Posts tonen met het label coregulatie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label coregulatie. Alle posts tonen

woensdag 29 januari 2014

Positief Opvoeden Drenthe, deel 4

Vandaag bespreek ik uit de serie van Positief Opvoeden Drenthe de folder ‘Baby’s huilen’, met als ondertitel: ‘Het communiceren van je baby’.
De ondertitel geeft een belangrijk aspect van het huilen aan: het is communicatie. Het is niet de meest subtiele vorm van communicatie, maar communicatie desalniettemin. Je leest vaak dat baby’s in het begin nu eenmaal alleen kunnen huilen om hun wensen kenbaar te maken. Dit is een zeer groot misverstand. Het werk van Marshall en Phyllis Klaus laat zien dat baby’s vanaf dag 1 intensief met hun primaire hechtingsfiguren communiceren via mimiek en handbewegingen en lichaamsactiviteit. Het boek ‘Your Amazing Newborn’ (in het Nederlands: 'Je wonderbaarlijke baby') laat daarvan prachtige, ontroerende voorbeelden zien. De kunst (en de taak!) voor ouders is om die signalen op te vangen en er adequaat op te reageren. Dat heeft de baby nodig om zich goed te voelen.
De opmerking op pagina 02 is dan ook zorgelijk: Als je baby huilt, mag je er direct naar toe, maar je kunt je baby ook even de tijd geven om tot zichzelf te komen.
Om te beginnen is het woord ‘mag’ misplaatst. Het is niet aan een opvoedprogramma om ouders ‘toestemming’ te geven adequaat en sensitief op hun kind te reageren. Ouders zijn autonoom en hebben geen toestemming van zorgverleners nodig. Er is simpelweg in de meeste gevallen waarin een kind huilt, geen betere oplossing dan erheen gaan en je kind troosten. Het is een illusie te denken dat ze uit zichzelf, zonder steun, zonder coregulatie, ‘tot zichzelf’ zal komen. Het is waar dat kinderen uiteindelijk vaak wel stil worden, maar dat is geen bewijs van ‘rust’ of ‘tevredenheid’, maar van ‘zich terugtrekken’, ‘de moed opgeven’.

Pagina 03: Hij gaat naar zijn vingertjes staren, geluidjes maken, omdraaien, op zijn speen zuigen en dat is natuurlijk allemaal leuker dan huilen.
Bijzonder, dat hier de fopspeen wordt geïntroduceerd, terwijl er zoveel andere mogelijkheden zijn die kunnen worden beschreven. Een speen is geen standaard attribuut voor een baby (het is een zoethoudertje!) en er kleven, zeker in het begin, ook nadelen aan voor de borstvoedingsrelatie.

Er is een wisselwerking tussen jou en je kindje. Maar bedenk wel dat hij nooit huilt om jou overstuur te krijgen. Probeer je erbij neer te leggen en doe je best om niet teveel met hem bezig te zijn omdat je daarmee zijn slaap- en eetritme zou kunnen verstoren.
(De spelfout is niet van mij.)
Wat kinderen in hun vroege levensfase nodig hebben, is de aanwezigheid van vertrouwde mensen. Primair is dat meestal de moeder, waarna de vader/partner van moeder, broertjes en zusjes en opa’s en oma’s langzaam aan het repertoire worden toegevoegd. Wat betekent in deze context ‘niet teveel met hem bezig zijn’? Betekent dat: laat hem ‘met rust’, of anders gezegd… ‘laat hem alleen’? Het is me niet duidelijk.

Als je kindje ouder wordt, leert hij andere manieren om met je te communiceren en gaat hij  minder huilen. Zoals gezegd, hebben baby’s vanaf het begin vele subtiele vormen van communicatie tot hun beschikking… als je maar goed observeert! Huilen is dikwijls het laatste stadium. Wanneer je de andere pogingen van je kind om je iets duidelijk te maken, hebt gemist, neemt ze haar toevlucht tot het uiterste wat ze beschikbaar heeft: huilen, ook wel de ‘separation distress call’ genoemd.
Geef je jouw baby meer aandacht als hij huilt en minder als hij stil is, dan kan hij meer gaan huilen dan normaal.
Hier zitten diverse lastige aannames in: er wordt verondersteld dat er een ‘normale’ hoeveelheid huilen bestaat en ook dat een baby die stil is, geen aandacht behoeft. Beide zijn niet juist.

Schenk je baby de meeste aandacht als hij wakker is en kalm.(…)
Pagina 04:
Hij leert zo dat hij 100% jouw aandacht heeft als hij rustig is. En jou aandacht is leuk!
(De taalfout is niet van mij.)
Hier stuiten we op hetzelfde probleem als eerder: er wordt een behavioristische aanpak bepleit, eentje waarbij het kind wordt ‘afgericht’. Ik vraag vaak aan mensen hoe dit eruit zou zien als je het naar volwassen gedrag zou vertalen. Stel, je buurvrouw komt langs en is overstuur. Je hebt geleerd dat je haar aandacht kunt geven als ze ‘wakker is en kalm’ en dat je minder aandacht moet geven als ze huilt. Haar beste vriendin is overleden, maar je moet haar immers de kans geven ‘tot zichzelf’ te komen en als je haar meer aandacht geeft nu ze huilt, zal ze nóg meer gaan huilen en denken dat vaker huilen effectief is om je aandacht te krijgen. Dat wil je natuurlijk voorkomen, dus je negeert haar.
Wat vinden we hiervan met z’n allen? Is dit een ethisch en sociaal verantwoorde aanpak? En wanneer we daarop ‘nee’ zeggen waar het volwassenen betreft, waarom zouden we het dan wel acceptabel vinden in opvoedinterventies voor kleine baby’s en jonge kinderen, die eerst volledig en daarna nog lang voor een groot deel van die coregulatie afhankelijk zijn?

Over waar baby’s zich mee vermaken: Waar ze graag naar kijken zijn voorwerpen met heldere kleuren en contrasten.
Dit kan baby’s inderdaad bezig houden, maar het allerleukste is natuurlijk… het gezicht van de mensen van wie je kind houdt, contact met levende wezens, die interactie genereren!

Een paar maanden na de geboorte is het goed om regelmaat aan te brengen in de eet- en slaaptijden.
Dit is altijd een uitermate lastig begrip, want wat wordt er onder ‘regelmaat’ verstaan? Regelmatig worden ouders naar huis gestuurd met zeer strakke schema’s, die ze zelf hebben bedacht en die soms totaal niet aansluiten bij het ritme van hun jonge kind. Dit levert meer stress op dan het voorkomt.
In deze alinea wordt verder gesteld dat het in bed leggen vaak nog even gepaard [gaat] met een beetje huilen en dan is de vraag natuurlijk: wat is de definitie van ‘een beetje’? Er zijn namelijk methodes die stellen dat je een baby gerust een kwartier of een half uur of nog langer kunt laten huilen. Hier zijn echter heel veel fysiologische en hechtingsbezwaren tegen in te brengen.

