Posts tonen met het label gedrag. Alle posts tonen
Posts tonen met het label gedrag. Alle posts tonen

dinsdag 12 juni 2018

Het bed delen met je baby en (on)verantwoord(elijk) gedrag, deel 2


Afgelopen donderdag schreef ik hier over wat mij op 31 mei was overkomen voor de deur van De Meervaart in Amsterdam, waar die dag een Kraamcafé werd gehouden. De reden dat ik daar was, was hetgeen er op het programma stond die dag. Dit is een deel van de tekst van het programma:
Het minder voorkomen van dat waarvoor wordt gewaarschuwd, namelijk wiegendood, wordt aangegrepen als reden voor een scholing erover. Tegelijkertijd weten we niet werkelijk hoeveel kinderen er bij de ouders in bed slapen, gedrag dat vaak als één van de belangrijkste factoren bij wiegendood wordt gepresenteerd. Een hypothese: stel dat er 15 kinderen bij de ouders in bed slapen en er zijn 15 gevallen van wiegendood (dit is ongeveer het jaarlijkse aantal in Nederland). Als er geen verklaringen worden gevonden voor hun overlijden, dan zou je kunnen stellen dat het sterftecijfer of de kans op wiegendood bij het slapen in één bed 100% is.
(Dit is trouwens niet zeker: de essentie van wiegendood (vanwaar die naam?!) is dat er *geen* oorzaak voor het overlijden wordt gevonden. Als het kind dus door verstikking zou zijn overleden, is het *wel* babysterfte, maar *geen* wiegendood. Voor de realiteit maakt het geen verschil, want het kind is gestorven en dat is een tragedie, hoe het overlijden ook wordt genoemd. Voor de wetenschap en de voorlichting maakt het echter wél verschil, omdat sterfte door wiegendood en sterfte door een bekende oorzaak verschillende grootheden zijn, die een andere aanpak vereisen.)
Nu een andere hypothese: stel dat er 15.000 kinderen bij de ouders in bed slapen en er zijn 15 gevallen van wiegendood, overlijdens waarbij geen andere oorzaak wordt gevonden. In dat geval is de kans op wiegendood door samen slapen maximaal 0,001% (want er kunnen nog steeds andere oorzaken zijn, maar we weten het niet: dat is immers de essentie van wiegendood, een *niet bekende oorzaak*). En zo kunnen we doorgaan: nemen 100.000 ouders hun kinderen bij zich in bed en sterven er 15 waarvoor geen andere oorzaak kan worden gevonden, dan is het risico 0,00015%.
Het verschil tussen beredeneren en ervaren, tussen analyseren en voelen
Mijn punt: hoe gevaarlijk het is om baby’s bij de ouders in bed te laten samen, weet je pas als je *exact* weet hoeveel kinderen dat doen en hoeveel kinderen *daardoor* sterven. Je moet zeer zorgvuldig alle mogelijk relevante factoren in beeld hebben, anders kun je er geen zinnige uitspraak over doen. Als je niet helder hebt om hoeveel baby’s het gaat en of de baby kunstvoeding kreeg, of de ouders hadden gerookt, gedronken, medicijnen hadden genomen, hadden geblowd of onveilig beddengoed hadden gebruikt… dan weet je simpelweg niet wat de grootste factor was in het sterven van het kind. En met al dat dreigen kun je er vanuit gaan dat veel ouders niet heel enthousiast zijn om te vertellen dat hun kind (al dan niet regelmatig) bij hen in bed slaapt. Ze zullen bij vragen daarover gemakkelijk geneigd zijn een sociaal wenselijk antwoord te geven: ‘Baby slaapt in eigen bed.’

Overigens werd in het NOS-item van een aantal maanden geleden betoogd dat 25% van de gevallen van wiegendood kinderen betreft die bij de ouders in bed lagen (zie dit blog). Het blijft verbazingwekkend dat *niemand* op het idee komt om te vragen waar die andere 75% dan liggen. Als dat kinderbedden zijn… zijn die dan niet véél gevaarlijker dan het ouderlijk bed? En als er een trend wordt benoemd dat kinderen steeds vaker bij de ouders in bed liggen, terwijl er tegelijkertijd wordt gesignaleerd dat de wiegendoodcijfers dalen… wat moet daarvan dan de conclusie zijn? Kan het zijn dat ouders steeds beter in staat zijn om zich goed te laten informeren over hoe ze veilig met hun kind samen kunnen slapen, zodat ze ook in de nachtelijke uren het kind zowel fysiek een veilige plek kunnen geven als psychisch en emotioneel een gevoel van veiligheid kunnen bieden? Dat laatste, zo heeft de wetenschap inmiddels onomstotelijk aangetoond, is namelijk cruciaal voor hoe een kind opgroeit tot volwassene, voor de mate waarin een mens de eigen stress kan reguleren, zichzelf kan beheersen en empathie voor een ander kan opbrengen. Zonder een diepgeworteld gevoel van veiligheid en eigenwaarde zijn deze laatste dingen heel moeilijk. De kans is dan veel groter dat mensen hun frustraties afreageren op een ander, dat ze anderen agressief tegemoet treden, dat ze niet goed tot rustig overleg in staat zijn, dat ze hun emoties niet kunnen beheersen.

