Posts tonen met het label Alfie Kohn. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Alfie Kohn. Alle posts tonen

woensdag 26 maart 2014

Positief Pedagogisch Programma, zeg maar deel 12

Na mijn blog van afgelopen week heb ik een aantal reacties ontvangen en daardoor is er in ieder geval materiaal voor deze week. Iemand stuurde me een folder uit, naar het lijkt, ook weer een serie, getiteld ‘Kinderen in de basisschoolleeftijd’ met als specifiek onderwerp ‘Huiswerk’.

Huiswerk maken moet met zo min mogelijk stress verlopen en als een prettige tijdsbesteding ervaren worden. Dit gebeurt wanneer ouders hun kinderen aanmoedigen en hulp bieden wanneer dat noodzakelijk is.

Huiswerk als een prettige tijdsbesteding… dat is in veel gevallen wellicht nog te hoog gegrepen. Als je Alfie Kohn erover hoort, krijg je echter wel een heel ander dan het standaard beeld voorgeschoteld over huiswerk. De strekking van zijn verhaal is: “Afschaffen, dat huiswerk; kinderen hebben ook sociale tijd nodig en zorg gewoon dat de lessen op school zo leuk zijn dat ze dáár veel meer leren in de uren dat ze er zijn. En als dat wat ze doen, de moeite waard is, dan willen ze er thuis af en toe best aan doorwerken.” Ik weet nog niet precies hoe dat eruit moet zien, maar kan me zeker vinden in de uitspraak: “It’s not what we teach, it’s what they learn.” Onderwijzen en leren zijn twee verschillende dingen en uiteindelijk gaat het om het leren, het ontwikkelen van een nieuwsgierige attitude.

Prijs je kind dat hij met zijn huiswerk bezig is.
Door kinderen te prijzen voor hun inzet stimuleer je ze om met hun huiswerk door te gaan. – Goed zo! Nou heb je al vijf vragen af.

De aanname is hier, net als in de vele andere folders, dat prijzen en belonen tot intrinsieke motivatie leidt. Daar valt nogal wat op af te dingen. Dat dit telkens weer het uitgangspunt is, geeft alle folders van TripleP een zeer wankele basis.
De hele folder wekt bovendien de indruk dat je er als ouder bovenop moet zitten met dat huiswerk. Is dat zo? Ik weet nog dat ik zelf op de middelbare school zat en dat ik op een dag in de stad liep en de moeder van een klasgenoot tegenkwam. Ze zei: “Goh, wel veel huiswerk, hè, voor vak X? Een paar hoofdstukken en heel wat opgaven!” Ik was perplex; mijn moeder zou niet op het idee komen om te kijken wat voor huiswerk ik had. Weliswaar ben je op de middelbare school alweer een stuk ouder, maar tegen de tijd dat kinderen huiswerk krijgen, zijn ze op een leeftijd dat ze ook een agenda hebben en kunnen lezen. Is de taak van de ouder niet veel meer om het kind te leren leren, om het kind te helpen het proces goed te laten verlopen? “Hé, lieverd, hoe was het op school? Heb je nog huiswerk? Goed in je agenda kijken, hè?” Een fundamenteel aspect van de vaardigheid van een kind om zich verantwoordelijk te voelen voor huiswerk en voor welke andere taak dan ook, is dat een kind de kans krijgt die verantwoordelijkheid ook werkelijk zelf te dragen. Dat is een zeer wezenlijk leerproces en dat begint veel eerder dan het moment waarop huiswerk in beeld komt. Dat begint bijvoorbeeld bij je jas zelf aan de kapstop hangen (kapstok op kinderhoogte!), de wc zelf doorspoelen en leren veters strikken en dat dan ook zelf mogen doen, ook als het wat meer tijd kost.

Als je kind bijvoorbeeld vraagt hoe je ‘tuin’ moet spellen, zonder dat hij het eerst zelf probeert, kun je zeggen – Hoe denk jij dat het gespeld moet worden? (…) Prijs je kind wanneer hij probeert om zelf het woord te spellen. Als hij het goed heeft, prijs hem dan nog een keer.

Prijzen, prijzen, prijzen… wie zou er niet gek van worden, als er aldoor iemand om je heen staat te roepen hoe geweldig je bent, terwijl jij taken uitvoert die je geacht wordt tot een goed einde te kunnen brengen? Zulke overdadige loftuitingen impliceren verbazing bij de ‘prijzer’; er was blijkbaar geen wezenlijk vertrouwen in de vaardigheid van het kind om de taak goed te volbrengen. “Wat goed, je hebt het water doorgeslikt en de aardappels gekauwd! Fantastisch!” Echt…? Of werkt dat infantiliserend en ondermijnend?
(Illustratie door Gregory Ferrand voor 'Education Week', VS 2008; zie bovenstaande link onder "It's not what we teach")

Op de achterzijde van de folder:
Je kind zal beter met je meewerken wanneer je ze helpt na maar een of twee keer aangeven het zelf te proberen.
(De taalfouten zijn niet van mij.)
Hier gaat het volgens mij behoorlijk de mist in met die eigen verantwoordelijkheid. De formulering ‘Je kind zal beter met je meewerken’ impliceert dat de ouder een doel heeft waaraan het kind moet bijdragen. Dat is niet het geval. Het kind heeft een taak met een doel, namelijk dingen leren zodat het zich later als volwassene goed zal kunnen redden. De taak van de ouders is dat proces te faciliteren, niet om het over te nemen.

Stimuleer gewenst gedrag
Prijs en beloon de inspanning van je kind wanneer hij zijn huiswerk af heeft. Als beloning kun je denken aan tv mogen kijken of samen een spelletje doen.
Wat geef je als ouder voor boodschap af als je taken voortdurend beloont? Word je zelf ook aldoor beloond voor alles wat je doet? Eten gekookt? Beloning. Boodschappen gedaan? Beloning. Kamer opgeruimd? Beloning. Bejaarde buurman even geholpen? Beloning. Auto gewassen? Beloning. Gras gemaaid? Beloning. Werkt dat motiverend? Of hoort de voldoening over het verrichte werk de belangrijkste ‘beloning’ te zijn?
En mag je kind alleen maar tv kijken als hij dat recht heeft ‘verdiend’? Kijk je zelf ook tv als ‘beloning’ voor het feit dat je overdag hebt gewerkt? Of kijk je ter ontspanning? Doe je samen met je partner iets leuks in het weekend ter beloning van het feit het deze week op het werk goed is gegaan? Of ga je samen op pad of lekker lezen (of een spelletje doen!) omdat het fijn is samen tijd door te brengen en tot rust te komen? Het is bedroevend dat deze methode voortdurend ouders aanspoort om kinderen te manipuleren en te chanteren tot van alles en nog wat en dat liefde en gezelligheid aldoor moeten worden verdiend.