Onderaan de pagina lezen we: Baby’s huilen niet voor niets. Dat lijkt me een cruciaal punt.

Pagina 05: Denk je dat hij dorst heeft? Geef hem dan wat afgekoeld gekookt water of wat (borst)voeding. Wanneer we uitgaan van normale voeding voor een mensenbaby (mensenmelk, gedronken aan de moederborst), is het een vreemde suggestie om water aan te bieden. Dit advies komt verderop op de pagina nog een keer aan bod, terwijl we spreken over een leeftijdscategorie die volgens de WHO-aanbevelingen nog exclusief borstvoeding zou moeten krijgen.

Onderaan de pagina wordt beschreven wat je kunt doen ter ontspanning: Kijk wat goed bij je past en wat je kindje helpt te ontspannen. Opnieuw: zou de eerste vraag niet moeten zijn wat de baby nodig heeft? En wat is de reden dat op pagina 06 de draagdoek niet wordt genoemd als tip om je baby te laten ontspannen? Dat is een heel primaire stap om te zetten, eentje die het rondlopen mogelijk maakt, maar dan wel op een manier die de drager ontlast (handen vrij!) en de baby een intens gevoel van geborgenheid geeft. Ook mis ik de suggestie om je baby aan de borst te leggen. Er wordt voorgesteld een fopspeen (die niet voor niets zo heet!) aan te bieden of een schone vinger, maar dit zijn beide ontoereikende substituten voor wat een baby biologisch gezien wil als ze wil zuigen: de borst.

Onder de kop ‘Wat als het huilen niet over gaat?’ worden zeer zorgelijke adviezen gegeven.
Laat hem vervolgens maximaal 5 minuten alleen. Vind je dit niet prettig, blijf dan gerust bij ‘m in de kamer, maar maak geen oogcontact.
Dit is voor een baby een intens verontrustende situatie, een primaire hechtingsfiguur die geen oogcontact maakt en het contact dus uit de weg gaat, die zich niet verbindt met dat hulpeloze mensje. Dit is een variant van de al dertig, veertig jaren bekende ‘still face procedure’, die je hier kunt observeren. Hartverscheurend en wreed.
Het advies om geen oogcontact te maken, wordt gevolgd door de aanbeveling je kind alleen te laten, net zo lang en zo vaak als nodig is om het kind te laten stoppen met huilen. Je kunt dit gerust een kwartier lang proberen, zegt de tekst.
Ik weet niet waar te beginnen om uit te leggen dat dit een slecht idee is. Ik verwijs bij voorkeur naar het blog dat ik maanden geleden postte en dat laat zien wat de gevolgen kunnen zijn als een moeder dit soort adviezen nauwgezet opvolgt. Hier lees je een indringende eigen ervaring. En lees ook dit blog eens (in het Engels), om te ervaren hoe dat voelt.

En onderaan de pagina: Zo leert je baby dat hem wat moois staat te wachten als hij kalm en rustig is: de aandacht van zijn ouders.
Een baby moet de aandacht van zijn ouders niet hoeven te verdienen; dat is een zeer merkwaardige en zeer voorwaardelijke vorm van ouderschap, heel anders dan het ónvoorwaardelijk ouderschap dat Alfie Kohn bepleit. Zoals hij zegt: “Hoe moeilijker je kind het heeft en hoe lastiger haar gedrag, hoe harder ze je nodig heeft.”

Tot slot, op pagina 07: Bedenk dat huilen niet direct betekent dat je kindje pijn heeft of erg verdrietig is. Wat is dan wel de oorzaak… aangeboren zeur- en wangedrag…?
Stel jezelf maar gerust dat het niet schadelijk voor hem is en push jezelf niet om hem te blijven troosten terwijl jezelf moe of geïrriteerd bent. Het kan echt geen kwaad om hem een kwartiertjes te laten huilen.
(…)
Leg je kindje zoveel mogelijk in zijn eigen bedje en laat hem alleen.

Tsja… I rest my case. De ‘love withdrawal’-technieken zijn pijnlijk hardnekkig… En straks iedereen mopperen dat de kinderen zo ontevreden zijn en zich niet inleven in de ander… Wie wind zaait, zal storm oogsten.

woensdag 15 januari 2014

Positief Opvoeden Drenthe, deel 2

Afgelopen week schreef ik de inleiding tot de blogserie over ‘Positief Opvoeden Drenthe’ met daarin een eerste analyse. Vandaag volgt deel 2 in de serie; daarin staat de brochure ‘Een leukere ouder in 10 stappen’ (ondertitel ‘De kracht van positief opvoeden’) centraal. Als altijd pak ik de meest opvallende punten eruit, waarmee niet gezegd wil zijn dat ik onverdeeld enthousiast ben over de rest van de tekst.

De folder is net als die van vorige week één A4 met aan de achterkant een opsomming van punten.
Punt 1.: Opvoeden kost veel energie. Zorg dus ook goed voor jezelf. Kun je rusten, doe het dan ook. Laat de boel de boel en doe iets wat je ontspant.
Kost opvoeden veel energie… of kost het zorgen voor een ander mens, zeker wanneer die volledig van jou afhankelijk is, veel energie? Ik zou zeggen: het laatste. Wanneer je in die eerste jaren goede zorg levert en een goed voorbeeld geeft, is daarmee een groot deel van de ‘opvoeding’ al gedaan.
Dat de folder begint met een beschrijving die de indruk wekt dat het primair een zware klus is, dat ‘opvoeden’ van je kinderen… dat vind ik niet geen al te bemoedigende formulering.
En nog veel treuriger vind ik dat in deze opsomming de ouder weer bovenaan staat; waar is de focus op de behoeften van het kind?

Punt 2. stelt: Prijs je kind zo vaak mogelijk bij goed gedrag. Je zult dan zien dat ze zich steeds vaker goed gaan gedragen.
Hier springt opnieuw de behavioristische aanpak in het oog. De opvoeding dient blijkbaar gericht te zijn op ‘goed gedrag’ (definitie ontbreekt…) en dat kun je bewerkstelligen door je kind te conditioneren. Leeft er onder dat vernislaagje bij je kind echter ook de overtuiging dat het ‘vereiste’ gedrag zinvol of wenselijk is? Is juist dát niet wat je kind nodig heeft om prosociaal gedrag te blijven vertonen, ook als er geen ouderlijk toezicht is? Dat vereist intrinsieke motivatie en die blijkt, zoals Alfie Kohn in zijn boek ‘Punished by Rewards’ laat zien, alleen maar af te nemen bij voortdurende materiële of verbale beloning.