Daar ligt ook een deel van de basis van de controverse over dit onderwerp. Het zou interessant zijn uit te zoeken hoe felle tegenstanders van samen slapen zélf sliepen toen ze kind waren. Hoe hebben hún ouders het nachtelijk ouderschap vormgegeven? Mochten ze bij bange dromen bij papa en mama in bed kruipen? Werden ze opgepakt en gevoed en getroost toen ze als baby huilmomenten hadden? Moesten ze al snel ‘zelfredzaam’ zijn of mochten ze uitproberen en falen, zonder dreiging en chantage? Werd gehoorzaamheid afgedwongen of werd zelfstandigheid gekoesterd, zodat ze stapsgewijs kon groeien? Was het genot van lichamelijk contact een moeilijk onderwerp, voorbehouden aan bepaalde relaties, of een vanzelfsprekendheid, geuit met knuffels en omhelzingen en samen tot rust komen? Er zijn zooooo veel vragen denkbaar en een goed begin erbij is reflectie: “Hoe ben ik groot geworden? Hoe gingen de belangrijke volwassenen in mijn omgeving met mij om? Hoeveel veiligheid heb ik als kind ervaren en hoe veilig voel ik mij nu bij mijn naasten? Hoe werd er macht uitgeoefend en hoe tracht ik zelf macht uit te oefenen? Werd ik gezien en gehoord toen ik klein was? Word ik gezien en gehoord nu ik volwassen ben? Hoe is mijn zelfbeeld?” Wanneer je onder ogen moet zien dat je deze vragen op een verdrietige wijze moet beantwoorden, volgt vaak een periode van rouw. Als je nu wél een veilige sociale omgeving hebt, kun je die rouw een plaats geven en werken aan je herstel en aan je vaardigheden om empathisch en geduldig met anderen om te gaan.

Daarmee is de cirkel rond. Ik stond in Amsterdam ‘Slapen met je baby’ uit te delen omdat eerlijke en empathische informatievoorziening belangrijk is, omdat kraamverzorgenden daarin aan het begin van een nieuw mensenleven een waardevolle rol kunnen spelen, én omdat de praktijk heeft uitgewezen dat ze vaak niet breed worden geschoold op dit punt van samen slapen. De meneer van de organisatie die mij belaagde, was een voorbeeld van hoe zaken uit de hand kunnen lopen als je jezelf niet in de hand hebt.
Behalve veel vragen zijn er ook veel oorzaken van het agressieve gedrag denkbaar; dat neemt echter niet weg dat je als volwassene verantwoordelijk bent voor je eigen gedrag. Ik ben daarom vandaag bij het politiebureau geweest om met de dienstdoende agent te overleggen over wat de beste aanpak is van deze gebeurtenis, aangezien ik van anderen hoorde dat deze man zich vaker zo gedraagt. De wijkagent zal bij hem langs gaan en nogmaals laten weten dat zijn handelwijze verwerpelijk is, hoe irritant hij het ook moge vinden dat ik daar sta. Dat is nu eenmaal een vrijheid die we hebben in een democratische samenleving, dat je een ander geluid mag laten horen dan het dominante of meest gepraktiseerde, en dat je daarvoor mag demonstreren. (En een eventuele volgende keer zal ik zorgen dat ik precies dáárvoor, voor een demonstratie, de juiste procedures doorloop!) Ik hoop dat een bezoek van de wijkagent hem op de één of andere manier tot reflectie zal brengen, dat hij anderen in zijn omgeving heeft met wie hij kan overleggen, die hem kunnen bereiken en die hem kunnen laten zien dat er betere manieren zijn om met andere meningen en tegenslagen om te gaan dan schreeuwen en schelden, razen en tieren en andermans spullen beschadigen.
Ik zei tegen iedereen aan wie ik een boek gaf: ‘Ik heb een cadeautje voor je; veel plezier ervan in je werk!’ Dat hoop ik oprecht, dat kraamverzorgenden ouders ondersteunen bij alles wat nieuw is in het leven met een pasgeboren baby, zeker ook bij het nachtelijk ouderschap. Voor velen is dat immers een intense uitdaging en tegelijkertijd zó belangrijk voor hoe een baby de wereld ervaart. Wanneer we leren wat een baby voor die veiligheid nodig heeft, zullen we beter in staat zijn ons eigen gemis te herkennen. Als we die rouw verwerken, hoeven we de boosheid erover niet door te geven en dáárvan wordt de wereld dan écht een stuk veiliger!

