vrijdag 19 januari 2018

Verliezen... verwerken

Gisteren was een rare dag. Ik hoopte de trein van 6.27 uur te nemen naar het zuiden van het land, maar dat liep anders. Ik had in gedachten om rond 21.30 of misschien 22.30 uur weer thuis te zijn, maar vooral ook dát liep heel anders. Op de weg terug naar huis heb ik maar (weer) eens een analyse op mijzelf losgelaten om beter inzicht te krijgen in mijn eigen handelen en reacties en hoe die iets van het kind in mij zichtbaar maken in de volwassene die ik nu ben.

Er raasde een storm over Nederland gisteren. Die was wel aangekondigd en de NS zou ook met een aangepaste dienstregeling gaan rijden, maar heel dramatisch zag het er nu ook weer niet uit. Mijn trein zou gaan, advies om massaal thuis te blijven werd niet gegeven en ook ik besloot derhalve om donderdag volgens planning te vertrekken. Dat was een vroege planning: trein van 6.27 uur (de laatste voor de spits, dus de laatste waarmee ik met mijn DalVrij-treinabonnement zonder extra kosten kan reizen), dus 6.15 uur de deur uit, dus 5.30 uur op. Da’s vroeg, zeker als je eigenlijk nog aan het bijkomen bent, niet alleen van een halve week waarin je ziekig was, maar van een heel half jaar waarin er meerdere ingrijpende levensgebeurtenissen hebben plaatsgevonden die je praktisch gezien achter de rug hebt, maar emotioneel gezien nog niet allemaal hebt verwerkt.
Daar stond ik, druipend van de regen, bij de incheckpaal om 6.23 uur, blij dat ik op tijd was: rits los, hand in de jaszak… geen OV-kaart! Koortsachtig zoeken, proberen mijn brein in bedwang te houden, logisch redeneren, alle jaszakken bij langs, nadenken of ‘ie in de rugzak zit, in gedachten door de jassen en kleren thuis vliegen (misschien andere jas aan gehad?), agenda van de afgelopen dagen nagaan, vaststellen dat ik niet zonder kaart de trein in kon voor zo’n lange reis heen en weer… én vaststellen dat als ik terug naar huis zou gaan om te zoeken, ik sowieso niet meer buiten de spits kon reizen en dus de volle mep moest betalen én, vooral ook dat, te laat zou komen voor mijn oppasafspraak. (Overigens hoorde ik in de loop van de dag dat je met een abonnement drie keer per jaar je kaart mag vergeten en dat dat dan wordt verwerkt door de conducteur. Ik wist het niet.)

Daar stond ik, overvallen door een diep gevoel van falen: kaart niet meegenomen… niet kunnen bedenken waar die is… niet op tijd komen… dochter teleurstellen… er een potje van maken… niks tot stand kunnen brengen… een sukkel zijn… wéér iets verliezen.
En dáár zit het grootste knelpunt, in dat verliezen. Als kind heb ik een aantal intensieve verliezen ervaren, zowel persoonlijk als via de impact van verliezen op mijn moeder en haar effect op mij.
Ik had jarenlang een telkens terugkerende droom: ik vloog en zweefde door de ruimte en zag prachtige, zachte witte wolken. Ik genoot ervan en wilde ze aanraken en omhelzen, maar zodra ik dat deed, werden ze hard en zwart. Nu, 40 à 45 jaar later, kan ik de contouren van die zwarte vormen nog altijd voor me zien en bijna voelen. Ik kan de ervaring van die droom nog weer terughalen en bedenken hoe verdrietig ik dan altijd wakker werd, omdat al het mooie in duigen viel. Waarom keerde die droom steeds terug?

