Posts tonen met het label cortisol. Alle posts tonen
Posts tonen met het label cortisol. Alle posts tonen

vrijdag 19 januari 2018

Verliezen... verwerken

Gisteren was een rare dag. Ik hoopte de trein van 6.27 uur te nemen naar het zuiden van het land, maar dat liep anders. Ik had in gedachten om rond 21.30 of misschien 22.30 uur weer thuis te zijn, maar vooral ook dát liep heel anders. Op de weg terug naar huis heb ik maar (weer) eens een analyse op mijzelf losgelaten om beter inzicht te krijgen in mijn eigen handelen en reacties en hoe die iets van het kind in mij zichtbaar maken in de volwassene die ik nu ben.

Er raasde een storm over Nederland gisteren. Die was wel aangekondigd en de NS zou ook met een aangepaste dienstregeling gaan rijden, maar heel dramatisch zag het er nu ook weer niet uit. Mijn trein zou gaan, advies om massaal thuis te blijven werd niet gegeven en ook ik besloot derhalve om donderdag volgens planning te vertrekken. Dat was een vroege planning: trein van 6.27 uur (de laatste voor de spits, dus de laatste waarmee ik met mijn DalVrij-treinabonnement zonder extra kosten kan reizen), dus 6.15 uur de deur uit, dus 5.30 uur op. Da’s vroeg, zeker als je eigenlijk nog aan het bijkomen bent, niet alleen van een halve week waarin je ziekig was, maar van een heel half jaar waarin er meerdere ingrijpende levensgebeurtenissen hebben plaatsgevonden die je praktisch gezien achter de rug hebt, maar emotioneel gezien nog niet allemaal hebt verwerkt.
Daar stond ik, druipend van de regen, bij de incheckpaal om 6.23 uur, blij dat ik op tijd was: rits los, hand in de jaszak… geen OV-kaart! Koortsachtig zoeken, proberen mijn brein in bedwang te houden, logisch redeneren, alle jaszakken bij langs, nadenken of ‘ie in de rugzak zit, in gedachten door de jassen en kleren thuis vliegen (misschien andere jas aan gehad?), agenda van de afgelopen dagen nagaan, vaststellen dat ik niet zonder kaart de trein in kon voor zo’n lange reis heen en weer… én vaststellen dat als ik terug naar huis zou gaan om te zoeken, ik sowieso niet meer buiten de spits kon reizen en dus de volle mep moest betalen én, vooral ook dat, te laat zou komen voor mijn oppasafspraak. (Overigens hoorde ik in de loop van de dag dat je met een abonnement drie keer per jaar je kaart mag vergeten en dat dat dan wordt verwerkt door de conducteur. Ik wist het niet.)

Daar stond ik, overvallen door een diep gevoel van falen: kaart niet meegenomen… niet kunnen bedenken waar die is… niet op tijd komen… dochter teleurstellen… er een potje van maken… niks tot stand kunnen brengen… een sukkel zijn… wéér iets verliezen.
En dáár zit het grootste knelpunt, in dat verliezen. Als kind heb ik een aantal intensieve verliezen ervaren, zowel persoonlijk als via de impact van verliezen op mijn moeder en haar effect op mij.
Ik had jarenlang een telkens terugkerende droom: ik vloog en zweefde door de ruimte en zag prachtige, zachte witte wolken. Ik genoot ervan en wilde ze aanraken en omhelzen, maar zodra ik dat deed, werden ze hard en zwart. Nu, 40 à 45 jaar later, kan ik de contouren van die zwarte vormen nog altijd voor me zien en bijna voelen. Ik kan de ervaring van die droom nog weer terughalen en bedenken hoe verdrietig ik dan altijd wakker werd, omdat al het mooie in duigen viel. Waarom keerde die droom steeds terug?