woensdag 3 september 2014

Levensweg

En daar ging ze, zwaarbepakt met grote koffer en volgepropte rugzak… onze jongste dame, de wijde (studenten)wereld in, voorzien van het cadeau dat ook haar zussen kregen toen ze de deur uit gingen: een briefopener, voorzien van naam en datum van ‘zelfstandigheid’ (als symbool voor het feit dat ze vanaf nu zelf verantwoordelijk is voor haar administratie) en een exemplaar van het levenswerk van Clarissa Pinkola Estés, ‘De ontembare vrouw’ (als symbool voor het feit dat we allemaal in ons leven fases doorlopen die ons een deel van het levensverhaal onthullen en ons de weg wijzen in onze lange tocht door het bestaan).

’s Avonds zaten we getweeën aan tafel, toen mijn man zei: “Dat was het dan? Ik had echt niet gedacht dat het zó snel zou gaan. Ik dacht dat het levenslang zou duren, die lieve kinderen om ons heen.” En natuurlijk blijf je als ouders levenslang betrokken bij wat ze doen, maar die dagelijkse zorg voor ze en hun sprankelende, inspirerende aanwezigheid… die is per kind meestal binnen twintig jaar voorbij. En zelfs als je vier dochters hebt, zijn vijfentwintig jaren verrassend en verbazingwekkend snel om.
We keken elkaar aan en toastten op deze nieuwe fase, op de levenslust waarmee de kinderen hun pad vervolgen en op het feit dat we daarvan nog steeds samen getuige zijn. Dat is niet iedereen gegeven; sommige ouders slagen er niet in hun verbintenis liefdevol en vreedzaam in stand te houden, andere zien hun relatie eindigen door de dood van hun partner. Deze week nog trof ik een vriendin die weduwe werd toen hun dochters 4 en 1 jaar oud waren. Dan krijgt het ouderschap een heel andere kleur en ook de kindertijd ontbeert dan de onbezorgde vreugde van twee blije ouders.

En zoals we allemaal weten, zijn er daarnaast nog heel veel andere factoren die het leven van kinderen zwaar kunnen maken. Twee artikelen van Vakblad Vroeg die ik vorige week las, laten daar iets van zien. Het ene gaat over hulp bij onveilige hechting, het andere over het risico op de ontwikkeling van gewelddadigheid ingeval van verwaarlozing. Dat zijn droevige verhalen, en toch is er voor die tekortschietende zorg in de meeste gevallen een verklaring te vinden die een evenzeer verdrietige geschiedenis van de ouder(s) zichtbaar maakt.

Zoals al vaker besproken: de transgenerationaliteit van de problematiek is het meest trieste van alles. Het risico dat ouders hun eigen pijn, problemen, verdriet en frustratie doorgeven aan hun kinderen, terwijl ze waarschijnlijk vast van plan waren dat niet te doen, blijkt dikwijls prominent aanwezig.
Het lijkt dan ook zaak om met argusogen te kijken naar de manier waarop jonge ouders worden voorzien van adviezen over de zorg voor hun baby en peuter. In dat opzicht valt er nog wel het nodige te verbeteren, want wat ik onlangs in een wachtkamer weer las… het is om wanhopig van te worden. Wéér ging het over de manier waarop ouders grenzen moeten stellen, opdat hun kinderen hen niet de baas worden, hoe ze duidelijk moeten aangeven dat het kind zich erbuiten moet houden als volwassenen in gesprek zijn, de technieken die ze kunnen toepassen om de controle over hun kind te behouden. Is dat dan het doel? Is dat werkelijk waarnaar we streven in de omgang met onze kinderen? Of is het toch wenselijker dat ze een fraaie mate van 'ontembaarheid' behouden?

Onze oudste dochter vertelde vorige week over een training die ze net had gedaan voor een bestuursorgaan. Daarin werd er in de uitleg over hoe relaties functioneren, zo ongeveer voetstoots vanuit gegaan dat er tussen ouders en kinderen een hiërarchische verhouding geldt en dat daar niet de gelijkwaardigheid van kracht is die tussen volwassenen onderling geldt. De ondergeschiktheid van het kind aan de ouders werd als een gegeven gepresenteerd: ouders vertellen kinderen wat ze moeten doen en kinderen ‘luisteren’ daar naar (lees: volgen die instructies op).
Onze dochter had bezwaar gemaakt; zo werkt dat niet per sé, had ze gezegd, en ik ben het met haar eens. Op de vraag ‘Waarom?’ is het antwoord ‘Daarom!’ meestal niet gepast. Als er iemand is die de taak en de verantwoordelijkheid heeft om zich te verantwoorden (door het geven van het goede voorbeeld) en zaken uit te leggen, toe te lichten en nog een keer te verklaren… dan wel ouders richting hun kind.
Dat is geen sinecure, die taak. Ouderschap is dan ook niet voor watjes, zoals een mooi artikel in Kiind toelichtte in februari 2012.