Punt 3.: Een knuffel, een kus, op schoot een aai over de bol, je kind vindt het altijd fijn en kan er geen genoeg van krijgen.
Kinderen gedijen inderdaad op liefdevolle aanraking en het klopt dat je ze daarmee niet kunt verwennen. Elders in andere uitgaven wordt echter betoogd dat je het kind bij ‘ongewenst gedrag’ (definitie ontbreekt…) juist je liefde en aandacht moet onthouden. Dat schept verwarring; dat is niet ‘consequent’, zoals op andere plekken met klem wordt geadviseerd.

Punt 4., 5. en 6. en 10. zijn een herhaling van dezelfde punten op de vorige brochure (regels stellen, perfecte ouder en kind bestaan niet, aanmoedigen en complimenteren, ruimte in huis maken voor lekker spelen). Ten aanzien van ‘streng en consequent opvoeden’ is dit overigens een mooie link. Klik ook vooral door naar het stuk onder het woord ‘Vonk’.

Punt 7.: Blijf altijd rustig bij vervelend gedrag. Zeg dat je kind ermee moet stoppen en maak hem of haar duidelijk hoe het wel moet. Prijs je kind als het doet wat je zegt.
Hier lijkt geen twijfel te bestaan over de vraag of dat wat je als ouder zegt tegen of eist van je kind, boven elke discussie verheven is. Jouw wil is wet, blijkbaar, en tegen dat uitgangspunt maak ik bezwaar, want hier wordt geen enkele overlegmogelijkheid ingebouwd. Ook wordt hier niet onderzocht wat de oorzaak is van het gedrag dat de ouder niet bevalt. Er wordt aan symptoombestrijding gedaan (stoppen) in plaats van aan probleemonderzoek en -oplossing.
En nog een punt van belang: maakt het wat uit wat de opvoeder zegt over wat het kind moet doen? Of is het volstrekt irrelevant wat je verlangt en moet je kind je gewoon klakkeloos gehoorzamen? Dat idee van ‘Befehl ist Befehl’ heeft op vele momenten in de geschiedenis niet tot zulke goede resultaten geleid. Autonome denkers die vragen blijven stellen, zijn een uiterst noodzakelijke factor om een samenleving blijvend goed te laten functioneren. Onze kinderen worden, sneller dan we ons kunnen voorstellen als ze 0 of 3 of 10 zijn, een volwassen onderdeel van die samenleving. Wat verwachten we van hen? Welke eigenschappen zien we graag ontwikkeld in ons nageslacht? Kijk maar eens naar de derde slide van de presentatie van socioloog Henk de Vos, die hij op 13 januari in Eelde gaf. Daar zien we een rijtje eigenschappen die ouders als belangrijk opgeven; de bovenste drie, de drie die de hoogste prioriteit krijgen, zijn zo ongeveer precies het tegenovergestelde van wat met TripleP/POD wordt bepleit. Het voorbeeld van de ouders doet immers volgen? Wanneer zij worden aangemoedigd zeer beperkt rekening te houden met de behoeften van hun kind, maar haar afschilderen als een kleine machtswellusteling die je kort moet houden… wat kunnen ze dan verwachten van het verantwoordelijkheidsgevoel, de autonomie en de empathie van hun kroost?

Punt 8.: Maak tijd voor je zoon of dochter en geef je kind aandacht. Lees voor of doe samen wat leuks en leg daar je krantje of andere bezigheden even voor opzij.
Even…?  En wat is de definitie van ‘iets leuks’…? Is samen bezig zijn met van alles in de keuken of samen boodschappen doen niet net zo goed iets leuks als samen lezen of een spelletje doen? Heel veel hangt af van de wijze waarop de volwassene de activiteit aangaat en deelt met het kind.

Punt 9.: Vertel je kind hoe je dag was en vraag wat hij of zij allemaal heeft gedaan.
Begrijp ik hieruit dat het kind eerst moet luisteren naar wat *jij* als ouder hebt gedaan en pas dán zelf aan de beurt is…? Over welke leeftijdsgroep spreken we hier? Andermaal wordt de ouder op de eerste plaats gezet en moet het kind haar beurt afwachten. Hoe jonger het kind, hoe groter het belang om ruimte te bieden voor spontane ontboezemingen, waarin het kind niet hoeft te wachten tot de verhalen uit de wereld van de volwassene zijn verteld. Je bent als ouder in de beginjaren de coregulerende factor: je bevredigt de behoeften van je kind en je kind leert daardoor de eigen behoeften te reguleren (zelfregulatie). Dit fysiologische feit hoort basiskennis te zijn voor zorgverleners en opvoeders: stressregulatie begint met coregulatie. Dát is de manier waarop de HPA-as tot een juist afstelling kan komen en ook later in het leven adequaat kan werken. Lees hier maar eens (in het Engels, scroll bijvoorbeeld naar ‘Stress and Disease’), wat de HPA-as voor invloed kan hebben, of hier.
Naar mijn mening heb je als ouder ten opzichte van je kind primair plichten (of taken of verantwoordelijkheden, zo je wilt) en veel minder rechten, maar ik heb de indruk dat dit in veel settings en in veel ‘opvoedmethodes’ vloeken in de kerk is. Het blijkt een heel moeilijke uitspraak te zijn, want het motto is vaak: “Het moet wel leuk blijven”, “Ik wil ook tijd voor mezelf hebben”, “Ik heb zelf ook een leven!”. Dit is ook wat de folders ademen: “Hoe houd ik ondanks mijn kind, mijn eigen leven leefbaar?”
Lees voor de aardigheid dit stuk eens, getiteld ‘Apenkunstjes’. Of lees dit artikel, eveneens van de hand van Gabriëlle Jurriaans, over de miljoenen die met het opvoedprogramma gemoeid zijn. Is dat wat we willen met onze kinderen, dat ze opzitten en pootjes geven om het ons gemakkelijk te maken? Willen we hun voorleven dat onvoorwaardelijkheid niet bestaat en dat ze zich overeenkomstig onze eisen moeten gedragen om onze liefde te verdienen? Mijn antwoord daarop is een helder ‘nee’. Nu nog kijken hoe we deze methode de wereld uit krijgen. Dat is een hele kluif, want ik heb nóg elf folders liggen en het schijnt dat er op de cb’s binnenkort alléén nog maar deze folders mogen liggen… zucht. Arme kinderen, arme ouders, arme samenleving…

Zo dadelijk heb ik een gesprek met iemand van de organisatie die deze folders mede uitgeeft. Ik ben benieuwd waar we op uitkomen!

woensdag 9 oktober 2013

Richtlijn excessief huilen, deel 5

Het is weer woensdag en dus wil ik graag weer een blog met jullie delen over de richtlijn aangaande excessief huilen van het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid. Vandaag start ik op pagina 33.