Nu ik sinds een aantal jaren beroepshalve veel meer weet over hoe het kinderbrein zich neurologisch gezien ontwikkelt onder invloed van ervaringen in de sociale omgeving, begrijp ik bepaalde dingen steeds beter. Toch was ik gisteren verrast door hoe ik reageerde, omdat ik eigenlijk dacht dat ik de laatste jaren beter in staat was geraakt om die vroege kindervaringen wat meer los te laten en ze niet meer zo te laten overheersen. Toch zitten ze blijkbaar nog heel diep in mij verankerd, ook al zijn ze minder scherp geworden en kan ik meestal goed met ze omgaan.
Jaren- en jarenlang kon ik namelijk helemaal niet tegen het verliezen van dingen. Iets kwijt zijn, iets kapot laten vallen, geld kwijtraken aan het herstellen van ‘domme fouten’ (zoals een beschadiging aan de auto of het scheuren van een kledingstuk of het vervangen van iets wat ik was verloren)… het bracht me helemaal van mijn stuk. Ik hield dagenlang zo’n knagend gevoel van ‘er is iets wat niet goed is’, en ik bleef eindeloos zoeken en alert kijken, in de zinloze hoop dat het verlorene weer zou opduiken, het beschadigde weer heel zou zijn. Het maakte van de witte wolk van zo’n voorwerp een hard en zwart verschijnsel. Het gaf me het gevoel dat wat ik aanraakte en wat me dierbaar was, verloren zou gaan, z’n schoonheid zou verliezen, mijn gevoel van veiligheid zou verscheuren. En dat lag dan niet aan de omgeving; dat lag dan aan mij. Ik kon misschien wel een spontane en pientere indruk wekken, maar als je goed keek, zou je zien dat ik niet goed op mijn spullen kon passen, dat ik ‘overal een zootje van maakte’… dat ik niet deugde.

Wie mij een beetje kent, die weet dat mijn leven helemaal geen zootje is, dat ik heel goed de boel op orde kan houden, dat ik heel hard kan werken en dat ik dan ook een zeer fraai eindproduct kan afleveren. Ik heb niet, zoals ooit bij een toets op mijn eerste basisschool werd gesteld, te weinig doorzettingsvermogen; ik heb juist een enorm uithoudingsvermogen om dingen die belangrijk zijn, af te ronden en tot een goed einde te brengen en naasten te ondersteunen waar dat nodig en haalbaar is. Ik ben trouw in oprechte vriendschappen en trouw aan werksituaties waarin ik kan bijdragen aan mooie, idealistische doelstellingen. Ik kan lachen met vrienden en vriendinnen. Ik kan intens genieten van onze kinderen (en nu zelfs al van twee kleinkinderen!) en heb mij al meer dan een kwart eeuw met lijf en leden, ziel en zaligheid ingezet voor hún ziel en zaligheid. Waar komt dan die discrepantie vandaan tussen wat ik doe en hoe dat bij vlagen soms ineens weer voelt?

Deze week las ik een prachtige tekst van mijn lieve collega Mieke Saras, die onlangs, net als ik, een presentatie hield voor het online congres iLactation. Komende week hebben we een afspraak, waarin we samen verder zullen praten over de thematiek die zij en ik behandelen, namelijk de invloed van de heel vroege levensfase op de rest van ons bestaan, op onze gezondheid, ons welzijn, onze emotionele stabiliteit. Hoe ontwikkelen we onze ‘default settings’? Waar neemt ons basale brein, de amygdala, waar de primaire overlevingsinstincten zetelen, het over van ons intellectuele brein, de neocortex, waar we zaken beheerst en rationeel overdenken om tot verantwoorde besluitvorming te komen? Daarover raken wetenschappers het steeds meer eens: stress is de cruciale factor. Als in ons jonge leven de stress hoog is, ontwikkelen we een andere neurologische structuur in onze hersenen dan wanneer we frequent baden in het liefdeshormoon oxytocine. Bij hoge adrenaline- en cortisolspiegels (die ontstaan door onze eigen ervaringen of door wat we in de puurheid van ons baby- en kindzijn overnemen van onze hechtingsfiguren) kunnen we niet goed meer logisch nadenken. Dan vallen we terug op overlevingsgedrag. Dan volgen we onze intuïtie, een concept waarover ik net vandaag een zeer interessant artikel las. Intuïtie, zegt de auteur onder andere, is het gevolg van ervaringspatronen en de passende reactie daarop.