Het is dan ook een bijzonder gevoel dat die opvoedklus nu grotendeels ‘geklaard’ is en dat de tijd zal leren of we ons werk als ouders een beetje behoorlijk hebben gedaan. Vooralsnog lijkt het aardig gelukt, al blijven er ook in deze leeftijdsfase genoeg issues waarover je met elkaar een boom kunt opzetten, waarover je met elkaar stevig in debat kunt om te zien hoe visies en ethische idealen en bezwaren van toepassing zijn op wat er ter tafel komt. De zelfreflectie van het jonge ouderschap verandert door de jaren heen steeds meer in het wederzijds delen van kennis en ervaring en de bespiegelingen die dat losmaakt. Een mooi pleidooi, dus in De Correspondent, om van filosofie een verplicht vak te maken. Het beste begin je dan natuurlijk op de basisschool, als kinderen nog redelijk onbevangen in het leven staan. Zo is de kans het grootst dat ze als student en als volwassene zich niets laten aanpraten en dat ze een ragfijn gevoel ontwikkelen voor rechtvaardigheid en medemenselijkheid.

Er valt immers waanzinnig veel te ervaren in de wereld en hoe vreemder die voor je is, hoe lastiger het is te duiden wat je voor je ogen ziet gebeuren. Onbekend maakt nu eenmaal vaak onbemind. Dan ligt etnocentrisme op de loer: de cultuur en gewoontes van de ander beoordelen (en misschien veroordelen) op basis van je eigen achtergrond, je eigen referentiekader. Dat neemt niet weg dat er, zeker op fysiologisch gebied, ook wel algemene, universele dingen te zeggen zijn. In al dit soort aangelegenheden ben ik sinds afgelopen maandag volledig ondergedompeld met de colleges en werkgroepen van mijn studie Culturele Antropologie & Ontwikkelingssociologie in Amsterdam.
Later meer, over wat dáár allemaal ter tafel komt, nu de tafel in de keuken thuis nogal dunbevolkt is geworden! :-)

woensdag 26 maart 2014

Positief Pedagogisch Programma, zeg maar deel 12

Na mijn blog van afgelopen week heb ik een aantal reacties ontvangen en daardoor is er in ieder geval materiaal voor deze week. Iemand stuurde me een folder uit, naar het lijkt, ook weer een serie, getiteld ‘Kinderen in de basisschoolleeftijd’ met als specifiek onderwerp ‘Huiswerk’.

Huiswerk maken moet met zo min mogelijk stress verlopen en als een prettige tijdsbesteding ervaren worden. Dit gebeurt wanneer ouders hun kinderen aanmoedigen en hulp bieden wanneer dat noodzakelijk is.

Huiswerk als een prettige tijdsbesteding… dat is in veel gevallen wellicht nog te hoog gegrepen. Als je Alfie Kohn erover hoort, krijg je echter wel een heel ander dan het standaard beeld voorgeschoteld over huiswerk. De strekking van zijn verhaal is: “Afschaffen, dat huiswerk; kinderen hebben ook sociale tijd nodig en zorg gewoon dat de lessen op school zo leuk zijn dat ze dáár veel meer leren in de uren dat ze er zijn. En als dat wat ze doen, de moeite waard is, dan willen ze er thuis af en toe best aan doorwerken.” Ik weet nog niet precies hoe dat eruit moet zien, maar kan me zeker vinden in de uitspraak: “It’s not what we teach, it’s what they learn.” Onderwijzen en leren zijn twee verschillende dingen en uiteindelijk gaat het om het leren, het ontwikkelen van een nieuwsgierige attitude.

Prijs je kind dat hij met zijn huiswerk bezig is.
Door kinderen te prijzen voor hun inzet stimuleer je ze om met hun huiswerk door te gaan. – Goed zo! Nou heb je al vijf vragen af.