En als een kind het lastig vindt om huiswerk te maken, moet je omwille van de toekomst dan niet uitzoeken waar dat van komt? Dat is niet wat de folder aanraadt; je moet volgens de schrijvers zeggen: Vertel je kind dat hij punten kan verdienen met huiswerk maken. Agenda mee naar huis? 1 punt. Zonder tegenstribbelen beginnen? 2 punten. Een kwartier lang ononderbroken werken? 5 punten. Zeg je kind dat hij de punten kan inwisselen voor een dagelijkse beloning of een grotere beloning aan het eind van de week. (…) De beloning moet in ieder geval iets zijn waar je kind graag zijn best voor doet.
Hier gaat het natuurlijk goed mis. De boodschap is namelijk dat *het huiswerk zelf* niet iets is waarvoor een mens graag zijn best wil doen!  “Dat huiswerk”, zo zeg je als ouder met deze aanpak, “dat is een toestand, maar doe het nu maar gewoon, want dan krijg je iets leuks.” Is dat werkelijk de boodschap die je als ouder wilt geven, dat de dingen die je doet ter voorbereiding op de rest van je leven, een doffe ellende zijn waarvoor het niet de moeite waard is je best te doen? En dat zou je kinderen dan moeten ‘stimuleren’? Ik geloof er helemaal niets van dat dat werkt.

Beslis wat je doet als je kind zijn huiswerk niet maakt. Ga nooit zelf het huiswerk voor je kind afmaken. (…) Ook thuis kun je er een consequentie aan verbinden als je kind zijn best niet doet.
Nee, uiteraard moet jij het huiswerk niet afmaken, want dan schiet je het leerdoel voorbij. Een kind leert immers niet rekenen als jij de sommen maakt. Dát is de ware en echte ‘consequentie’. De manier waarop dit woord in deze context wordt gebruikt, is echter misleidend. Het is een nieuw eufemisme; wat hier bedoeld wordt, is gewoon ‘straf’. Je kunt het wel anders nóemen, maar het blijft hetzelfde.

Een geschikte consequentie is dat een leuke activiteit of voorrecht niet doorgaat als zijn huiswerk niet in orde is. Bijvoorbeeld buiten mogen spelen met een vriendinnetje, tv-kijken of langer op mogen blijven. Zorg dat je kind van te voren weet wat de consequentie is als hij zijn huiswerk niet maakt.
(De taal- en spellingfouten zijn niet van mij.)
Dus… als je kind maar weet wat voor ellende haar boven het hoofd hangt, dan kijkt ze wel uit om haar plichten te verzaken? Is dat dan hoe we als volwassenen door onze taken heen werken in het dagelijks leven, met een baas die met ontslag dreigt als we fouten maken, met een partner die een ‘consequentie’ aankondigt als we ons niet overeenkomstig diens wensen gedragen, met vrienden die dreigen een etentje af te zeggen als we iets vergeten zijn? De ‘consequenties’ hebben ook nog eens niets met het huiswerk zelf te maken; ze bevorderen niet het leerproces, ze ondermijnen slechts het vertrouwen.

Als je kind een opdracht niet afmaakt, geef dan op die dag geen punten voor die opdracht. (…) Negeer eventuele protesten of smeekbeden en ga niet in discussie. Voer gewoon de consequentie uit die je tevoren hebt gezegd. (…) Misschien moet je een paar dagen achter elkaar consequenties gebruiken, voordat je kind geleerd heeft om zijn huiswerk te maken.

Verder gaat het over speelgoed pas teruggeven als het gewenste gedrag wordt gezien, geen verdiende punten afpakken (sic!), de eisen voor de beloning opvoeren en ‘consequenties’ volhouden.
De laatste alinea stelt: Misschien heeft je kind extra hulp nodig bij bepaalde vakken.
Euhm… moet je dat niet éérst bepalen, voordat je met een strafsysteem start…? De beschikbaarheid van de ouder om te overhoren of de stof samen doornemen als het kind daaraan behoefte heeft, is natuurlijk waardevol: samen bezig, samen leren.
Bedenk dat goede schoolprestaties net zo goed worden beïnvloed door de inzet en motivatie van je kind als door aanleg of intelligentie. De beste manier om een kind te motiveren is om je aandacht te richten op zijn successen – op de dingen die hij goed doet, in plaats van op de dingen die hij fout doet.
In heel deze alinea wordt met geen woord gerept over hoe belangrijk het (ook voor schoolprestaties!) is dat je kind een positief zelfbeeld heeft, dat ze een prettig mens is om mee samen te zijn, dat ze inzicht verwerft in wat er in het leven belangrijk is en dat het kracht geeft om met het vertrouwen en de liefde van haar ouders en andere dierbaren als basis, tot persoonlijke ontwikkeling te komen. Dát zijn de dingen die een kind motiveren, niet de focus op gedrag en prestatie. Verantwoordelijkheid leren dragen lukt het beste als je je veilig ondersteund voelt, niet als je je bekeken en onder druk gezet voelt door sancties. Wanneer gaan ‘opvoedexperts’ dat inzien?

(Met dank aan Joyce van den Boogaard uit Den Bosch voor het opsturen van de folder)

woensdag 12 maart 2014

Positief Opvoeden Drenthe, deel 10

In de serie over Positief Opvoeden Drenthe (met TripleP als basis) heb ik nog twee folders te gaan en vandaag bespreek ik ‘Omgaan met driftbuien’, met als ondertitel ‘Breng je peuter weer tot bedaren’.

De openingsalinea stelt: Hij bepaalt graag zelf wat er gebeurt en wil daarin niet tegengewerkt worden. Je peuter kan ineens koppig zijn en zijn eigen zin proberen door te drijven.
Interessante formulering… Ontstaat de strijd tussen ouder(s) en kind niet juist ook omdat de ouders de zin proberen door te drijven en het kind zich daar niet mee wil verenigen…? Punt is alleen dat wat de ouders proberen ‘door te drijven’ vaak niet op die manier wordt omschreven. Dat wordt vaak veel positiever geformuleerd, als een soort logisch gegeven van wat er ‘moet’ gebeuren. Dat wat het kind wil (en wat afwijkt van wat de ouders willen) wordt als het probleem gezien, niet andersom.

Pagina 02 en 03 dragen suggesties aan voor hoe je drama’s kunt voorkomen die kunnen ontstaan omdat peuters oververmoeid zijn, hun zin niet krijgen, als ze niet duidelijk kunnen maken wat ze willen of tegen een probleem aanlopen dat ze niet kunnen oplossen. Dit zijn inderdaad lastige situaties, maar helpen de volgende dingen…?
Laat hem bijvoorbeeld af en toe zijn eigen keuzes maken uit een beperkt aanbod: “Wil je je rode of je gele trui aan?”, bijvoorbeeld. Zo weet je peuter dat hij echt een trui aan moet, maar raakt hij niet gefrustreerd omdat hij de kleur mag bepalen. Heb je zelf een voorkeur, noem dat dan als laatste mogelijkheid. Wat hij het laatst hoort, zit het duidelijkst in zijn geheugen.
Bij de lezingen van Alfie Kohn in de Rode Hoed in Amsterdam kwam aan de orde hoe het bieden van de opties die jij als ouder aanvaardbaar vindt, in feite geen werkelijke keuzevrijheid voor het kind inhoudt. Als jij en ik samen naar de film gaan en je zegt tegen mij: “Wil je naar tekenfilm of wil je naar de thriller?”, terwijl ik van beide genres niet houd… hoef ik dan niet gefrustreerd te raken omdat jij mij immers een keuze hebt geboden?