Nu ik sinds een aantal jaren beroepshalve veel meer weet over hoe het kinderbrein zich neurologisch gezien ontwikkelt onder invloed van ervaringen in de sociale omgeving, begrijp ik bepaalde dingen steeds beter. Toch was ik gisteren verrast door hoe ik reageerde, omdat ik eigenlijk dacht dat ik de laatste jaren beter in staat was geraakt om die vroege kindervaringen wat meer los te laten en ze niet meer zo te laten overheersen. Toch zitten ze blijkbaar nog heel diep in mij verankerd, ook al zijn ze minder scherp geworden en kan ik meestal goed met ze omgaan.
Jaren- en jarenlang kon ik namelijk helemaal niet tegen het verliezen van dingen. Iets kwijt zijn, iets kapot laten vallen, geld kwijtraken aan het herstellen van ‘domme fouten’ (zoals een beschadiging aan de auto of het scheuren van een kledingstuk of het vervangen van iets wat ik was verloren)… het bracht me helemaal van mijn stuk. Ik hield dagenlang zo’n knagend gevoel van ‘er is iets wat niet goed is’, en ik bleef eindeloos zoeken en alert kijken, in de zinloze hoop dat het verlorene weer zou opduiken, het beschadigde weer heel zou zijn. Het maakte van de witte wolk van zo’n voorwerp een hard en zwart verschijnsel. Het gaf me het gevoel dat wat ik aanraakte en wat me dierbaar was, verloren zou gaan, z’n schoonheid zou verliezen, mijn gevoel van veiligheid zou verscheuren. En dat lag dan niet aan de omgeving; dat lag dan aan mij. Ik kon misschien wel een spontane en pientere indruk wekken, maar als je goed keek, zou je zien dat ik niet goed op mijn spullen kon passen, dat ik ‘overal een zootje van maakte’… dat ik niet deugde.

Wie mij een beetje kent, die weet dat mijn leven helemaal geen zootje is, dat ik heel goed de boel op orde kan houden, dat ik heel hard kan werken en dat ik dan ook een zeer fraai eindproduct kan afleveren. Ik heb niet, zoals ooit bij een toets op mijn eerste basisschool werd gesteld, te weinig doorzettingsvermogen; ik heb juist een enorm uithoudingsvermogen om dingen die belangrijk zijn, af te ronden en tot een goed einde te brengen en naasten te ondersteunen waar dat nodig en haalbaar is. Ik ben trouw in oprechte vriendschappen en trouw aan werksituaties waarin ik kan bijdragen aan mooie, idealistische doelstellingen. Ik kan lachen met vrienden en vriendinnen. Ik kan intens genieten van onze kinderen (en nu zelfs al van twee kleinkinderen!) en heb mij al meer dan een kwart eeuw met lijf en leden, ziel en zaligheid ingezet voor hún ziel en zaligheid. Waar komt dan die discrepantie vandaan tussen wat ik doe en hoe dat bij vlagen soms ineens weer voelt?

Deze week las ik een prachtige tekst van mijn lieve collega Mieke Saras, die onlangs, net als ik, een presentatie hield voor het online congres iLactation. Komende week hebben we een afspraak, waarin we samen verder zullen praten over de thematiek die zij en ik behandelen, namelijk de invloed van de heel vroege levensfase op de rest van ons bestaan, op onze gezondheid, ons welzijn, onze emotionele stabiliteit. Hoe ontwikkelen we onze ‘default settings’? Waar neemt ons basale brein, de amygdala, waar de primaire overlevingsinstincten zetelen, het over van ons intellectuele brein, de neocortex, waar we zaken beheerst en rationeel overdenken om tot verantwoorde besluitvorming te komen? Daarover raken wetenschappers het steeds meer eens: stress is de cruciale factor. Als in ons jonge leven de stress hoog is, ontwikkelen we een andere neurologische structuur in onze hersenen dan wanneer we frequent baden in het liefdeshormoon oxytocine. Bij hoge adrenaline- en cortisolspiegels (die ontstaan door onze eigen ervaringen of door wat we in de puurheid van ons baby- en kindzijn overnemen van onze hechtingsfiguren) kunnen we niet goed meer logisch nadenken. Dan vallen we terug op overlevingsgedrag. Dan volgen we onze intuïtie, een concept waarover ik net vandaag een zeer interessant artikel las. Intuïtie, zegt de auteur onder andere, is het gevolg van ervaringspatronen en de passende reactie daarop.