De aanname is hier, net als in de vele andere folders, dat prijzen en belonen tot intrinsieke motivatie leidt. Daar valt nogal wat op af te dingen. Dat dit telkens weer het uitgangspunt is, geeft alle folders van TripleP een zeer wankele basis.
De hele folder wekt bovendien de indruk dat je er als ouder bovenop moet zitten met dat huiswerk. Is dat zo? Ik weet nog dat ik zelf op de middelbare school zat en dat ik op een dag in de stad liep en de moeder van een klasgenoot tegenkwam. Ze zei: “Goh, wel veel huiswerk, hè, voor vak X? Een paar hoofdstukken en heel wat opgaven!” Ik was perplex; mijn moeder zou niet op het idee komen om te kijken wat voor huiswerk ik had. Weliswaar ben je op de middelbare school alweer een stuk ouder, maar tegen de tijd dat kinderen huiswerk krijgen, zijn ze op een leeftijd dat ze ook een agenda hebben en kunnen lezen. Is de taak van de ouder niet veel meer om het kind te leren leren, om het kind te helpen het proces goed te laten verlopen? “Hé, lieverd, hoe was het op school? Heb je nog huiswerk? Goed in je agenda kijken, hè?” Een fundamenteel aspect van de vaardigheid van een kind om zich verantwoordelijk te voelen voor huiswerk en voor welke andere taak dan ook, is dat een kind de kans krijgt die verantwoordelijkheid ook werkelijk zelf te dragen. Dat is een zeer wezenlijk leerproces en dat begint veel eerder dan het moment waarop huiswerk in beeld komt. Dat begint bijvoorbeeld bij je jas zelf aan de kapstop hangen (kapstok op kinderhoogte!), de wc zelf doorspoelen en leren veters strikken en dat dan ook zelf mogen doen, ook als het wat meer tijd kost.

Als je kind bijvoorbeeld vraagt hoe je ‘tuin’ moet spellen, zonder dat hij het eerst zelf probeert, kun je zeggen – Hoe denk jij dat het gespeld moet worden? (…) Prijs je kind wanneer hij probeert om zelf het woord te spellen. Als hij het goed heeft, prijs hem dan nog een keer.

Prijzen, prijzen, prijzen… wie zou er niet gek van worden, als er aldoor iemand om je heen staat te roepen hoe geweldig je bent, terwijl jij taken uitvoert die je geacht wordt tot een goed einde te kunnen brengen? Zulke overdadige loftuitingen impliceren verbazing bij de ‘prijzer’; er was blijkbaar geen wezenlijk vertrouwen in de vaardigheid van het kind om de taak goed te volbrengen. “Wat goed, je hebt het water doorgeslikt en de aardappels gekauwd! Fantastisch!” Echt…? Of werkt dat infantiliserend en ondermijnend?
(Illustratie door Gregory Ferrand voor 'Education Week', VS 2008; zie bovenstaande link onder "It's not what we teach")

Op de achterzijde van de folder:
Je kind zal beter met je meewerken wanneer je ze helpt na maar een of twee keer aangeven het zelf te proberen.
(De taalfouten zijn niet van mij.)
Hier gaat het volgens mij behoorlijk de mist in met die eigen verantwoordelijkheid. De formulering ‘Je kind zal beter met je meewerken’ impliceert dat de ouder een doel heeft waaraan het kind moet bijdragen. Dat is niet het geval. Het kind heeft een taak met een doel, namelijk dingen leren zodat het zich later als volwassene goed zal kunnen redden. De taak van de ouders is dat proces te faciliteren, niet om het over te nemen.

Stimuleer gewenst gedrag
Prijs en beloon de inspanning van je kind wanneer hij zijn huiswerk af heeft. Als beloning kun je denken aan tv mogen kijken of samen een spelletje doen.
Wat geef je als ouder voor boodschap af als je taken voortdurend beloont? Word je zelf ook aldoor beloond voor alles wat je doet? Eten gekookt? Beloning. Boodschappen gedaan? Beloning. Kamer opgeruimd? Beloning. Bejaarde buurman even geholpen? Beloning. Auto gewassen? Beloning. Gras gemaaid? Beloning. Werkt dat motiverend? Of hoort de voldoening over het verrichte werk de belangrijkste ‘beloning’ te zijn?
En mag je kind alleen maar tv kijken als hij dat recht heeft ‘verdiend’? Kijk je zelf ook tv als ‘beloning’ voor het feit dat je overdag hebt gewerkt? Of kijk je ter ontspanning? Doe je samen met je partner iets leuks in het weekend ter beloning van het feit het deze week op het werk goed is gegaan? Of ga je samen op pad of lekker lezen (of een spelletje doen!) omdat het fijn is samen tijd door te brengen en tot rust te komen? Het is bedroevend dat deze methode voortdurend ouders aanspoort om kinderen te manipuleren en te chanteren tot van alles en nog wat en dat liefde en gezelligheid aldoor moeten worden verdiend.