Ik heb als kind veel stress gehad in situaties van verlies… en ik ben omgekeerd ook geregeld dingen verloren in situaties van stress. Die onveilige ervaringen zijn destijds in mijn brein gekoppeld geraakt: stress en verlies horen bij elkaar. Wat oorzaak en wat gevolg is, doet er voor mijn amygdala onder druk niet meer toe. Als het ene er is, zal het andere wel volgen, en dan het ene weer: intuïtie, een ervaringspatroon, met alle emoties die daarbij horen.
En zoals gezegd: onder stress kun je niet meer zo goed logisch nadenken; de neocortex functioneert dan niet zo goed. Zonder stress had ik kunnen bedenken waar ik niet meer op kon komen toen ik om 6.25 uur opgejaagd terugfietste naar huis. Ik had mijn OV-kaart zaterdag weliswaar keurig in mijn jas teruggestopt en de rits gesloten en ik was zondag nergens geweest, maar toen ik maandag mijn jas in een garderobe moest hangen (van een emotioneel geladen plek), had ik aanvankelijk nog helder nagedacht. Ik had mijn kostbaarheden uit de jaszakken gehaald en in mijn broekzakken gestopt. Door de emotie van plek vergat ik ze terug in de jas te doen en toen ik een paar dagen later onder stress bij de incheckpaal stond en mijn oude verlieservaringen werden getriggerd, lukte dat logisch nadenken niet meer. Ik kon de oplossing niet bedenken (‘hij zit thuis in de zak van je nette broek’). Ik kon ook niet meer relativeren (‘hij is zeker gejat!’… nog meer onveiligheid…). Ik voelde alleen maar dat grote, overweldigende gevoel van verlies, van eenzaamheid, van tekortschieten. Het kind in mij voelde hoe zich de wattenwolken weer verharden, waarna de volwassene huilde… om een vergeten OV-kaart? Nee, niet om die kaart. De volwassene huilde omdat het kind blijkbaar nog steeds rouwt om wat verloren ging aan schoonheid en veiligheid, en om de angst opnieuw van alles kwijt te raken, zeker nu er de afgelopen periode weer diverse relationele verlieservaringen waren.

Het heeft me verrast, dat ik de afgelopen periode blijkbaar meer bezig ben geweest met wat die verlieservaringen voor de dierbaren om mij heen betekenden, dan met wat ze in mij weer aanraakten. Dat is in ieder geval de conclusie die ik trok, toen ik toch maar naar huis probeerde te reizen gisteravond. Dat was een avontuur, aangezien de NS wegens de storm met orkaankracht om 11.00 uur ’s ochtends het treinverkeer volledig had stilgelegd tot circa 19.00 of 20.00 uur.
Het was heel rustig onderweg; de duizenden gestrande reizigers hadden blijkbaar toch een slaapplek of een carpoolmaatje gevonden om naar huis te komen. De trein werd een stille bezinningsplek tot mijn aankomst in Assen rond 2.00 uur. Weer thuis, onder de wol naast mijn lieve man, die door alle stormen heen al 35 jaar naast mij staat. Mijn OV-kaart zit weer achter de rits van mijn jaszak. Ik was ‘m niet verloren; ik had ‘m gewoon veiliggesteld, zoals het hoort met kostbare zaken in het leven. Jammer, dat ik dat even vergeten was, maar misschien ontdekte ik het weer omdat ik tijdens het oppassen met een klein lief kereltje in de weer was geweest, waardoor de oxytocine weer kon stromen…?
Zo ervoer ik even weer aan den lijve het belang van Miekes en mijn drijfveer: de kleintjes in onze samenleving zo’n veilig mogelijke start geven via een mooie geboorte en een voedzame (borstvoedings)relatie, opdat ze vol vertrouwen hun volwassen leven tegemoet gaan. Volgende week  gaan we daarover brainstormen en kijken hoe we samen aan dat doel kunnen werken!

woensdag 2 oktober 2013

Richtlijn excessief huilen, deel 4


Vorige week ben ik gekomen tot pagina 20 van de richtlijn aangaande excessief huilen van het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid . Vanaf daar pak ik nu de draad op.

Op pagina 21 lezen we: Zoogdieren die op het land leven worden onderscheiden in twee typen: ‘Caching en carying species’ (Blurton Jones 1972; Lozoff and Brittenham 1985; Zeifman 2001a). ‘Caching species’ verbergen hun jongen op een beschutte plek (bijvoorbeeld in een nest of hol). (…) ‘Carrying species’ dragen hun jongen en hebben voortdurend fysiek contact. De jongen huilen luid en lang bij scheiding van de moeder.