Denk eerst goed na voordat je ‘ja’ of ‘nee’ zegt tegen je peuter. Vraag jezelf af of het een redelijk verzoek is. Heb je eenmaal een antwoord gekozen, blijf dan altijd bij je beslissing.
Gezien mijn voorgaande opmerking lijkt me het eerste deel van dit citaat een navolgenswaardige aanpak. Het idee dat je *altijd* bij je beslissing moet blijven, is echter weer uitermate rigide. Doe je dat zelf ook? Kom je nooit terug op een keuze? Kan een goed argument van iemand anders of nadere overdenking door jezelf niet tot een nieuwe conclusie leiden en is het belangrijkste dat we onze kinderen kunnen leren niet juist dat nadenken tot voortschrijdend inzicht leidt en dat dan dus ook andere keuzes het gevolg kunnen zijn?

Houd je kind goed in de gaten en geef hem een complimentje als hij zich goed gedraagt.
Daar gaan we weer, het eindeloze complimenteren. Wat als iemand dat tegen jou zegt: “Wat gedraag je je goed, heel fijn!” Dan voelt een mens zich toch opgelaten…? Een ik-boodschap over je eigen beleving (in plaats van een jij-boodschap over het gedrag van de ander, in dit geval je kind) zou natuurlijk wel een goed idee kunnen zijn: “Hè, wat fijn dat we samen op stap zijn. Gezellig!”

Gebruik ‘wij’ in plaats van ‘jij’, dat spreekt meer aan. ‘Ga mee, we gaan onder de douche.’ klinkt gezelliger dan ‘Je gaat nu douchen’.
Deze paternalistische vorm van praten maakt bij mij altijd een enorme irritatie los. Het is zoiets als de verpleegkundige in het ziekenhuis die tegen de patiënt zegt: “En, hoe voelen we ons vandaag?” Als je tegen je kind zegt: “We gaan onder de douche”, dan *kan* dat natuurlijk heel gezellig zijn… als jij als ouder dan ook werkelijk mee gaat onder de douche! Anders zeg je immers maar wat: je zegt dat ‘we’ onder de douche gaan, maar dat bedoel je helemaal niet. Het gaat er toch niet meer om of het gezellig klinkt, als de inhoud van wat je zegt niet waar is? Als je vindt dat je kind moet douchen (en is dat altijd nodig of kan het ook een dagje overslaan, als je kind zich verder met of zonder jouw hulp wel even opfrist), dan is het belangrijk dat je kind weet waarom je dat belangrijk vindt. Veel kinderen vinden het natuurlijk ook zelf heerlijk om even onder het warme water te staan, dus dat hoeft helemaal geen ‘straf’ te zijn waartoe je je kind met verhullend taalgebruik moet aanmoedigen. “Lieverd, het is bijna bedtijd, de dag is weer voorbij. Kom maar, dan gaan we samen naar boven en dan kun je onder de douche.” En als het was- en bedritueel vertrouwd en knus is, kan het natuurlijk nog veel eenvoudiger: “Kom maar, kinderen, tijd voor het bad en voor voorlezen!”

Nog zo’n misleidende manier van formuleren: ‘Mogen’ klinkt aantrekkelijker dan ‘moeten’: ‘Je mag nu mee boodschappen doen’. Als er niet de optie is dat het kind thuisblijft (‘mogen’ impliceert keuzevrijheid), is dit geen eerlijke gespreksvoering. Als iemand tegen jou zegt: “Je mag nu even de afwas doen”… wat betekent dat dan? Houdt het in dat je ook op de bank ‘mag’ gaan zitten als je er geen zin in hebt? En zo niet, dan zou de juiste ik-boodschap zijn: “Ik wil graag dat jij even de afwas doet.” En als er afspraken zijn gemaakt over de afwasbeurt: “Ik heb gekookt en het is vandaag woensdag, dus jij bent aan de beurt voor de afwas.” Voor een peuter of kleuter gelden sommige van deze vrijheden niet, maar misleidend taalgebruik lijkt me niet de oplossing.

Pagina 04:
Humor wil ook nog wel eens de spanning wegnemen. Krijgt je kind een driftbui en dreigt hij bijvoorbeeld een autootje door de kamer te gooien? Zeg dan heel vriendelijk: ‘O, ga je nu met je auto’s spelen? Waar is je garage?’. Of doe je op hol geslagen peuter precies na en zeg dan: ‘Wat doen we lekker gek samen hè?’.
Ik word heel treurig van een advies als dit. Hoe zou dat voor jou zelf voelen, als een ander je emotie zo negeert en belachelijk maakt, in plaats van benoemt en serieus neemt? Wij kunnen als volwassene die driftbui dan misschien niet goed begrijpen, maar dat er sprake is van een emotie of frustratie bij het kind, dat is toch zonneklaar? Of is de gedachte dat je de emoties van een kind niet serieus hoeft te nemen? De manier waarop er hier een ‘oplossing’ wordt aangedragen, valt in de theorie van de luistervaardigheid van Thomas Gordon onder de noemer ‘hinderpalen in de communicatie’. Dit is een mooie link met duidelijke uitleg erover. Het artikel laat zien dat er hééél veel hinderpalen zijn en dat we ze vaak maar al te gemakkelijk inzetten. De les lezen, waarschuwen, sussen, afleiden… het zijn allemaal manieren om niet werkelijk in te gaan op wat de ander in het gesprek aandraagt. Een peuter of kleuter draagt met zijn of haar gedrag iets aan. We vinden dat vaak moeilijk, als het non-verbaal en emotioneel wordt aangedragen, omdat we lang niet altijd in staat zijn de signalen goed te duiden. Toch ligt de verantwoordelijkheid daarvoor bij de volwassene en niet bij het zo jonge kind.

Pagina 05 bevat weer diverse aanmoedigingen om je kind te prijzen voor goed gedrag: (…) en geef hem een knuffel als hij doet wat je zegt. Ik herhaal graag nog eens wat Alfie Kohn hierover zegt: “The more difficult their behaviour, the more they need your love.”
En dat een kind na verloop van tijd geen time-outs meer nodig heft omdat hij steeds beter luistert... dat is een onderwerp op zichzelf. Begrijpt hij waarom bepaald gedrag onwenselijk is of is hij de time-outs beu en ontwijkt hij die door het ongewenste gedrag niet te laten zien en het gewenste wel…? Anders geformuleerd: is het de intrinsieke motivatie die is versterkt door het straffen (time-outs zijn ook straf) of de extrinsieke motivatie, de druk of de dreiging?



Pagina 06 beschrijft De ‘negeer tactiek’ als volgt: Bij driftbuien doen alsof je neus bloedt, kan helpen bij peuters die niet ouder zijn dan twee jaar en alleen als je het volhoudt totdat de driftbui echt helemaal over is. (…) Je moet dan niets tegen je kind zeggen en er ook niet naar kijken.
Ik wil graag nog eens het ‘still face’-experiment in herinnering roepen dat ik al eerder heb genoemd. Hier vind je het bovenstaande filmpje met een kindje van rond een jaar. Ik krijg iedere keer wéér buikpijn bij het bekijken van deze clip en van hoe de baby erop reageert. Dit negeren is voor een kind enorm bedreigend: de verbinding in de relatie wordt verbroken en dat leidt tot paniek. Logisch! Een jong kind is nog zo onrijp in het cognitieve deel van het brein. Is het voor een volwassene niet al heel bedreigend en intimiderend als een naaste zo reageert? Hoe zou dat voor een peuter ooit ‘goed’ kunnen voelen? Of is het de bedoeling dat de bedreiging het kind tot gedragsverandering brengt? In dat geval is het intimidatie, geen liefdevolle, positieve benadering. Het rijtje met tips op pagina 04 vat de diverse niet zo fraaie adviezen gewoontegetrouw samen en schetst een machtsstrijd tussen de ouder en het kind.