En als een kind het lastig vindt om huiswerk te maken, moet je omwille van de toekomst dan niet uitzoeken waar dat van komt? Dat is niet wat de folder aanraadt; je moet volgens de schrijvers zeggen: Vertel je kind dat hij punten kan verdienen met huiswerk maken. Agenda mee naar huis? 1 punt. Zonder tegenstribbelen beginnen? 2 punten. Een kwartier lang ononderbroken werken? 5 punten. Zeg je kind dat hij de punten kan inwisselen voor een dagelijkse beloning of een grotere beloning aan het eind van de week. (…) De beloning moet in ieder geval iets zijn waar je kind graag zijn best voor doet.
Hier gaat het natuurlijk goed mis. De boodschap is namelijk dat *het huiswerk zelf* niet iets is waarvoor een mens graag zijn best wil doen!  “Dat huiswerk”, zo zeg je als ouder met deze aanpak, “dat is een toestand, maar doe het nu maar gewoon, want dan krijg je iets leuks.” Is dat werkelijk de boodschap die je als ouder wilt geven, dat de dingen die je doet ter voorbereiding op de rest van je leven, een doffe ellende zijn waarvoor het niet de moeite waard is je best te doen? En dat zou je kinderen dan moeten ‘stimuleren’? Ik geloof er helemaal niets van dat dat werkt.

Beslis wat je doet als je kind zijn huiswerk niet maakt. Ga nooit zelf het huiswerk voor je kind afmaken. (…) Ook thuis kun je er een consequentie aan verbinden als je kind zijn best niet doet.
Nee, uiteraard moet jij het huiswerk niet afmaken, want dan schiet je het leerdoel voorbij. Een kind leert immers niet rekenen als jij de sommen maakt. Dát is de ware en echte ‘consequentie’. De manier waarop dit woord in deze context wordt gebruikt, is echter misleidend. Het is een nieuw eufemisme; wat hier bedoeld wordt, is gewoon ‘straf’. Je kunt het wel anders nóemen, maar het blijft hetzelfde.

Een geschikte consequentie is dat een leuke activiteit of voorrecht niet doorgaat als zijn huiswerk niet in orde is. Bijvoorbeeld buiten mogen spelen met een vriendinnetje, tv-kijken of langer op mogen blijven. Zorg dat je kind van te voren weet wat de consequentie is als hij zijn huiswerk niet maakt.
(De taal- en spellingfouten zijn niet van mij.)
Dus… als je kind maar weet wat voor ellende haar boven het hoofd hangt, dan kijkt ze wel uit om haar plichten te verzaken? Is dat dan hoe we als volwassenen door onze taken heen werken in het dagelijks leven, met een baas die met ontslag dreigt als we fouten maken, met een partner die een ‘consequentie’ aankondigt als we ons niet overeenkomstig diens wensen gedragen, met vrienden die dreigen een etentje af te zeggen als we iets vergeten zijn? De ‘consequenties’ hebben ook nog eens niets met het huiswerk zelf te maken; ze bevorderen niet het leerproces, ze ondermijnen slechts het vertrouwen.

Als je kind een opdracht niet afmaakt, geef dan op die dag geen punten voor die opdracht. (…) Negeer eventuele protesten of smeekbeden en ga niet in discussie. Voer gewoon de consequentie uit die je tevoren hebt gezegd. (…) Misschien moet je een paar dagen achter elkaar consequenties gebruiken, voordat je kind geleerd heeft om zijn huiswerk te maken.

Verder gaat het over speelgoed pas teruggeven als het gewenste gedrag wordt gezien, geen verdiende punten afpakken (sic!), de eisen voor de beloning opvoeren en ‘consequenties’ volhouden.
De laatste alinea stelt: Misschien heeft je kind extra hulp nodig bij bepaalde vakken.
Euhm… moet je dat niet éérst bepalen, voordat je met een strafsysteem start…? De beschikbaarheid van de ouder om te overhoren of de stof samen doornemen als het kind daaraan behoefte heeft, is natuurlijk waardevol: samen bezig, samen leren.
Bedenk dat goede schoolprestaties net zo goed worden beïnvloed door de inzet en motivatie van je kind als door aanleg of intelligentie. De beste manier om een kind te motiveren is om je aandacht te richten op zijn successen – op de dingen die hij goed doet, in plaats van op de dingen die hij fout doet.
In heel deze alinea wordt met geen woord gerept over hoe belangrijk het (ook voor schoolprestaties!) is dat je kind een positief zelfbeeld heeft, dat ze een prettig mens is om mee samen te zijn, dat ze inzicht verwerft in wat er in het leven belangrijk is en dat het kracht geeft om met het vertrouwen en de liefde van haar ouders en andere dierbaren als basis, tot persoonlijke ontwikkeling te komen. Dát zijn de dingen die een kind motiveren, niet de focus op gedrag en prestatie. Verantwoordelijkheid leren dragen lukt het beste als je je veilig ondersteund voelt, niet als je je bekeken en onder druk gezet voelt door sancties. Wanneer gaan ‘opvoedexperts’ dat inzien?