Hier lezen we de volgende aanbeveling:
Professionals die worden geconfronteerd met excessief huilende baby’s dienen zich bewust te zijn van het verband tussen stress en emotionele problemen bij ouders en het vele huilen van de baby. Het is aan te raden om de psychosociale situatie van de gezinnen goed in kaart te brengen en zo nodig ondersteuning te bieden.

Dit lijkt me een kernthema. We zouden het ook niet alleen over de hechting van de báby moeten hebben, als je het mij vraagt, maar zeer zeker ook de hechting en geschiedenis van de ouders in het totaalbeeld moeten betrekken. Zoals Ingeborg Bosch zegt over de methodiek Past Reality Integration: PRI leert mensen zichzelf te bevrijden uit de greep van destructieve gevoelens en gedragingen zoals angst, somberheid, stress, boosheid en verslavingen. PRI beschouwt ze als afweren die dienen als bescherming tegen pijn uit het verleden. Door PRI worden we ons bewust van hoe en wanneer we in deze afweren verstrikt raken, en leren we hoe ze te ontmantelen. Dan zullen we steeds evenwichtiger en liefdevoller in het leven staan. Dat maakt, ook voor de kinderen om ons heen, een wereld van verschil.
Op de dvd ‘Een baby’s wereld’ zegt ze in lijn hiermee: Het is moeilijk om aan onze kinderen te geven wat we zelf niet hebben gehad. Ik denk dat dit nadrukkelijk naar voren komt wanneer we spreken over omgaan met excessief huilen.

Eveneens op pagina 33 wordt het verschijnsel KISS beschreven, een aandoening waarbij er sprake is van klemming ter hoogte van de halswervels, mogelijk als gevolg van de baring, met vele gevolgen voor de patiënt. Hypertonie (overmatige spanning in de spieren en overstrekken van het lichaam) is één van de symptomen van KISS. Veel ouders die de erbij behorende onrust in hun kind waarnemen en behandeling via een manueel therapeut in gang zetten, hebben daarmee goede ervaringen. Het lijkt fysiologisch ook heel begrijpelijk dat de geboorte (of de houding in de baarmoeder) soms tot deze klachten kan leiden, zeker als er een kunstverlossing heeft plaatsgevonden en er veel aan het kindje is getrokken.
Er is één geval geweest waarbij de therapeut niet capabel bleek en het kindje tijdens de craniosacrale behandeling is overleden. Dit is voor de kernredactie aanleiding om dit type behandeling taboe te verklaren. Er overlijden echter ook kinderen aan allerlei andere zaken. Worden alle behandelingen of situaties die daartoe de aanleiding vormden, ook allemaal terzijde geschoven als gevaarlijk en levensbedreigend…? (Ik denk aan operaties of aan chemotherapie.)

Onderaan bladzijde 34 lezen we dat meer onderzoek naar probiotica gewenst is, omdat er hier en daar goede resultaten mee worden geboekt. Zou dat dan niet ook moeten gelden voor behandelingsvormen waarmee ouders goede resultaten ervaren, zoals manuele therapie?
Er lijkt een duidelijke bias bij de redactie te bestaan voor wat wordt aanbevolen en wat wordt afgewezen als zinvolle behandeling. Het lijkt mij dat het aan ouders is om daarin op basis van gedegen informatie een keuze te maken.

Tot en met pagina 37 wordt een opsomming gegeven van mogelijke oorzaken van excessief huilen. Op pagina 38 wordt een aantal conclusies geformuleerd en in de eerste staat: Er zijn aanwijzingen dat in minder dan 5% van de baby’s een medische oorzaak aan het excessieve huilen ten grondslag ligt.
Is het percentage van 5% bedoeld om aan te geven dat we ons geen zorgen hoeven te maken, omdat er immers bij 95% geen sprake is van een ‘medische’ oorzaak…?
En hoe moeten we het woord ‘medisch’ verstaan? Een kleine zoektocht op internet leidt tot omschrijvingen als ‘tot de geneeskunde behorend’, ‘geneeskundig’, ‘wat met gezondheid, ziekte en artsen te maken heeft’. Dat zijn heel brede omschrijvingen, die niet specifiek bepaalde gebieden, zoals het geestelijk welbevinden, lijken uit te sluiten. De richtlijn maakt, bijvoorbeeld op pagina 35, een onderscheid tussen ‘medische’ en ‘psychosociale’ diagnostiek. Is dat onderscheid in deze vorm terecht? Splitsen we een mens dan niet op een vreemde wijze op in twee delen die zogenaamd niets met elkaar te maken hebben? Heb je dan ‘geneeskunde’ in de vorm van ‘gezondheid’ aan de ene kant en ‘psychosociale’ zaken aan de andere kant? Het lijkt dan alsof het psychosociale deel van ons bestaan geen betrekking heeft op onze gezondheid. Zou er niet moeten staan dat er een verschil is tussen fysieke en psychosociale diagnostiek en zou men niet moeten onderkennen dat ze allebei ‘medisch’ zijn? Of vinden we het met z’n allen moeilijk of pijnlijk om ons voor te stellen dat een baby met psychische problemen zou kunnen kampen en dat die het huilen verklaren…?

Dat is inderdaad pijnlijk, maar ondenkbaar en uit de lucht gegrepen is het niet. Een baby is weliswaar neurologisch nog lang niet volgroeid, maar de amygdala en het limbisch brein zijn zeer goed in staat om angst en onrust te registreren en op te slaan als een emotie. Basaal zijn er in die emoties twee opties voor een baby: veilig of niet veilig. (Ik heb het al in een eerder blog genoemd.) Wanneer de baby de omgeving als onveilig ervaart, zal dat zeker aanleiding tot huilen kunnen zijn.
Als slechts krap 5% ‘medisch’ is (aangenomen dat hier wordt geduid op een somatische/fysieke oorzaak en geen psychosociale), zouden we ons dan juist niet extra veel zorgen moeten maken over die 95% waarbij blijkbaar iets anders aan de hand is? Als zo’n grote groep kinderen veel huilt, zonder dat er sprake is van lichamelijke ziekte… is dat dan niet letterlijk en figuurlijk een alarmerend signaal?