Al met al is er dus weer heel wat dat bij mij tot vraagtekens leidt. Het is zeker geen gemakkelijk onderwerp. Ook wij hadden een kind dat in haar heel jonge jaren zo driftig kon worden. Het was een hele toer om de goede aanpak te verzinnen en dikwijls is me dat ook niet gelukt. Ik vind het nog altijd beroerd dat ik destijds niet beter in staat was haar frustratie goed onder woorden te brengen en daarmee misschien deels al weg te nemen. Ik heb haar dat ook al dikwijls verteld en ik hoop dat als haar en haar partner de zegen van het ouderschap is gegund, ze mijn inzichten kan inzetten om het zelf net weer een beetje beter aan te pakken!

vrijdag 7 februari 2014

Het 'emancipatie'-paradigma

Afgelopen zaterdag blogde ik over de maatschappelijke visie op het begrip werk in Het‘werk’-paradigma. Later in de week twitterde ik nog: Werk jij?” betekent meestal: “Krijg jij geld voor wat je doet?

De discussie vond ook in diverse media plaats. Zo las ik zaterdag in de Volkskrant op de pagina Opinie & Debat het artikel ‘Deeltijdfeminisme goed voor de samenleving’, geschreven door Sophie Merle, sociaal wetenschapper en beeldend kunstenaar. De strekking was: Veel vrouwen aan de top is prachtig, maar laten we niet vergeten dat zonder dat vervloekte deeltijdfeminisme het helemaal nooit wat wordt met die participatiesamenleving.
De vraag die zich opdringt, is: wat noemen we ‘de top’? De top waarvan? Wordt de top bepaald door het hoogste salaris of door de maatschappelijke relevantie van de volbrachte taken?
Ik moet hierbij altijd aan Gandhi denken. Allemaal die film van Richard Attenborough gezien? Verplichte kost. Hij leidt een journalist rond in zijn woongemeenschap en zegt dat in de ashram het schoonmaken van de wc’s een stuk belangrijker lijkt dan de wet (en dus dan het werk van hemzelf als advocaat). It’s one way to learn that each man’s labour is as important as another’s. Als zijn vrouw even later boos is omdat ook zij de latrines moet legen, met een beroep op het feit dat ze tenslotte zijn vrouw is, vrouw van de baas, zegt Gandhi: All the more reason. Oftewel: hoe ‘hoger’ je positie, hoe belangrijker het is dat je niet wegloopt voor de meest basale taken: No work is beneath any of us.

Emancipatie heeft niet alleen gevolgen voor de mensen wie het betreft – vrouwen in dit geval – maar voor de hele samenleving.
Betreft emancipatie inderdaad alleen vrouwen? Of kun je ook op een heel andere manier naar het begrip ‘emancipatie’ kijken? Volgens Wikipedia is emancipatie het streven naar een gelijkwaardige plaats in de samenleving vanuit een achtergestelde positie.
Je blijft aan het definiëren, want wat een ‘achtergestelde positie’ is, hangt af van wat je in het leven belangrijk vindt. Mensen die 80 uur in de week op een kantoor werken, die hebben een achtergestelde positie in het gezinsleven. Wie nooit een theater of concertzaal van binnen ziet, heeft een achtergestelde positie in het culturele leven. Wie alle dagen achter de computer zit en zelden buiten komt, heeft een achtergestelde positie in het gezonde buitenleven. Wie niet kan lezen, heeft een achtergestelde positie in de literaire wereld. En wie te vaak bij het fastfood-restaurant zit of te veel pizza’s in de oven schuift, heeft een achtergestelde positie op voedings- en gezondheidsgebied. Kortom: wie achtergesteld is en wie niet, hangt sterk af van je visie op de samenleving, op wat er volgens jou in het menselijk bestaan van waarde is.

Te veel vrouwen teren misschien ‘op de zak van hun man’ om in de termen van Jet Bussemaker te spreken, maar de samenleving teert ook op het onbetaalde werk en de sociale betrokkenheid van veel vrouwen die ervoor gekozen hebben geen carrière te maken.
Ik ben het tot op zekere hoogte met deze uitspraak eens, maar wéér wil ik een definitie hebben. Wikipedia nog eens aan het woord: Een loopbaan of carrière is de reeks van maatschappelijke posities die iemand achtereenvolgens inneemt (en ontwikkeling daarbinnen). Een loopbaan begint met het betreden van de arbeidsmarkt.
Nogmaals: wat is ‘arbeid’? Wat moet je doen om te kunnen zeggen dat je die markt betreedt? En wat is ‘een maatschappelijke positie’? Is dat hetzelfde als ‘een betaalde functie waarin je taken verricht’? Is de betaling het definiërende aspect ervan? En zo niet… dan is toch alles wat je doet ‘carrière’? Iedereen heeft immers een maatschappelijke positie? En vrijwel iedereen ontwikkelt zich toch binnen datgene wat ze doet?

Er wordt niet genoeg nagedacht over de prijs die je als samenleving moet betalen voor steeds maar meer emancipatie. (…) Emancipatie is een groot goed maar heeft ook negatieve gevolgen. Ouders die allebei voltijds werken hebben minder tijd voor hun kinderen, waardoor scholen steeds meer hun opvoedtaken moeten overnemen en dus minder tijd kunnen besteden aan hun onderwijstaak.
Ook dit is een interessante passage, zeker wanneer je, zoals ik, net bent begonnen je te verdiepen in het werk van iemand als Alfie Kohn, die een totaal andere visie heeft op zowel onderwijs als de rol van de ouders dan die welke we meestal gehanteerd zien.

En afgelopen dinsdag trof ik in de Volkskrant een reactie aan op het bovenstaande artikel, andermaal op de pagina Opinie & Debat, nu geschreven door de hoofdredacteur a.i. (ad interim, neem ik aan) Daphne van Paassen van Opzij, met als titel ‘Vrouwen kiezen niet bewust voor deeltijdbaan’.
Los van het feit dat die kleine baantjes met dito salarissen geen hypothetisch probleem zijn (ik noem nog maar eens de bekende cijfers van een op de drie huwelijken die strandt, met alle dramatische financiële gevolgen die dat heeft voor de drie miljoen economisch afhankelijke vrouwen en hun kinderen), moet je je afvragen waarom het geluk van de kinderen eenzijdig als de verantwoordelijkheid van vrouwen wordt gezien.

Natuurlijk, hier spreekt een Opzij-redacteur, dus je kunt misschien ook niet veel anders verwachten, maar wat ik hier, net als in veel van deze discussies, node mis, is het perspectief van het kind. De uitspraken roepen sowieso veel vragen bij me op.