Deze indeling is te summier. Ik zou bijvoorbeeld graag willen weten in welke categorie de koe en de giraffe dan vallen. Nils Bergman onderscheidt vier typen en daarmee komen we een stuk verder:
  • schuilzoogdieren: melk met hoog eiwit- en vetpercentage, want de jongen zijn lang alleen;
  • nestzoogdieren: melk met iets lager eiwit- en vetpercentage, want de moeder komt wat vaker om te voeden;
  • volgzoogdieren: melk met een nog lager eiwit- en vetpercentage, want de jongen hebben onbeperkt toegang tot hun moeder en kunnen dus vaak drinken;
  • draagzoogdieren: melk met het laagste eiwit- en vetpercentage van alle zoogdieren, want de jongen zijn bij de geboorte zeer onrijp en worden de klok rond gedragen en gevoed.
En wat is nu het probleem met de hedendaagse verzorgingsstijlen? Men wil mensenkinderen wegleggen alsof ze schuilzoogdieren zijn, ze voeden in een frequentie als waren ze nestzoogdieren, met melk van volgzoogdieren, maar ze zijn draagzoogdieren! Het gemiddelde kind is een stuk intelligenter dan de gemiddelde koe en het kan dus niet anders dan dat een kind met die volgzoogdiermelk tekort komt. Dat is ook zo: kunstmatige zuigelingenvoeding bevat zo’n veertig ingrediënten tegenover zo’n duizend (!) in humane melk, dat wil zeggen… voor zover we dat nu weten, want er worden steeds nieuwe stoffen, maar vooral ook nieuwe onderlinge interacties tussen al die stoffen ontdekt. Wat miljoenen jaren evolutie in de melk hebben gestopt, kun je er niet zomaar straffeloos uit weglaten.
(Ik heb dit in deel 2 ook besproken, maar het is van cruciaal belang om de behoeften van een baby te begrijpen, dus herhaling kan geen kwaad. Hieronder zie je trouwens een schuilzoogdier.)


De verzorgingsstijl is dus wel degelijk van belang voor het gedrag en de ‘separation distress call’ van de jongen. Even verderop staat dan ook:
Huilen in fysieke nabijheid/aanwezigheid van de ouder (verzorger) komt bij andere diersoorten dan de mens en in niet-industriële samenlevingen zelden voor (Konner 1976; Zeifman 2001a).Cross-culturele studies onder pasgeborenen, tonen aan dat bij deze groep minder huilen voorkomt, wanneer ouders een verzorgingsstijl hanteren waarin meer plaats is voor fysieke nabijheid (Barr and others 1991; Lee 2000; St James-Roberts and others 2006; St James-Roberts and others 2006).
Dit is strijdig met de wijze waarop men de lezer eerder in het document in slaap wilde sussen: op bladzijde 17 staat immers dat het vroege huilen niet zozeer van de verzorgingsstijl afhankelijk is. Hoe verklaren we dan het gegeven dat het vele huilen in niet-industriële samenlevingen zelden voorkomt?

Even verderop lezen we dat de baby [communiceert] door te huilen over zijn behoeften. Zeker, dat is een vorm van communicatie, maar wél één die pas wordt ingezet als de subtiele communicatie heeft gefaald. Het is dan ook volslagen terecht dat (eindelijk!) het idee groeit dat huilen het best opgevat kan worden als een ‘gradueel signaal’, waarmee de baby de ernst van de situatie aangeeft. Precies: huilen helpt om de ernst te begrijpen, als je alle andere signalen hebt gemist. We beginnen als volwassene toch ook niet meteen te schreeuwen? We praten toch gewoon, erop vertrouwend dat de ander naar ons zal luisteren?

De alinea eindigt met: Huilen staat aan het begin van de spraakontwikkeling.
Hier valt nog wel wat te nuanceren: dat een baby niet kan praten, heeft deels met neurologische onrijpheid te maken, maar deels ook met anatomische aspecten. Zolang het strottenhoofd niet is ‘ingedaald’ naar de meer volwassen locatie in de keelholte, is er geen ruimte voor de stembanden om tot spraak te komen. Ik zal daarover hier nu niet verder uitweiden; ik verwijs graag naar het werk van Brian Palmer.