En hoe zouden we omgaan met de psychosociale component bij onze volwassen medemens? Afgelopen week heb ik twee keer het volgende voorbeeld aangehaald als analogie.
Je gaat op bezoek bij de buurvrouw, je praat wat en dan barst ze in huilen uit: haar beste vriendin blijkt te zijn overleden. We onderzoeken de ‘medische’, niet-psychosociale componenten van haar emotionele staat: ze heeft het niet te koud en niet te warm, ze heeft comfortabele kleren aan, ze heeft geen honger en geen dorst, ze heeft geen fysieke verwondingen met pijn, ze heeft geen urineweginfectie, ze hoeft niet naar de wc, ze is niet allergisch, ze heeft geen reflux, is niet depressief, heeft geen ernstig verstoorde darmflora, is niet zodanig vermoeid dat ze naar bed moet en ze heeft een dak boven haar hoofd. En toch blijft ze de komende weken veel huilen.
Wat doen we daar nu aan…? Welke verklaring geven we ervoor? Laten we haar alleen? Bakeren we haar in? Hanteren we een protocol van regelmaat, voorspelbaarheid en prikkelreductie? Leggen we haar wakker alleen in bed? Of bieden we coregulatie in de vorm van troost en nabijheid?

Onlangs hoorde ik weer deze uitspraak: “Wat je met je beste vrienden niet zou doen, wat je tegen hen niet zou zeggen… dat is meestal tegenover je kinderen ook geen goed idee.” Het zal heus niet altijd opgaan, maar het is een prachtig richtpunt.

zaterdag 22 juni 2013

Nieuwe aanpak: CBM

(Dit blog had een andere naam, maar ik heb van TBM nu CBM gemaakt; voor toelichting zie blog van 2 juli 2013.)
Gisteren las ik zowel in de Volkskrant als in het Dagblad van het Noorden een artikel over hoe voor veel vrouwen de bevalling tot een trauma leidt, zozeer zelfs dat de term PTSS erop van toepassing wordt verklaard.
Een posttraumatisch stresssyndroom, omdat je een kind hebt gebaard… Met een beetje inzicht in hoe voortplanting functioneert, kun je begrijpen dat dit vanuit evolutionair oogpunt een volstrekt onhoudbare situatie is. Om haar nageslacht te kunnen grootbrengen, tot een leeftijd waarop de jongen voor zichzelf kunnen zorgen, is het van uitzonderlijk groot belang dat een moeder goed bij zinnen is. Ze moet gezond zijn, ze moet alert zijn op haar omgeving, ze moet dat wat zich aan haar voordoet, op waarde kunnen schatten en in staat zijn te bepalen in hoeverre ze toenadering kan zoeken of juist vermijdingsgedrag moet vertonen. Ze moet kunnen coreguleren; ze moet de onrijpe functies van haar kind kunnen compenseren en bijsturen en haar boreling kunnen aanmoedigen om op onderzoek uit te gaan. Haar stresslevels moeten niet te hoog zijn, omdat stress ‘besmettelijk’ is voor haar kind en tot een ongezonde afstemming van het stresssysteem leidt.

Dit is een klein gedeelte van wat Wikipedia zegt over de symptomen van PTSS:
“De symptomen zijn herbeleving (nachtmerries of flashbacks), vermijding van herinneringen of emotionele uitschakeling hiervan, ernstige prikkelbaarheid en slaapstoornissen, extreme spanning als gevolg van bepaalde prikkels, irritatie en hevige schrikreacties. Het is ook mogelijk dat de persoon symptomen van andere psychische aandoeningen vertoont zoals een klinische depressie.”

Met zulke klachten (en met alle andere die verderop in het artikel worden beschreven of die hier worden genoemd) is het niet mogelijk om goed voor een kind te zorgen. Een kind heeft een primaire hechtingsfiguur nodig die stevig en stabiel met beide benen op de grond staat, niet één die zelf de bescherming en koestering nodig heeft waarop het kind bij de geboorte aanspraak maakt. Dit is één van de graphics in ‘Koester je kleintje’, een plaatje dat de essentie van het emotionele leven van een baby weergeeft:

Wanneer de moeder na de geboorte van haar kind voor een veilige omgeving moet zorgen, maar zélf juist steeds voor dit dilemma staat (‘Ben ik veilig?’) en er met ‘nee’ op antwoordt, komen de veilige hechting en de hersenontwikkeling van de baby ernstig in gevaar.
Natuurlijk is het dan belangrijk om de symptomen aan te pakken en te zorgen dat het trauma wordt verwerkt. Op die manier kan verdere schade aan zowel de moeder als de baby worden voorkomen.

Wat ik in de beide krantenartikelen echter geheel mis, is de vraag hoe iets wat de essentie van de voortplanting is (een kind baren) zodanig uit de hand heeft kunnen lopen dat het qua emotionele beleving gelijkstaat aan een oorlogstrauma. Het mag niet zo zijn dat we als samenleving alleen maar kijken naar hoe we die klachten kunnen verhelpen, zonder de onderliggende vraag te stellen: hoe kunnen we dat trauma voorkomen?

Sheila Kitzinger beschrijft in ‘Birth and Sex’ hoe de geboortecultuur in het westen alle spontaniteit is kwijtgeraakt en hoe dat tot pijn en onrust heeft geleid. Dat wat een psychoseksuele ervaring zou moeten zijn, een die een transitie markeert, is verworden tot een medisch-chirurgische crisis: “Pregnancy and birth are de-sexed and treated as medical conditions. Women are turned into objects on which doctors act.”

Nog een lang citaat, om een indruk te geven van wat volgens haar de huidige stand van zaken is:
Women are fed into the hospital system at one end, are processed through it, and come out at the other with a baby. Instead of being a personal private, intimate experience, the mother is on an assembly line. (…) ‘We need to restrain your hands otherwise you might contaminate my sterile field’, the obstetrician explains. (…) The woman is effectively split into two halves, the lower end the ‘working part’, which is the property of the obstetrician, and the upper segment, consisting of head, neck, shoulders, breasts and arms, which, one suspects the technician working down the other end would do away with if it were feasible. In the position of a beetle on its back she is instructed to push the baby out.
(…) Each woman is treated as an ambulant pelvis during pregnancy and a contracting uterus in labour.”