Onlangs bleek uit het proefschrift van Justine Ruitenberg dat vrouwen de keuze voor een deeltijdbaan (deels onbewust) maken onder druk van hun omgeving en dus niet, zoals vaak gesuggereerd, in alle vrijheid.

Kom, mensen, laten we nou even reëel zijn… wie maakt nou werkelijk zonder druk van de omgeving de keuze voor welke studie of welke werktaken dan ook? Is de druk om een auto en een huis en drie keer per jaar vakantie te financieren en dus een baan met geschikt salaris te zoeken, wel een vrije keuze? Leidt de druk om de verwachtingen van ouders niet teleur te stellen, tot een vrije keuze? En wat te denken van ‘peer pressure’? Om eerlijk te zijn… kun je echt promoveren op de conclusie dat mensen dingen doen onder druk van hun omgeving? Dat weten we toch allang? Dat is toch helemaal geen nieuws? Mensen zijn sociale groepsdieren, dus dat de omgeving van invloed is, dat is een wijd open deur.

En dan nog wat… waarom vraagt niemand zich af hoe het eigenlijk komt dat er zoveel huwelijken stranden? Wat is daarvan de oorzaak? Waarom kunnen mensen de problemen met degene van wie ze ooit hielden, niet oplossen, door ‘carrière’ te maken in hun huwelijk of relatie, door daarin ‘ontwikkeling’ door te maken, om Wikipedia te citeren? Zou daarmee niet veel meer dan alleen het kindbelang en het inkomensbelang zijn gediend? In welke levensfase leren we empathie te ontwikkelen? En wat betekent die vaardigheid voor het welzijn in de wereld?
Afgelopen week heeft de Tweede Kamer de motie van Carla Dik-Faber van de Christen Unie verworpen over het belang van borstvoeding voor de volksgezondheid. (Overigens levert borstvoeding geen gezondheidswinst op, maar gebrek aan borstvoeding gezondheidsverlies.) Het onderwerp borstvoeding wordt derhalve niet geïntegreerd in het Nationaal Programma Preventie. Dat is een treurige zaak, want mevrouw Van Paassen van Opzij heeft misschien geen boodschap aan de risico’s van kunstmatige zuigelingenvoeding (met dank aan collega Caroline Kruger voor het delen van de link), maar voor de gemiddelde baby zal dat toch anders liggen.

Eergisteren, donderdag 6 februari, wéér een artikel, van Eva Jacobs, afgestudeerd in de wijsbegeerte (huh?): Ik wil de moederrol niet in een kwaad daglicht stellen of als minderwaardig afdoen, maar als je jezelf zo wegcijfert doe je jezelf tekort.
Ah… dat je het als een voorrecht mag zien om moeder te zijn en het bijbehorende werk te doen… dat zal dan wel een héél uitzonderlijke gedachte zijn. Zijn al die vrouwen die zich zo wegcijferen, eigenlijk gedwongen zwanger geworden…?
Over economische zelfstandigheid: Hoe vind je later ooit nog een baan met kennis die niet up-to-date is en met een gat in je cv? En dan zit je vast aan het inkomen van je partner of als het mis gaat, zit je als vrouw in de bijstand. Je vrijheid opgeven is een deel van je menselijkheid opgeven.
Toe maar… een gesloten penitentiaire inrichting is er niets bij…
Ook nog een mooi berichtje op de pagina ernaast, van Lijnie van Wijk, op de pagina Geachte Redactie in reactie op het stuk van Van Paassen: Volgens Van Dale is opvoeden: lichamelijk en geestelijk vormen, grootbrengen. (…) Grootbrengen doe je door er voor je kinderen te zijn.

Tot slot: alle goede bedoelingen ten spijt… mannen kunnen geen borstvoeding geven. Ik kan mij dan ook niet aan de indruk onttrekken dat er dikwijls sprake is van een sterk staaltje onnozelheid, van gebrek aan erkenning van de verschillen tussen man en vrouw. Emancipatie lijkt vaak een kwestie te zijn van ‘alles gelijk trekken’, maar biologisch en fysiologisch is dat een onzinnige gedachte. Baby’s hebben voor een optimale ontwikkeling een veilige baarmoeder in een gezond lichaam, een spiritueel inspirerende baring en vervolgens de borst en dus hun moeder nodig, of je dat nu politiek correct en handig en passend vindt of niet. Je kunt hoog en laag springen met je ideeën over betaalde-arbeidsmarkt-participatie (ook wel ‘werken’ genoemd), maar vrouwen hebben met al hun specifieke eigenschappen nu eenmaal fantastische dingen aan hun kinderen te bieden die alleen zij kunnen bieden. Dat de samenstelling van moedermelk, in combinatie met het proces van fysieke nabijheid door het aan de borst zijn, evolutionair millennia lang gefinetuned is en dat kunstmatige zuigelingenvoeding uit een fles daarvoor een armzalige vervanging is, is een feit. Punt.
En als de overheid nou eens bij zinnen kwam en dit hoog op de agenda zou zetten, dan kwamen we alweer een heel stuk verder. Voorlopig blijft dat een utopische gedachte, zo wijst de praktijk uit.
We moeten het dus hebben van de kracht van vrouwen zelf om de druk van de ratrace en de druk om gelijk aan mannen te worden, te weerstaan. Wie durft er (blijvend) op te staan voor de belangen van baby’s en jonge kinderen? Wie durft met werk aan een nieuw gedefinieerde top een carrière te maken waarin het kindbelang met lichamelijke nabijheid, borstvoeding en responsiviteit een prominente rol heeft?

woensdag 15 januari 2014

Positief Opvoeden Drenthe, deel 2

Afgelopen week schreef ik de inleiding tot de blogserie over ‘Positief Opvoeden Drenthe’ met daarin een eerste analyse. Vandaag volgt deel 2 in de serie; daarin staat de brochure ‘Een leukere ouder in 10 stappen’ (ondertitel ‘De kracht van positief opvoeden’) centraal. Als altijd pak ik de meest opvallende punten eruit, waarmee niet gezegd wil zijn dat ik onverdeeld enthousiast ben over de rest van de tekst.

De folder is net als die van vorige week één A4 met aan de achterkant een opsomming van punten.
Punt 1.: Opvoeden kost veel energie. Zorg dus ook goed voor jezelf. Kun je rusten, doe het dan ook. Laat de boel de boel en doe iets wat je ontspant.
Kost opvoeden veel energie… of kost het zorgen voor een ander mens, zeker wanneer die volledig van jou afhankelijk is, veel energie? Ik zou zeggen: het laatste. Wanneer je in die eerste jaren goede zorg levert en een goed voorbeeld geeft, is daarmee een groot deel van de ‘opvoeding’ al gedaan.
Dat de folder begint met een beschrijving die de indruk wekt dat het primair een zware klus is, dat ‘opvoeden’ van je kinderen… dat vind ik niet geen al te bemoedigende formulering.
En nog veel treuriger vind ik dat in deze opsomming de ouder weer bovenaan staat; waar is de focus op de behoeften van het kind?