Pagina 23 tot en met 25 behandelt de mogelijke oorzaken van excessief huilen. Het is een opsomming van allerlei mogelijkheden, die, wanneer je er diep op zou ingaan, gemakkelijk tot een bladzijdelang betoog kan voeren. Wat mij betreft verdienen punt 5.a., 5.c. en 5.d. de meeste aandacht. Hier zit de kern van veel problemen, zeker ook wanneer je dit combineert met de al eerder waargenomen verschillen tussen geïndustrialiseerde en niet-geïndustrialiseerde samenlevingen. Het is dan ook zeer teleurstellend om te moeten constateren dat er in de rest van het document zo weinig aandacht aan deze punten wordt geschonken. Dat de gemoedstoestand van ouders van grote invloed is op het kind dat zijn primaire hechtingsfiguren spiegelt, dat lijkt, net als dragen en troosten, een gedachte achteraf . In dit aspect zitten echter de meeste aanknopingspunten voor een omslag in het denken. Een baby is geen agendapunt dat zich even in het dagelijks ritme laat invoegen; een baby heeft 24/7 veilige hechtingsfiguren nodig, primair de moeder en vervolgens in toenemende mate andere personen.

Op pagina 27 lezen we dat GER (reflux) geen relatie heeft met excessief huilen. Dit mag op zijn zachtst gezegd een merkwaardige conclusie worden genoemd.
Overigens is dat wat als reflux wordt beschouwd of gediagnosticeerd, vaak een gevolg van het feit dat baby’s niet als draagzoogdier worden verzorgd en geen draagzoogdiermelk krijgen van hun draagzoogdiermoeder. Te veel melk in één keer leidt tot terugvloeien in de slokdarm.
De opmerking op pagina 28 over de effecten van een lactosevrij dieet van de borstvoedende moeder duiden op een gebrek aan deskundigheid: het dieet van de moeder heeft geen invloed op het lactosegehalte in de melk. Melk bevat nu eenmaal lactose. Een watervrij dieet leidt ook niet tot watervrije melk.

Op pagina 31 lezen we: Het lijkt erop dat stress bij de ouders invloed kan hebben op hun draagkracht en perceptie van het huilen van het kind. Aan de andere kant kan het hebben van een excessief huilend kind de draaglast van ouders aanzienlijk vergroten wat uiteraard zijn invloed heeft op hun gemoedstoestand. Dit maakt het moeilijk om te beoordelen of er een causaal verband is.

Het is opmerkelijk dat in sommige gevallen de causaliteit terzijde wordt geschoven en dat die in andere gevallen als ondubbelzinnig aanwezig wordt verondersteld. Er is een patroon in deze verbanden te vinden: dat wat past binnen de gedachte dat de baby het probleem van het huilen is, wordt eerder als causaal aangemerkt dan hetgeen een beroep doet op herbezinning door ouders en zorgverleners.
Wat bovendien bijna structureel ontbreekt, is de link met fysiologische kennis. Een moeder met stress geeft haar cortisol door aan haar baby, die daardoor een hogere baseline heeft. Angstig gedrag van de moeder zet haar eigen HPA-as in werking: stressbeleving – hypothalamus zet hypofyse in werking – bijnieren geven cortisol af. Het gedrag dat daaruit voortvloeit, is natuurlijk van invloed op de perceptie die de baby ontwikkelt van haar moeder. De kernvraag van iedere baby (“Ben ik veilig?”) zal dan met ‘nee’ worden beantwoord en dan is het kringetje rond: huilen.

Overigens wil ik er met klem op wijzen dat ik de meest opvallende punten eruit licht. Dat mijn blogs bepaalde tekstpassages niet behandelen, mag niet worden opgevat als instemming met die delen van de richtlijn. Het voert echter te ver om alles te bespreken.
Volgende week zal ik mij weer melden, dan met deel 5 in deze serie.

woensdag 5 december 2012

Zero separation!

De trein maakte snelheid en raasde weg uit België. Ik liet Brussel achter me en kan terugkijken op twee prachtige dagen, waarin Nils Bergman en zijn werk centraal stonden en dus ook ‘Koester je kleintje’. ‘Koester je kleintje’ wordt de titel van de Nederlandse vertaling van ‘Hold Your Prem’, het boek dat Jill Bergman samen met Nils schreef en oh, wat zou ik willen dat dat boek al af was… De boodschap van Nils moet de wereld in! Het is niet genoeg dat er hier en daar een paar mensen zijn die erover horen en die ademloos luisteren naar zijn revolutionaire betoog. De essentie van wat hij zegt, verdient, omwille van de gezondheid van onze kinderen en onszelf, een breed maatschappelijk draagvlak!