Zo is het eerst wel voldoende; you get the drift.
En natuurlijk zet Kitzinger het hier allemaal een beetje dik aan en moet je af en toe lachen om haar beschrijvingen. Ze zijn echter schokkend herkenbaar en dus eerder om te huilen dan om te lachen. Ze zijn in lijn met de zorgen die Michel Odent vaak uit ten aanzien van de manier waarop er wereldwijd met baring en geboorte wordt omgegaan.

Ik zou zeggen: laten we luisteren naar schrijvers als deze en ons serieus wat aantrekken van hoe zij de problematiek analyseren. Als ze ongelijk hadden, hadden we niet zulke onrustbarend hoge cijfers voor trauma en PTSS. Omwille van een gezonde samenleving moet een baring niet ‘traumatic’ maar ‘orgasmic’ zijn. Google maar eens, op ‘orgasmic birth’. Onrealistisch…? Verder weg van onze menselijke oorsprong dan de alsmaar stijgende sectio-cijfers…? Het lijkt mij niet. Het wordt tijd voor CBM, Confidence Based Medicine!

woensdag 5 december 2012

Zero separation!

De trein maakte snelheid en raasde weg uit België. Ik liet Brussel achter me en kan terugkijken op twee prachtige dagen, waarin Nils Bergman en zijn werk centraal stonden en dus ook ‘Koester je kleintje’. ‘Koester je kleintje’ wordt de titel van de Nederlandse vertaling van ‘Hold Your Prem’, het boek dat Jill Bergman samen met Nils schreef en oh, wat zou ik willen dat dat boek al af was… De boodschap van Nils moet de wereld in! Het is niet genoeg dat er hier en daar een paar mensen zijn die erover horen en die ademloos luisteren naar zijn revolutionaire betoog. De essentie van wat hij zegt, verdient, omwille van de gezondheid van onze kinderen en onszelf, een breed maatschappelijk draagvlak!

De Belgische vroedvrouwen (waarvan vele ook lactatiekundige zijn) hadden gisteren een studiedag over borstvoeding en het grootste deel van de dag was Nils aan het woord. Wie hem al eens heeft horen spreken, weet wat dat betekent: powerpoints met een stortvloed aan beelden en woorden en schema’s en overzichten en onderzoeksreferenties en stroomdiagrammen en herhalingen, met grote gele letters op een blauwe ondergrond. Veel dia’s gaan sneller voorbij dan je ze kunt lezen, laat staan dat je al die mooie kreten netjes op papier kunt krijgen. Werkt zo’n presentatie wel…? Ja, die werkt, want hij herhaalt de kern van zijn verhaal vaak genoeg om die in ieder geval mee te krijgen. Die kern is simpel en betreft de zorg die een pasgeboren baby nodig heeft.

De moeder, zegt Nils, is de cruciale factor in die zorg. “Nothing makes sense except in the light of the mother’s body, where the needed neural processes take place with the buffering protection of adult support.” (Niets klopt en alles is onbegrijpelijk, tenzij de baby zich op het moederlichaam bevindt, waar de benodigde neurologische processen plaatsvinden met de schokdempende bescherming van volwassen ondersteuning.) Waar moeten we dus voor zorgen? ZERO SEPARATION! (Nul scheiding!) En of we hem dat allemaal maar geregeld wilden nazeggen! :-) Het moederlichaam zorgt zo voor stabiliteit en helpt het babylijfje met die functies die hij in zijn eentje nog niet kan aansturen: coregulatie.













De amygdala, een heel oud deel van het brein, moet verwerken wat er aan zintuiglijke indrukken binnenkomt en moet dat allemaal ordenen in de verschillende delen van de neocortex, evolutionair gezien het nieuwst deel van onze hersenen. Dat ordenen (de geheugenvorming) vindt plaats tijdens de slaap en voor goede slaapcycli is een veilige omgeving nodig, één zonder dreiging, zonder stress, zonder de angst dat we worden opgegeten, aangevallen, alleen gelaten.
Voor een baby die zijn moeder niet voelt, is het leven één grote bedreiging. Dat geldt voor een op tijd geboren baby en in versterkte mate voor een (extreem) prematuur geboren baby. Een baby stemt op die angstervaring zijn hele systeem af, zowel in zijn gedrag als in zijn lichaamsfuncties. Alles gaat ‘op de hobbel’: hartslag, ademhaling, zuurstofgehalte, slaappatroon, groei en sociaal gedrag. De baby betaalt daarvoor een hoge prijs, met een levenslange impact: de hersenontwikkeling loopt schade op. De stress gaat namelijk gepaard met de afgifte van cortisol en cortisol is giftig voor het brein. Broodnodige hersenverbindingen tussen de zenuwcellen worden niet aangelegd en de hersenen functioneren op een lager niveau. Dat heeft consequenties voor de sociale en emotionele intelligentie, net als voor de cognitieve prestaties later in het leven. De gemiste coregulatie in het begin bemoeilijkt de zelfregulatie later en dus worden we ziek en vallen we om.













Hoe voorkomen we al deze ellende? Nils benadrukt de noodzaak van een verandering in ons denken, een paradigmawisseling: ZERO SEPARATION! Een baby is er niet op gemaakt om alleen te zijn in de vroege levensfase. Hij heeft de warmte, de voeding en de bescherming nodig die het moederlichaam biedt. Er is waanzinnig veel te zeggen over het belang van die veilige start en ik word behalve gretig van zoveel fascinerende inzichten, ook treurig over de mate waarin ze niet worden toegepast. Het wordt hoog tijd dat al het wetenschappelijke bewijs voor de stellingname dat de moeder voor de baby onmisbaar is, serieus wordt genomen, zowel op ‘medisch’ als op sociaal-maatschappelijk niveau. Men is tegenwoordig toch zo dol op ‘Evidence Based Medicine’? Vooruit dan, met die wetenschappelijke geit, en laten we beginnen bij het begin, bij de eerste uren, dagen en weken: ZERO SEPARATION!”

woensdag 28 november 2012

Schuldig of verdrietig?

Wanneer het gespreksonderwerp ‘borstvoeding’ aan de orde is, is er één begrip dat geregeld opduikt en de sfeer bederft: schuldgevoel. Ik wil het eens nader onder de loep nemen.
Het digitale woordenboek vanDale zegt er dit over: “het besef schuld te hebben”. Een andere veel geraadpleegde bron op internet is Wikipedia. Daar wordt het als volgt omschreven: “Een schuldgevoel is een gemoedstoestand waarbij het geweten een mens plaagt met een onaangenaam gevoel over een bepaalde gedane of juist niet gedane actie. Het wordt vaak gevolgd door gevoelens van berouw of spijt. Schuldgevoel is een gemoedstoestand die men zichzelf oplegt.”