Ik heb als kind veel stress gehad in situaties van verlies… en ik ben omgekeerd ook geregeld dingen verloren in situaties van stress. Die onveilige ervaringen zijn destijds in mijn brein gekoppeld geraakt: stress en verlies horen bij elkaar. Wat oorzaak en wat gevolg is, doet er voor mijn amygdala onder druk niet meer toe. Als het ene er is, zal het andere wel volgen, en dan het ene weer: intuïtie, een ervaringspatroon, met alle emoties die daarbij horen.
En zoals gezegd: onder stress kun je niet meer zo goed logisch nadenken; de neocortex functioneert dan niet zo goed. Zonder stress had ik kunnen bedenken waar ik niet meer op kon komen toen ik om 6.25 uur opgejaagd terugfietste naar huis. Ik had mijn OV-kaart zaterdag weliswaar keurig in mijn jas teruggestopt en de rits gesloten en ik was zondag nergens geweest, maar toen ik maandag mijn jas in een garderobe moest hangen (van een emotioneel geladen plek), had ik aanvankelijk nog helder nagedacht. Ik had mijn kostbaarheden uit de jaszakken gehaald en in mijn broekzakken gestopt. Door de emotie van plek vergat ik ze terug in de jas te doen en toen ik een paar dagen later onder stress bij de incheckpaal stond en mijn oude verlieservaringen werden getriggerd, lukte dat logisch nadenken niet meer. Ik kon de oplossing niet bedenken (‘hij zit thuis in de zak van je nette broek’). Ik kon ook niet meer relativeren (‘hij is zeker gejat!’… nog meer onveiligheid…). Ik voelde alleen maar dat grote, overweldigende gevoel van verlies, van eenzaamheid, van tekortschieten. Het kind in mij voelde hoe zich de wattenwolken weer verharden, waarna de volwassene huilde… om een vergeten OV-kaart? Nee, niet om die kaart. De volwassene huilde omdat het kind blijkbaar nog steeds rouwt om wat verloren ging aan schoonheid en veiligheid, en om de angst opnieuw van alles kwijt te raken, zeker nu er de afgelopen periode weer diverse relationele verlieservaringen waren.

Het heeft me verrast, dat ik de afgelopen periode blijkbaar meer bezig ben geweest met wat die verlieservaringen voor de dierbaren om mij heen betekenden, dan met wat ze in mij weer aanraakten. Dat is in ieder geval de conclusie die ik trok, toen ik toch maar naar huis probeerde te reizen gisteravond. Dat was een avontuur, aangezien de NS wegens de storm met orkaankracht om 11.00 uur ’s ochtends het treinverkeer volledig had stilgelegd tot circa 19.00 of 20.00 uur.
Het was heel rustig onderweg; de duizenden gestrande reizigers hadden blijkbaar toch een slaapplek of een carpoolmaatje gevonden om naar huis te komen. De trein werd een stille bezinningsplek tot mijn aankomst in Assen rond 2.00 uur. Weer thuis, onder de wol naast mijn lieve man, die door alle stormen heen al 35 jaar naast mij staat. Mijn OV-kaart zit weer achter de rits van mijn jaszak. Ik was ‘m niet verloren; ik had ‘m gewoon veiliggesteld, zoals het hoort met kostbare zaken in het leven. Jammer, dat ik dat even vergeten was, maar misschien ontdekte ik het weer omdat ik tijdens het oppassen met een klein lief kereltje in de weer was geweest, waardoor de oxytocine weer kon stromen…?
Zo ervoer ik even weer aan den lijve het belang van Miekes en mijn drijfveer: de kleintjes in onze samenleving zo’n veilig mogelijke start geven via een mooie geboorte en een voedzame (borstvoedings)relatie, opdat ze vol vertrouwen hun volwassen leven tegemoet gaan. Volgende week  gaan we daarover brainstormen en kijken hoe we samen aan dat doel kunnen werken!

zaterdag 30 december 2017

De aanhouder

Afgelopen week werd ik getagd en werd mij om input gevraagd in een bericht waarin tips werden gezocht in verband met het ‘flesweigeren’ van een kindje van een maand of vijf. Er was een besluit genomen om het kindje de borst nu volledig te weigeren en alleen nog maar de fles aan te bieden, net zo lang tot het kind die zou pakken, in het kader van ‘de aanhouder wint’. Er werd niet bij gezegd wie de ‘aanhouder’ was, maar het leek erop dat de volwassenen om de baby heen zo werden betiteld. Er kwamen allerlei reacties, zoals die van een moeder die vertelde dat zij destijds ook dat advies hadden gekregen van de zorgverleners in het ziekenhuis en dat ze nu een kind hadden dat alleen nog via de sonde kon worden gevoed; alle andere methodes faalden. Veel suggesties gingen over kinderen bij wie hetzelfde speelde of had gespeeld en over wat qua gedrag hun reactie was op de ‘onthouding’ of ‘opdringing’ door de volwassenen. In twee lange bijdragen reikte ik de onderstaande overwegingen aan (hier en daar nu wat aangepast om te anonimiseren en er een logisch geheel van te maken).