Punt 2. stelt: Prijs je kind zo vaak mogelijk bij goed gedrag. Je zult dan zien dat ze zich steeds vaker goed gaan gedragen.
Hier springt opnieuw de behavioristische aanpak in het oog. De opvoeding dient blijkbaar gericht te zijn op ‘goed gedrag’ (definitie ontbreekt…) en dat kun je bewerkstelligen door je kind te conditioneren. Leeft er onder dat vernislaagje bij je kind echter ook de overtuiging dat het ‘vereiste’ gedrag zinvol of wenselijk is? Is juist dát niet wat je kind nodig heeft om prosociaal gedrag te blijven vertonen, ook als er geen ouderlijk toezicht is? Dat vereist intrinsieke motivatie en die blijkt, zoals Alfie Kohn in zijn boek ‘Punished by Rewards’ laat zien, alleen maar af te nemen bij voortdurende materiële of verbale beloning.

Punt 3.: Een knuffel, een kus, op schoot een aai over de bol, je kind vindt het altijd fijn en kan er geen genoeg van krijgen.
Kinderen gedijen inderdaad op liefdevolle aanraking en het klopt dat je ze daarmee niet kunt verwennen. Elders in andere uitgaven wordt echter betoogd dat je het kind bij ‘ongewenst gedrag’ (definitie ontbreekt…) juist je liefde en aandacht moet onthouden. Dat schept verwarring; dat is niet ‘consequent’, zoals op andere plekken met klem wordt geadviseerd.

Punt 4., 5. en 6. en 10. zijn een herhaling van dezelfde punten op de vorige brochure (regels stellen, perfecte ouder en kind bestaan niet, aanmoedigen en complimenteren, ruimte in huis maken voor lekker spelen). Ten aanzien van ‘streng en consequent opvoeden’ is dit overigens een mooie link. Klik ook vooral door naar het stuk onder het woord ‘Vonk’.

Punt 7.: Blijf altijd rustig bij vervelend gedrag. Zeg dat je kind ermee moet stoppen en maak hem of haar duidelijk hoe het wel moet. Prijs je kind als het doet wat je zegt.
Hier lijkt geen twijfel te bestaan over de vraag of dat wat je als ouder zegt tegen of eist van je kind, boven elke discussie verheven is. Jouw wil is wet, blijkbaar, en tegen dat uitgangspunt maak ik bezwaar, want hier wordt geen enkele overlegmogelijkheid ingebouwd. Ook wordt hier niet onderzocht wat de oorzaak is van het gedrag dat de ouder niet bevalt. Er wordt aan symptoombestrijding gedaan (stoppen) in plaats van aan probleemonderzoek en -oplossing.
En nog een punt van belang: maakt het wat uit wat de opvoeder zegt over wat het kind moet doen? Of is het volstrekt irrelevant wat je verlangt en moet je kind je gewoon klakkeloos gehoorzamen? Dat idee van ‘Befehl ist Befehl’ heeft op vele momenten in de geschiedenis niet tot zulke goede resultaten geleid. Autonome denkers die vragen blijven stellen, zijn een uiterst noodzakelijke factor om een samenleving blijvend goed te laten functioneren. Onze kinderen worden, sneller dan we ons kunnen voorstellen als ze 0 of 3 of 10 zijn, een volwassen onderdeel van die samenleving. Wat verwachten we van hen? Welke eigenschappen zien we graag ontwikkeld in ons nageslacht? Kijk maar eens naar de derde slide van de presentatie van socioloog Henk de Vos, die hij op 13 januari in Eelde gaf. Daar zien we een rijtje eigenschappen die ouders als belangrijk opgeven; de bovenste drie, de drie die de hoogste prioriteit krijgen, zijn zo ongeveer precies het tegenovergestelde van wat met TripleP/POD wordt bepleit. Het voorbeeld van de ouders doet immers volgen? Wanneer zij worden aangemoedigd zeer beperkt rekening te houden met de behoeften van hun kind, maar haar afschilderen als een kleine machtswellusteling die je kort moet houden… wat kunnen ze dan verwachten van het verantwoordelijkheidsgevoel, de autonomie en de empathie van hun kroost?

Punt 8.: Maak tijd voor je zoon of dochter en geef je kind aandacht. Lees voor of doe samen wat leuks en leg daar je krantje of andere bezigheden even voor opzij.
Even…?  En wat is de definitie van ‘iets leuks’…? Is samen bezig zijn met van alles in de keuken of samen boodschappen doen niet net zo goed iets leuks als samen lezen of een spelletje doen? Heel veel hangt af van de wijze waarop de volwassene de activiteit aangaat en deelt met het kind.

Punt 9.: Vertel je kind hoe je dag was en vraag wat hij of zij allemaal heeft gedaan.
Begrijp ik hieruit dat het kind eerst moet luisteren naar wat *jij* als ouder hebt gedaan en pas dán zelf aan de beurt is…? Over welke leeftijdsgroep spreken we hier? Andermaal wordt de ouder op de eerste plaats gezet en moet het kind haar beurt afwachten. Hoe jonger het kind, hoe groter het belang om ruimte te bieden voor spontane ontboezemingen, waarin het kind niet hoeft te wachten tot de verhalen uit de wereld van de volwassene zijn verteld. Je bent als ouder in de beginjaren de coregulerende factor: je bevredigt de behoeften van je kind en je kind leert daardoor de eigen behoeften te reguleren (zelfregulatie). Dit fysiologische feit hoort basiskennis te zijn voor zorgverleners en opvoeders: stressregulatie begint met coregulatie. Dát is de manier waarop de HPA-as tot een juist afstelling kan komen en ook later in het leven adequaat kan werken. Lees hier maar eens (in het Engels, scroll bijvoorbeeld naar ‘Stress and Disease’), wat de HPA-as voor invloed kan hebben, of hier.
Naar mijn mening heb je als ouder ten opzichte van je kind primair plichten (of taken of verantwoordelijkheden, zo je wilt) en veel minder rechten, maar ik heb de indruk dat dit in veel settings en in veel ‘opvoedmethodes’ vloeken in de kerk is. Het blijkt een heel moeilijke uitspraak te zijn, want het motto is vaak: “Het moet wel leuk blijven”, “Ik wil ook tijd voor mezelf hebben”, “Ik heb zelf ook een leven!”. Dit is ook wat de folders ademen: “Hoe houd ik ondanks mijn kind, mijn eigen leven leefbaar?”
Lees voor de aardigheid dit stuk eens, getiteld ‘Apenkunstjes’. Of lees dit artikel, eveneens van de hand van Gabriëlle Jurriaans, over de miljoenen die met het opvoedprogramma gemoeid zijn. Is dat wat we willen met onze kinderen, dat ze opzitten en pootjes geven om het ons gemakkelijk te maken? Willen we hun voorleven dat onvoorwaardelijkheid niet bestaat en dat ze zich overeenkomstig onze eisen moeten gedragen om onze liefde te verdienen? Mijn antwoord daarop is een helder ‘nee’. Nu nog kijken hoe we deze methode de wereld uit krijgen. Dat is een hele kluif, want ik heb nóg elf folders liggen en het schijnt dat er op de cb’s binnenkort alléén nog maar deze folders mogen liggen… zucht. Arme kinderen, arme ouders, arme samenleving…

Zo dadelijk heb ik een gesprek met iemand van de organisatie die deze folders mede uitgeeft. Ik ben benieuwd waar we op uitkomen!

zondag 8 december 2013

Wat doen we ze aan?