(Met dank aan Joyce van den Boogaard uit Den Bosch voor het opsturen van de folder)

woensdag 15 januari 2014

Positief Opvoeden Drenthe, deel 2

Afgelopen week schreef ik de inleiding tot de blogserie over ‘Positief Opvoeden Drenthe’ met daarin een eerste analyse. Vandaag volgt deel 2 in de serie; daarin staat de brochure ‘Een leukere ouder in 10 stappen’ (ondertitel ‘De kracht van positief opvoeden’) centraal. Als altijd pak ik de meest opvallende punten eruit, waarmee niet gezegd wil zijn dat ik onverdeeld enthousiast ben over de rest van de tekst.

De folder is net als die van vorige week één A4 met aan de achterkant een opsomming van punten.
Punt 1.: Opvoeden kost veel energie. Zorg dus ook goed voor jezelf. Kun je rusten, doe het dan ook. Laat de boel de boel en doe iets wat je ontspant.
Kost opvoeden veel energie… of kost het zorgen voor een ander mens, zeker wanneer die volledig van jou afhankelijk is, veel energie? Ik zou zeggen: het laatste. Wanneer je in die eerste jaren goede zorg levert en een goed voorbeeld geeft, is daarmee een groot deel van de ‘opvoeding’ al gedaan.
Dat de folder begint met een beschrijving die de indruk wekt dat het primair een zware klus is, dat ‘opvoeden’ van je kinderen… dat vind ik niet geen al te bemoedigende formulering.
En nog veel treuriger vind ik dat in deze opsomming de ouder weer bovenaan staat; waar is de focus op de behoeften van het kind?

Punt 2. stelt: Prijs je kind zo vaak mogelijk bij goed gedrag. Je zult dan zien dat ze zich steeds vaker goed gaan gedragen.
Hier springt opnieuw de behavioristische aanpak in het oog. De opvoeding dient blijkbaar gericht te zijn op ‘goed gedrag’ (definitie ontbreekt…) en dat kun je bewerkstelligen door je kind te conditioneren. Leeft er onder dat vernislaagje bij je kind echter ook de overtuiging dat het ‘vereiste’ gedrag zinvol of wenselijk is? Is juist dát niet wat je kind nodig heeft om prosociaal gedrag te blijven vertonen, ook als er geen ouderlijk toezicht is? Dat vereist intrinsieke motivatie en die blijkt, zoals Alfie Kohn in zijn boek ‘Punished by Rewards’ laat zien, alleen maar af te nemen bij voortdurende materiële of verbale beloning.

Punt 3.: Een knuffel, een kus, op schoot een aai over de bol, je kind vindt het altijd fijn en kan er geen genoeg van krijgen.
Kinderen gedijen inderdaad op liefdevolle aanraking en het klopt dat je ze daarmee niet kunt verwennen. Elders in andere uitgaven wordt echter betoogd dat je het kind bij ‘ongewenst gedrag’ (definitie ontbreekt…) juist je liefde en aandacht moet onthouden. Dat schept verwarring; dat is niet ‘consequent’, zoals op andere plekken met klem wordt geadviseerd.

Punt 4., 5. en 6. en 10. zijn een herhaling van dezelfde punten op de vorige brochure (regels stellen, perfecte ouder en kind bestaan niet, aanmoedigen en complimenteren, ruimte in huis maken voor lekker spelen). Ten aanzien van ‘streng en consequent opvoeden’ is dit overigens een mooie link. Klik ook vooral door naar het stuk onder het woord ‘Vonk’.