Dat laatste is interessant. Dikwijls wordt immers de suggestie gewekt dat de ander ervoor zorgt dat we ons schuldig voelen. Het benoemen van de heilzame effecten van een goed verlopende borstvoedingsrelatie zou bij degenen die daarmee geen ervaring hebben (gehad) tot schuldgevoelens leiden. Ook wordt dikwijls in twijfel getrokken dat kunstmatige zuigelingenvoeding belangrijke bestanddelen mist in zowel het proces (voeden uit een fles) als het product (de poedermelk). Is dat niet vreemd?
Als je ervan overtuigd bent dat kunstmatige zuigelingenvoeding niet inferieur is, is een schuldgevoel overbodig.
Als je je er daarentegen van bewust bent dat je jezelf en je kind dingen onthoudt door geen borstvoeding te geven en je kiest daar weloverwogen voor, dan zal schuldgevoel ontbreken.
Als niemand je vertelt wat je samen misloopt als je niet aan de borst voedt, dan is schuldgevoel onterecht. Dan is er hooguit sprake van verdriet, rouw om wat je niet kon ervaren met elkaar. Dat geldt ook als je graag wilde, maar het voeden om wat voor reden dan ook niet is gelukt.

Stel, dat iemand tegen je zegt: “Ik geef mijn kind dagelijks patat, want dat is lekker snel klaar en ik zet hem voor de tv, want dan heb ik geen last van hem.” Voel je je dan schuldig omdat jij dat niet doet…?
Of: “Ik laat mijn baby huilen als hij niet kan slapen. Hij wordt vanzelf stil; ik hoef niet al zijn behoeften meteen te vervullen.” Voel je je dan schuldig?
Of: “Ik geef mijn kind gewoon een mep als hij niet luistert. We zullen wel eens zien wie hier in huis de baas is.” Schuldig?
Anders gezegd: als iemand een volledig andere handelwijze kiest en niks ziet in jouw aanpak of het er niet mee eens is en jij bent oprecht overtuigd van de juistheid van de keuzes die je zelf maakt… voel je je dan schuldig?
Wat is er in de bovenstaande drie situaties zo anders dan wanneer je zegt: “Ik geef borstvoeding, want dat is de natuurlijke voeding voor mijn baby, afgestemd op zijn groei en ontwikkeling, en het biedt ons veel liefdevolle momenten.” Waarom zou een moeder die kunstmatige zuigelingenvoeding geeft zich daardoor schuldig voelen?


















“Schuldgevoel is een gemoedstoestand die men zichzelf oplegt”, zegt Wikipedia. Waarom? Omdat het geweten blijkbaar goed functioneert. Wanneer je je schuldig voelt over iets, is dat omdat je weet dat je beter had gekund en misschien had gemoeten, maar dat niet hebt gedaan. Het Engelse woord voor ‘geweten’ is ‘conscience’, afkomstig van het Latijnse ‘conscientia’, wat zoveel betekent als dat je bij jezelf weet hoe het zit. Niet de ander legt je iets op; je weet het zelf en dat voelt soms verdraaid rottig. Schuldgevoel, over wat dan ook, heeft zo een leereffect: “Volgende keer anders doen, want dit voelt ellendig.”

Wanneer iemand je echter zonder routekaart of GPS het bos in stuurt en je verdwaalt… voel je je dan schuldig? Of voel je je eenzaam en verdrietig, omdat je bang bent en zo graag op de plaats van bestemming had willen aankomen?
Diep van binnen willen veel moeders aankomen op die plaats van bestemming die ‘borstvoeding’ heet. Waarom beginnen ze er anders aan? Het is maffioos om ze zonder ‘routekaart’ op pad te sturen, om ze goede zorg te onthouden, om ze de kans te ontnemen met hun kind het leerproces van coregulatie te doorlopen. Het is pedagogisch en maatschappelijk schadelijk om een situatie te creëren waarin ze niet de voldoening van kracht en trots op hun lijf kunnen ervaren. Die eeuwige mantra van ‘je hoeft je niet schuldig te voelen’ is vaak niet meer dan een armzalige ‘coping strategy’. Het is een manier om de pijn van de niet uitgekomen wens op afstand te houden. Het is een probleem van onze samenleving, met consequenties op micro- en macroniveau, voor de korte én de lange termijn.
Een eerste stap naar een oplossing…? Erkennen dat boosheid en frustratie dikwijls verdriet herbergen. En wat schuldgevoel lijkt, is vaak rouw, pijn om wat verloren ging. Dat onder ogen zien, vraagt kwetsbaarheid en een veilige sociale omgeving. Dat lukt beter als er sprake is van veilige hechting, als je behoeften worden gezien en vervuld. En zo is dan het kringetje weer rond.

donderdag 1 november 2012

Een goed gesprek

Wat een mooie kindjes zag ik eergisteren tijdens twee consulten!
Een mannetje van vier maanden flirtte er lustig op los, met mama, met mij en met de hulp toen ze binnenkwam. Hij lachte aan één stuk door, babbelde dat het een lieve lust was en zocht voortdurend de ogen van degenen met wie hij ‘in gesprek’ was. Het was overduidelijk dat zijn sociale ontwikkeling sinds zijn geboorte een enorme vlucht had genomen en dat hij veilig gehecht was.
Toen ik binnenkwam, was hij net wakker en moest hij aanvankelijk even niet al te veel van me weten. Als altijd groette ik niet alleen de moeder, maar ook haar kind, niet wetende dat hij net ontwaakt was bij mama in de doek. Ik dacht weer aan wat een lieve kinderarts me ooit vertelde over de communicatie met baby’s en jonge kinderen: “Als ze je nog niet kennen, is dat diepe oogcontact al gauw te veel voor ze, want ze kunnen zich er niet zo goed voor afsluiten, dus dat moet jij als volwassene doen, in het kader van de coregulatie.” Dat geeft een heel mooie uitwisseling: doorpraten met mama, af en toe een vluchtige blik op baby’s gezicht, maar niet rechtstreeks in de ogen, contact houden, maar niet opdringen, rust geven, maar niet loslaten. Het is wonderbaarlijk om te zien hoe goed dat werkt, hoezeer de baby dan voelt dat je zijn privacy respecteert en niet over zijn grenzen heen gaat door zijn persoonlijke, binnenste cirkel ongevraagd en onwelkom binnen te dringen. Het is min of meer een kiekeboe-spelletje, maar zonder doek en zonder het actieve spelelement. Het is een beetje zoekend en tastend om elkaar heen draaien en wachten tot ook je jonge gesprekspartner eraan toe is om met jou als ‘vreemde’ (want naast mama en papa is in het begin vrijwel iedereen een vreemde) een persoonlijke uitwisseling tot stand te brengen. Dat gebeurde later tijdens het consult namelijk overvloedig, met lachen en kraaien en vraag en antwoord over en weer. Prachtig, prachtig!