En alweer was het zaterdag vandaag. Die dag begint bij mij in principe met ontbijt en het Volkskrant-magazine. Ook vorige week, zaterdag 30 november, was dat het geval en de hele week al ligt het magazine naast mijn laptop op tafel. Er stond namelijk een stuk in dat me aan het denken heeft gezet, een aangrijpend artikel. De titel is ‘Wraak van een vader’ en het gaat over de gedachten van de moeder over de dood van haar twee zoons. De tekst is geschreven door Maud Efting en de inleiding luidt als volgt:
Lucelle, de moeder van de tweeling (10) die begin september in Schoonloo door hun vader werd vermoord, wil dit gezegd hebben: haar zoons waren gelukkig, en hun vader had het recht niet hen van het leven te beroven. ‘Daar is nooit een reden voor.’

Voor de helderheid: ik ben het er uiteraard volstrekt mee eens dat ouders hun kinderen niet van het leven mogen beroven. Moord is daarvan de ultieme vorm. Er zijn echter vele andere manieren waarop je als ouders je kinderen voor een deel van hun gelukkige leven kunt beroven. Sommige daarvan zijn sociaal gezien zelfs uitermate geaccepteerd en worden in het geheel niet gezien als iets waartoe ouders het recht niet hebben. Daarom wordt dit mogelijk een oncomfortabel blog. Het zij zo; ik ben van mening dat bepaalde zaken te vaak onder het vloerkleed worden geveegd en ik wil dat vloerkleed eens optillen. Ik zal dat, zoals geregeld de laatste tijd, doen aan de hand van citaten, dit keer uit het magazine van vorige week.

Lucelle is bijna 18 als ze Bernd voor het eerst ontmoet in een ruige nachtkroeg in Groningen. (…) Bernd is drie jaar ouder, een totaal ander type. (…) Op dat moment zit ze in haar eindexamenjaar. Ze woont bij haar moeder, maar dat gaat niet goed. Sinds de scheiding van haar ouders mag ze haar vader nauwelijks zien, en daar verzet ze zich tegen: ze wil dat het eerlijk wordt verdeeld. ‘Ik was kwetsbaar. Bernd was een van de eerste mannen die ik tegenkwam en we woonden al snel samen. Ik was verliefd. Bernd was charmant; hij kon alles voor elkaar krijgen bij mensen. Pas veel later kwam ik erachter dat hij twee gezichten had. Hij kon heel onaangenaam zijn. Onberekenbaar. (…) Als kind was hij onhandelbaar. (…) Ook zijn ouders konden hem op een gegeven moment niet meer aan. Ze hebben hem zelfs een tijd lang uit huis laten plaatsen, in een jeugdinternaat. Ze vonden dat hij hard moest worden aangepakt.

Deze alinea zit al tjokvol met zorgelijke aspecten. Lucelle is kind van gescheiden ouders en de periode na de scheiding verloopt moeizaam. Ze wil ook bij haar vader zijn; de loyaliteit naar beide ouders toe verscheurt haar emotioneel en ze wordt er onzeker van. Dat heeft invloed op haar partnerkeuze.
Bij Bernd thuis gaat het ook niet goed. Zijn ouders zijn niet in staat hem de zorg te bieden die hij blijkbaar nodig heeft, want hij word ‘onhandelbaar’ en wordt uiteindelijk zelfs uit huis geplaatst. Ze denken dat een harde aanpak de oplossing is. Bernd wordt hierdoor waarschijnlijk voor het leven getekend, met uiteindelijk tragische gevolgen.Voor meer ideeën over de gevolgen van straf en een harde aanpak verwijs ik graag naar het werk van Alfie Kohn. (Overigens is uit huis plaatsen voor een wat ouder kind denk ik vergelijkbaar met het wegleggen en alleen laten van een huilende baby: beide kinderen krijgen niet de liefdevolle zorg die ze, juist als het moeilijk met ze gaat, zo vreselijk hard nodig hebben.)

‘Ik was ergens in de 20, zegt Lucelle, ‘toen ik erachter kwam dat Bernd er naast mij andere vrouwen op nahield.’ Het zijn er velen, al weet ze dat dan nog niet. (…) Talloze keren maakte ze het uit. ‘Maar steeds wist hij me op kwetsbare momenten weer naar zich toe te trekken. (…) Ik had alle reden, zegt Lucelle, om bij hem weg te gaan. Ik neem het mezelf nu elke dag kwalijk dat ik dat toen niet heb gedaan. Ik heb daar wel boeken over gelezen. Zonder al te veel te willen psychologiseren, weet ik dat er vrouwen zijn met een nogal vergaand, helpend karakter. Vrouwen die voortdurend proberen iemand te helpen die eigenlijk niet geholpen wil worden. Kennelijk haalde ik daar iets uit. Anders was ik niet zo lang bij hem gebleven.’

Hier wordt gesteld dat Bernd er telkens weer in slaagt om Lucelle voor zich te winnen. Zoiets heeft echter alleen maar kans van slagen als ook de ander, Lucelle in dit geval, met dat spel meedoet. De oorzaak dat deze dynamiek in stand blijft, ligt dus bij beide partners. Ze vallen vermoedelijk beide ten prooi aan een diep verlangen om de onvervulde behoeften van de kindertijd alsnog te bevredigen en zo houden ze elkaar gevangen in een destructieve interactie.

Lucelle ontdekt op een goed moment, als inmiddels de tweeling is geboren en Bernd op de maandagen uitstapjes maakt met de kinderen, dat hij toch weer in het geheim een relatie met een andere vrouw heeft. Hij heeft die andere vrouw verteld dat hij in scheiding ligt. Lucelle krijgt contact met deze vrouw en samen ontdekken ze dat er heel veel niet klopt in de uitspraken van de man met wie ze samenleven.

Dat was het moment waarop ik besloot dat ik niet meer gemanipuleerd wilde worden.

Deze gedachte is blijkbaar niet nieuw. Lucelle weet dat ze wordt gemanipuleerd en heeft zich dit jaren laten aanleunen. Ligt het voor de hand dat een mens dat accepteert, wanneer er sprake is van een goed ontwikkeld zelfbewustzijn? Wanneer je weet wat je waard bent, laat je dan jaar in jaar uit toe dat degene met wie je getrouwd bent, misbruik maakt van je vertrouwen?

Ze vertelt Bernd dat ze wil scheiden en zijn reactie is heftig.
Ik sliep, maar ineens hoorde ik enge geluiden. Toen ik naar beneden ging, leek hij aan de trap te hangen. Maar toen ik er was, had hij zichzelf al bevrijd. Trillend stond ik daar. Ik dacht: oh god, straks hebben mijn kinderen geen vader meer. Maar ik wist dat ik moest doorzetten. Nog steeds denk ik dat hij het niet echt heeft willen doen. Hij wilde laten zien: dit gebeurt er als je weggaat.

De situatie wordt met dit voorval grimmiger. Er kan worden gezegd dat Bernd alle mogelijke chantage- en manipulatiemethoden in de strijd werpt. Evengoed kan worden gezegd dat de wanhoop die Bernd als kind voelde, steeds grotere vormen aanneemt en tot steeds extremer gedrag leidt. Kunnen we hem dit aanrekenen?