Punt 7.: Blijf altijd rustig bij vervelend gedrag. Zeg dat je kind ermee moet stoppen en maak hem of haar duidelijk hoe het wel moet. Prijs je kind als het doet wat je zegt.
Hier lijkt geen twijfel te bestaan over de vraag of dat wat je als ouder zegt tegen of eist van je kind, boven elke discussie verheven is. Jouw wil is wet, blijkbaar, en tegen dat uitgangspunt maak ik bezwaar, want hier wordt geen enkele overlegmogelijkheid ingebouwd. Ook wordt hier niet onderzocht wat de oorzaak is van het gedrag dat de ouder niet bevalt. Er wordt aan symptoombestrijding gedaan (stoppen) in plaats van aan probleemonderzoek en -oplossing.
En nog een punt van belang: maakt het wat uit wat de opvoeder zegt over wat het kind moet doen? Of is het volstrekt irrelevant wat je verlangt en moet je kind je gewoon klakkeloos gehoorzamen? Dat idee van ‘Befehl ist Befehl’ heeft op vele momenten in de geschiedenis niet tot zulke goede resultaten geleid. Autonome denkers die vragen blijven stellen, zijn een uiterst noodzakelijke factor om een samenleving blijvend goed te laten functioneren. Onze kinderen worden, sneller dan we ons kunnen voorstellen als ze 0 of 3 of 10 zijn, een volwassen onderdeel van die samenleving. Wat verwachten we van hen? Welke eigenschappen zien we graag ontwikkeld in ons nageslacht? Kijk maar eens naar de derde slide van de presentatie van socioloog Henk de Vos, die hij op 13 januari in Eelde gaf. Daar zien we een rijtje eigenschappen die ouders als belangrijk opgeven; de bovenste drie, de drie die de hoogste prioriteit krijgen, zijn zo ongeveer precies het tegenovergestelde van wat met TripleP/POD wordt bepleit. Het voorbeeld van de ouders doet immers volgen? Wanneer zij worden aangemoedigd zeer beperkt rekening te houden met de behoeften van hun kind, maar haar afschilderen als een kleine machtswellusteling die je kort moet houden… wat kunnen ze dan verwachten van het verantwoordelijkheidsgevoel, de autonomie en de empathie van hun kroost?

Punt 8.: Maak tijd voor je zoon of dochter en geef je kind aandacht. Lees voor of doe samen wat leuks en leg daar je krantje of andere bezigheden even voor opzij.
Even…?  En wat is de definitie van ‘iets leuks’…? Is samen bezig zijn met van alles in de keuken of samen boodschappen doen niet net zo goed iets leuks als samen lezen of een spelletje doen? Heel veel hangt af van de wijze waarop de volwassene de activiteit aangaat en deelt met het kind.

Punt 9.: Vertel je kind hoe je dag was en vraag wat hij of zij allemaal heeft gedaan.
Begrijp ik hieruit dat het kind eerst moet luisteren naar wat *jij* als ouder hebt gedaan en pas dán zelf aan de beurt is…? Over welke leeftijdsgroep spreken we hier? Andermaal wordt de ouder op de eerste plaats gezet en moet het kind haar beurt afwachten. Hoe jonger het kind, hoe groter het belang om ruimte te bieden voor spontane ontboezemingen, waarin het kind niet hoeft te wachten tot de verhalen uit de wereld van de volwassene zijn verteld. Je bent als ouder in de beginjaren de coregulerende factor: je bevredigt de behoeften van je kind en je kind leert daardoor de eigen behoeften te reguleren (zelfregulatie). Dit fysiologische feit hoort basiskennis te zijn voor zorgverleners en opvoeders: stressregulatie begint met coregulatie. Dát is de manier waarop de HPA-as tot een juist afstelling kan komen en ook later in het leven adequaat kan werken. Lees hier maar eens (in het Engels, scroll bijvoorbeeld naar ‘Stress and Disease’), wat de HPA-as voor invloed kan hebben, of hier.
Naar mijn mening heb je als ouder ten opzichte van je kind primair plichten (of taken of verantwoordelijkheden, zo je wilt) en veel minder rechten, maar ik heb de indruk dat dit in veel settings en in veel ‘opvoedmethodes’ vloeken in de kerk is. Het blijkt een heel moeilijke uitspraak te zijn, want het motto is vaak: “Het moet wel leuk blijven”, “Ik wil ook tijd voor mezelf hebben”, “Ik heb zelf ook een leven!”. Dit is ook wat de folders ademen: “Hoe houd ik ondanks mijn kind, mijn eigen leven leefbaar?”
Lees voor de aardigheid dit stuk eens, getiteld ‘Apenkunstjes’. Of lees dit artikel, eveneens van de hand van Gabriëlle Jurriaans, over de miljoenen die met het opvoedprogramma gemoeid zijn. Is dat wat we willen met onze kinderen, dat ze opzitten en pootjes geven om het ons gemakkelijk te maken? Willen we hun voorleven dat onvoorwaardelijkheid niet bestaat en dat ze zich overeenkomstig onze eisen moeten gedragen om onze liefde te verdienen? Mijn antwoord daarop is een helder ‘nee’. Nu nog kijken hoe we deze methode de wereld uit krijgen. Dat is een hele kluif, want ik heb nóg elf folders liggen en het schijnt dat er op de cb’s binnenkort alléén nog maar deze folders mogen liggen… zucht. Arme kinderen, arme ouders, arme samenleving…

Zo dadelijk heb ik een gesprek met iemand van de organisatie die deze folders mede uitgeeft. Ik ben benieuwd waar we op uitkomen!