’s Middags was er een mama met een meisje in de praktijk; ze was acht weken oud en begon nu ook meer te kletsen tijdens haar rustig alerte momenten, zo vertelde haar moeder. Moeder had heel wat te stellen met overproductie en haar dochter evenzeer. Toen ze aan de borst lag, dronk ze eerst met de ogen dicht; je zag hoe ze met haar hele lijfje in de weer was om zogen, slikken en ademhalen goed op elkaar af te stemmen. Toen de melkflow wat afnam, deed ze de ogen open en keek ze mama in het gezicht. De visuele prikkel van het oogcontact met mama zou haar aandacht voor een belangrijk deel hebben opgeëist, als ze dat tijdens het drinken had gedaan. Dat zou haar concentratie hebben verstoord en het drinken heel moeilijk hebben gemaakt. Nu de ergste honger was gestild, was er ruimte in haar hoofd voor extra zintuiglijke input: interactie met haar moeder. Het kleine, gave gezichtje was heel expressief en speurde de omgeving af naar nieuwe elementen. Allemaal waardevolle leerervaringen!

En toen ik vanochtend opstond, zag ik nóg meer moois waardoor baby’s communicatief worden: Wendy Haisma in het Dagblad van het Noorden, paginabreed met drie fraaie foto’s van haar met haar zoontje in de draagdoek. Een pluim voor het dagblad, voor de uitgebreide aandacht voor dit onderwerp!
Het was een bijzonder begin van de dag, in een week die toch al bol staat van de inspirerende gesprekken en ontmoetingen. Ik word er blij en ontroerd van, al die moeders die zo met hart en ziel met hun kindjes bezig zijn en zo een generatie grootbrengen die krachtig en empathisch in het leven staat, bereid tot een goed gesprek met de ander. Daar wordt de wereld beter van!

woensdag 26 september 2012

Veerkracht

Gisteren, dinsdag, bezocht ik in Ede het tweejaarlijkse Nederlandse borstvoedingcongres, georganiseerd door de SBO, de Samenwerkende BorstvoedingOrganisaties. Maandagmiddag vertrok ik al, naar een lieve collega en vriendin die ook in Ede woont. Zij is één van de proeflezers voor ‘Koester je kleintje’, mijn Nederlandse vertaling van ‘Hold Your Prem’, het prachtige boek van Jill en Nils Bergman. De middag voorafgaand aan het congres besteedden we aan een proefleessessie, waarbij nog een collega aanschoof. Altijd fijn, samen aan het werk vanuit een gedeelde visie.

Dinsdag was volledig gevuld met het congres, waar onder andere Nils Bergman sprak. Wat een boost gaven zijn voordrachten aan het werk voor de boekvertaling! De passie spat hem uit de ogen als hij eenmaal aan het praten raakt over zijn onderwerp, Kangaroo Mother Care. Als je alles wat hij zegt, goed op je laat inwerken, realiseer je je dat hij een revolutie bepleit, een grootschalige verandering in de manier waarop we kijken naar wat kinderen nodig hebben in de eerste fase van hun leven. Hij sprak over de ‘buffering protection of adult support’ en bedoelde daarmee het effect op het jonge kind van de nabijheid van de ouders. Een baby, en zeker een prematuur geboren baby, is voor heel veel lichaamsfuncties nog niet tot zelfregulatie in staat. Voor een gezonde afstemming van allerlei systemen is daarom coregulatie nodig. Het lichaam van moeder of vader zorgt daarvoor: de nabijheid voorkomt stress en als er nauwelijks adrenaline door het bloed raast, maar het kind gedrenkt wordt in een royale hoeveelheid oxytocine, zal het in sociale zin toenaderingsgedrag laten zien.

Het alleen zijn, gescheiden van moeder of vader, veroorzaakt daarentegen dat het kind zich in sociaal opzicht terugtrekt. Op hormonaal niveau raakt het lichaam dan in een chaotische toestand. Bij dit soort processen is vaak sprake van een cascade-effect: het één lokt het ander uit en de situatie wordt alsmaar penibeler. Een heftig rijtje: scheiding veroorzaakt stress. Door stress gaan de hormonen op de hobbel. Als dit vaak gebeurt, kost dit veel energie. Om het energieverlies te beperken, verandert het lichaam de basisniveaus van allerlei functies. Hoe meer die functies veranderen, hoe ontvankelijker een mens wordt voor allerlei ziektes en ook voor een voortijdige dood. Nils noemt dat de ‘allostatic load’, de bagage die je met je meesleept en die je uitput. En de ellende is… we geven als ouders die patronen vaak door aan onze kinderen! Dat begint al vóór de geboorte: een ontspannen moeder geeft andere chemische boodschappen aan haar baby dan de moeder die zich zorgen maakt of eenzaam is of lichamelijk of geestelijk klappen moet incasseren. Na de geboorte kijken onze kinderen van ons af hoe ze met stress kunnen omgaan. Zijn we dichtbij, als onze kinderen van slag zijn, of negeren we hun emotionele pijn en moedigen we ze aan om zich te vermannen?













Ik moest bij alle verhalen van Nils Bergman denken aan Robin Grille, die het verschil tussen ‘resilience’ (veerkracht) en ‘adaptation’ (aanpassing) beschrijft. Er wordt vaak gezegd dat kinderen veerkrachtig zijn; dat impliceert dat ze als een bamboeplant terugbuigen naar hoe ze stonden voor ze een wilde storm ondergingen. Dat is een ander proces dan aanpassing. Aanpassen houdt in dat er dingen veranderen, dat je weliswaar de storm overleeft, maar dat je er anders uitkomt dan daarvoor. Dat ‘anders’, dat zijn vaak de dingen die het ons later in het leven moeilijk maken, die voor scheefgroei zorgen. Een kind kan dus toch maar beter zoveel stabiliteit en gezondheid opbouwen dat er daadwerkelijk sprake is van veerkracht. De beste start daarvoor…? Huid-op-huidcontact voor de pasgeboren baby en gevoelig afgestemde ouders die zeker de eerste drie jaren dichtbij zijn!