In 2006 scheiden ze. ‘Ik herinner me nog goed dat ik in mijn auto zat, met de kinderen achterin en een boedelbak met de belangrijkste spulletjes. Ik dacht: en nu ben ik echt weg.’

De kinderen maken dit allemaal mee. Wat doet dit met hun loyaliteitsgevoel? Hoe verhoudt zich hun emotionele beleving tot die van Lucelle toen zij zelf met de scheiding van haar ouders te maken kreeg?

Er volgt co-ouderschap.
‘Zo wilde ik het ook. Door mijn verleden had ik een sterk rechtvaardigheidsgevoel: het moest eerlijk gaan.’ De regeling loopt goed. (…) Wel krijgen ze een financieel conflict. ‘Ik zei: Bernd, je hebt me verschrikkelijk belazerd, ik wil dat je dit rechtzet. Eerst probeerde ik het zelf op te lossen, maar hij stond nergens voor open. Uiteindelijk ben ik naar de rechter gegaan.’ De tweeling merkt daar niets van. ‘Ik heb het ze nooit verteld. Hij deed dat volgens mij ook niet.’
De kinderen wennen snel aan het ritme. ‘Ze hebben er nooit echt verdriet over gehad. Het was zo. Als ze bij mij kwamen, zeiden ze altijd: we hebben je zo gemist, mama. En dan knuffelden we.

Lucelle geeft hier aan dat ze een sterk rechtvaardigheidsgevoel heeft ontwikkeld. Om te weten of dingen ‘eerlijk’ gaan of ‘eerlijk’ voelen, zouden we echter niet de ouders, maar de kinderen moeten vragen. Wat ouders als ‘eerlijk’ ervaren, kan door de kinderen heel anders worden beleefd. En al gaat het nóg zo ‘eerlijk’, dan hoeft het nog steeds niet prettig te zijn. En daarvoor hoeft er ook niet per sé te worden geschreeuwd. Kinderen nemen op een subtiel niveau waar of dingen in orde zijn. Ze voelen de stress van de ouders; cortisol is besmettelijk, zogezegd. En wanneer je midden in een rechtszaak zit en er financiële problemen zijn, dan is stress onvermijdelijk. Dat kinderen wel vóelen dat er van alles aan de hand is, maar niet weten wát er speelt, dat maakt het juist extra ingewikkeld voor ze. Dat ze niet klagen, betekent niet onvermijdelijk dat ze gelukkig zijn en nergens wat van merken. Puur het feit dat papa niet meer in huis woont, is immers al onontkoombaar. Als ze dan ook nog thuiskomen en zeggen dat ze mama zo hebben gemist… kunnen we dan in alle redelijkheid volhouden dat deze kinderen geen verdriet van de situatie hebben ondervonden?

‘De jongens zeiden nooit dat ze niet naar hun vader wilden. (…) Wel ging het soms mis als Jasper of Marijn met een vriendje had afgesproken. Bernd kon soms zomaar ineens zeggen dat het niet doorging. Hun vriendjes stonden dan teleurgesteld op het schoolplein, maar daar had hij geen boodschap aan. Hij liep gewoon door. ‘Marijn had daar de meeste moeite mee. Voor de zomer had hij een belangrijke kampioenswedstrijd van voetbal, maar ineens zei zijn vader: we gaan niet. Marijn was in tranen. Ik ben een week bezig geweest om te onderhandelen met Bernd. Maar zijn credo was: ik zeg het en dus moeten mijn kinderen luisteren. Dat was het enige waarover de jongens klaagden. Maar het werd nooit zo erg dat ik dacht dat het niet kon worden opgelost. We hadden een financieel conflict, maar we zaten niet in een vechtscheiding. In het bijzijn van de kinderen hebben we nooit ruzie gemaakt. Ze hebben ons nog nooit horen schreeuwen. Jasper en Marijn waren gelukkig.

De onredelijkheid, de oneerlijkheid van de beslissingen van hun vader… dat was ‘het enige’ waarover de kinderen klaagden. Is dat een kleinigheid…? Of leidt die onhebbelijkheid van hun vader tot beslissingen die de jeugd van deze jongens kleurt? En hoe komt het dat Lucelle dit soort zaken, die diep ingrijpen in hoe een kind de veiligheid bij en het vertrouwen in de ouders ervaart, niet als heel ernstig beschouwt? Komt dat omdat ze zelf nog veel ergere dingen meemaakte toen ze jong was? Of komt het omdat we als samenleving te weinig de ernst van dit soort gebeurtenissen inzien, dat we ons niet of onvoldoende realiseren wat de impact ervan is op het functioneren van het kind als het eenmaal volwassen is?

‘Wat als ik hem had gezien voor de man die hij was? Had ik het kúnnen voorzien? Had ik het moeten zien? Waarom ben ik zo lang bij hem gebleven? (…) Hij had wel zakelijke problemen en er was een relatie verbroken. Maar dat zijn geen redenen om je kinderen iets aan te doen. Daar is nooit een reden voor. (…) Ik elke geval neem ik het mezelf nu verschrikkelijk kwalijk dat ik daar nooit het gevaar van heb ingezien [van het zelfbeeld van Bernd, MVK]. Daar moet ik nu doorheen. Ik weet echt niet hoe ik daar verder mee moet leven. Ik wilde dat ze hun vader even vaak zagen als hun moeder. Daar zorgde ik voor, ondanks het feit dat ik hem vaak een onhebbelijke man vond en het liefst niets meer met hem te maken wilde hebben als er geen kinderen waren geweest. Maar ze hadden recht op een vader en op een jeugd zonder geruzie. Dat heb ik ze gegund – vanaf het allereerste begin.

We nemen in de opvoeding waarschijnlijk allemaal als uitgangspunt dat we onze kinderen niets willen aandoen wat hen schade berokkent. Toch is het een gegeven dat we in onze onvolmaaktheid allemaal dingen doen die hen pijn doen, lichamelijk of geestelijk. Moord is daarvan het aller-uiterste. Toch kunnen we hun ziel ook beschadigen en hun levenslust een stukje doden door minder extreme handelwijzen: schelden, straffen, vernederen, slaan, alleen laten, behoeften negeren, hun veilige thuis ontmantelen, er niet voor ze zijn met liefde en aandacht omdat we te weinig tijd vrijmaken, hun plannen niet serieus nemen, hun enthousiasme inperken. Hoe zwaarder belast de geschiedenis van de beide ouders is, hoe groter de kans dat ze de zorg voor hun kinderen als belastend ervaren en er niet in slagen de veilige basis voor hun gezin te behouden. De situatie met Lucelle en Bernd en hun kinderen is daarvan een uitzonderlijk voorbeeld. Laten we ons er als ouders bewust van zijn dat het vaak een gradatieverschil is en geen wezenlijk verschil, hoe erg in dit geval de uitkomsten ook zijn. Lucelle en Bernd waren allebei beschadigd door hun baby- en kindertijd en dit transgenerationele effect is helaas meer regel dan uitzondering. Mijn conclusie is dan ook dat in dit gezin iedereen slachtoffer was en beide ouders een aandeel hadden in het verloop van het geheel.
Wat kunnen we doen als samenleving om schade aan kinderen te voorkomen? Deel gerust je visie hieronder!