De Belgische vroedvrouwen (waarvan vele ook lactatiekundige zijn) hadden gisteren een studiedag over borstvoeding en het grootste deel van de dag was Nils aan het woord. Wie hem al eens heeft horen spreken, weet wat dat betekent: powerpoints met een stortvloed aan beelden en woorden en schema’s en overzichten en onderzoeksreferenties en stroomdiagrammen en herhalingen, met grote gele letters op een blauwe ondergrond. Veel dia’s gaan sneller voorbij dan je ze kunt lezen, laat staan dat je al die mooie kreten netjes op papier kunt krijgen. Werkt zo’n presentatie wel…? Ja, die werkt, want hij herhaalt de kern van zijn verhaal vaak genoeg om die in ieder geval mee te krijgen. Die kern is simpel en betreft de zorg die een pasgeboren baby nodig heeft.

De moeder, zegt Nils, is de cruciale factor in die zorg. “Nothing makes sense except in the light of the mother’s body, where the needed neural processes take place with the buffering protection of adult support.” (Niets klopt en alles is onbegrijpelijk, tenzij de baby zich op het moederlichaam bevindt, waar de benodigde neurologische processen plaatsvinden met de schokdempende bescherming van volwassen ondersteuning.) Waar moeten we dus voor zorgen? ZERO SEPARATION! (Nul scheiding!) En of we hem dat allemaal maar geregeld wilden nazeggen! :-) Het moederlichaam zorgt zo voor stabiliteit en helpt het babylijfje met die functies die hij in zijn eentje nog niet kan aansturen: coregulatie.













De amygdala, een heel oud deel van het brein, moet verwerken wat er aan zintuiglijke indrukken binnenkomt en moet dat allemaal ordenen in de verschillende delen van de neocortex, evolutionair gezien het nieuwst deel van onze hersenen. Dat ordenen (de geheugenvorming) vindt plaats tijdens de slaap en voor goede slaapcycli is een veilige omgeving nodig, één zonder dreiging, zonder stress, zonder de angst dat we worden opgegeten, aangevallen, alleen gelaten.
Voor een baby die zijn moeder niet voelt, is het leven één grote bedreiging. Dat geldt voor een op tijd geboren baby en in versterkte mate voor een (extreem) prematuur geboren baby. Een baby stemt op die angstervaring zijn hele systeem af, zowel in zijn gedrag als in zijn lichaamsfuncties. Alles gaat ‘op de hobbel’: hartslag, ademhaling, zuurstofgehalte, slaappatroon, groei en sociaal gedrag. De baby betaalt daarvoor een hoge prijs, met een levenslange impact: de hersenontwikkeling loopt schade op. De stress gaat namelijk gepaard met de afgifte van cortisol en cortisol is giftig voor het brein. Broodnodige hersenverbindingen tussen de zenuwcellen worden niet aangelegd en de hersenen functioneren op een lager niveau. Dat heeft consequenties voor de sociale en emotionele intelligentie, net als voor de cognitieve prestaties later in het leven. De gemiste coregulatie in het begin bemoeilijkt de zelfregulatie later en dus worden we ziek en vallen we om.













Hoe voorkomen we al deze ellende? Nils benadrukt de noodzaak van een verandering in ons denken, een paradigmawisseling: ZERO SEPARATION! Een baby is er niet op gemaakt om alleen te zijn in de vroege levensfase. Hij heeft de warmte, de voeding en de bescherming nodig die het moederlichaam biedt. Er is waanzinnig veel te zeggen over het belang van die veilige start en ik word behalve gretig van zoveel fascinerende inzichten, ook treurig over de mate waarin ze niet worden toegepast. Het wordt hoog tijd dat al het wetenschappelijke bewijs voor de stellingname dat de moeder voor de baby onmisbaar is, serieus wordt genomen, zowel op ‘medisch’ als op sociaal-maatschappelijk niveau. Men is tegenwoordig toch zo dol op ‘Evidence Based Medicine’? Vooruit dan, met die wetenschappelijke geit, en laten we beginnen bij het begin, bij de eerste uren, dagen en weken: ZERO SEPARATION!”