelden meer en weten ze niet meer hoe ze voor hun nageslacht moeten zorgen!”
Moeders die hun baby niet alleen laten en er voortdurend bij willen zijn, laten zien dat ze weten hoe het moet. Dat verdient respect en ondersteuning!
In de dierenwereld levert dat alles zoogdiermoeders op die, hoe vriendelijk hun karakter anders ook moge zijn, vervaarlijk agressief kunnen worden wanneer je hen en hun jongen te na komt. We kijken daar vaak met ontzag naar, hoe goed ze voor hun kroost opkomen en hoe prachtig de filmer van National Geographic dat in beeld heeft gebracht. Zo bezien is het wel merkwaardig dat wanneer mensenmoeders vergelijkbaar gedrag vertonen, ze gemakkelijk als ‘overbezorgd jong moedertje’ in de hoek worden gezet. “Gaat u maar, wij zorgen wel voor uw kindje. U moet aan uzelf denken, u hebt uw rust nodig. Er is niks aan de hand, uw kindje kan best even zonder u. U hoeft er echt niet aldoor bij te zijn. U hebt toch ook een eigen leven? U wilt u kind toch niet verwennen?”
Wat zou een leeuw inbrengen tegen deze redenering? Of een neushoorn? Of een poes? Vinden we hen ook overbezorgd? Of zeggen we in hun geval: “Het is een hele goede moeder; ze let voortdurend op haar jongen.” En een aap die haar kind alleen in een hoekje laat zitten… zeggen we dan: “Ze leert haar jong om onafhankelijk te zijn”…? Of zeggen we dan: “Ja, dat krijg je ervan, als dieren niet in het wild, maar in gevangenschap opgroeien. Dan hebben ze geen goede voorbeelden meer en weten ze niet meer hoe ze voor hun nageslacht moeten zorgen!”
Moeders die hun baby niet alleen laten en er voortdurend bij willen zijn, laten zien dat ze weten hoe het moet. Dat verdient respect en ondersteuning!
Labels:
jongen,
lactatiekundige,
moeder,
overgangsfase,
zoogdier
Abonneren op:
Posts (Atom)