“Ik vind het lastig hier iets over te zeggen. Ik heb vlot door alle reacties heen gelezen en heb zelf een totaal andere insteek in dit soort situaties, dus ik weet daarom niet of mijn bijdrage wel zin heeft. Voor een kind dat de borst gewend is en die dan ineens die niet meer krijgt, wordt dit alles bij elkaar een traumatische ervaring, één waarin ze 'leert' dat ze niet krijgt waaraan ze zo'n diepe behoefte heeft en waarin ze 'leert' dat haar wens er niet toe doet, dat ze hoog en laag kan springen (schreeuwen, huilen, boos worden), maar zich toch moet schikken in dit (nood)lot. Dit klinkt heftig, maar dit is wel hoe een jonge baby het ervaart.
Mijn vraag is dan altijd: wat zou je er als volwassene van vinden als iemand zo met je zou omgaan? Zou je die ander nog vertrouwen? Zou het jullie relatie ten goede komen? Hoe zou je aankijken tegen het machtsmisbruik?
Ik realiseer me terdege dat veel westerse samenlevingen structuren hebben gecreëerd waarin dit soort methodes gangbaar zijn, maar daarmee worden ze nog niet geschikt voor een gezonde ontwikkeling van een baby/jong kind...
Ik realiseer me ook dat deze structuren veel ouders in een lastige positie brengen. Mijn uitgangspunt als professional is echter het belang van de baby: hoe werken keuzes uit voor het welzijn van het kind? Voeding onthouden, een kind op de knieën dwingen... ik vind het erg heftig en het snijdt me door de ziel, als professional, als mens en als moeder/oma... Ik ken de situatie echter niet in detail, dus ik kan nu niet heel praktisch concrete alternatieven aandragen.”

Iets verderop schreef ik daarna dit, nadat er nog veel meer antwoorden waren gegeven.

“En in aanvulling op het bovenstaande: ik word steeds droeviger als ik alle reacties lees en zie wat er door professionals blijkbaar wordt aangeraden. Een kernaspect vind ik dit: er wordt gedaan alsof deze baby een probleem heeft waarvan ze met allerlei trucs moet worden verlost. Dat is echter niet het geval. De baby *heeft geen probleem*; ze *heeft geen ziektebeeld* waaraan gesleuteld en gedokterd moet worden, maar vertoont normaal mensenbabygedrag. De *ouders* of zo je wilt *de werkgevers* hebben een probleem als een kind niet op een andere manier wil drinken dan bij de moeder aan de borst. Hoe zeggen ze dat soms zo fraai...? 'Wie het probleem heeft, mag het houden.' Anders gezegd: wat kunnen we eraan doen om, *met respect voor de behoeften van het kind*, het probleem op te lossen? Dát zou voor professionals de vraag moeten zijn, niet: 'hoe dwingen we dit kind in het systeem van ons als volwassenen?' Ik noem dat Adult Supremacy, het vooropstellen van het volwassen belang ten koste van het kind.
Het wordt hoog tijd dat de samenleving als geheel de belangen van het kind meer prioriteit geeft via regelingen die de beschikbaarheid van de ouder(s) voor het jonge kind ondersteunen. Aangezien er veel wetenschappelijk onderzoek is aangaande de invloed van vroegkinderlijke ervaringen op de lichamelijke en geestelijke gezondheid in het latere leven, is veel van wat er ten aanzien van de omgang met kinderen normaal wordt gevonden, zo langzamerhand echt niet meer aanvaardbaar.”

Ik richtte me nog specifiek tot de moeder, die liet weten het niet met me eens te zijn.

“Ik begrijp dat mijn bijdrage in deze draad wellicht niet in goede aarde valt bij je, omdat het een confrontatie is met de situatie waar je nu voor staat.
Toch vind ik het jammer dat je mijn vragen hierboven niet beantwoordt (over wat het met *jou* zou doen als je zo werd bejegend). Ik zei niet dat je dochter getraumatiseerd was; ik zei dat het voor haar een traumatische ervaring is. Dat is iets wat uit heel veel onderzoek naar voren is gekomen: baby's laten in hun gedrag niet altijd zien wat er qua stressregulatie van binnen gebeurt. Ze passen zich aan (overlevingsgedrag! totale afhankelijkheid!), maar dat betekent niet dat diep in de amygdala, in het basale deel van het brein, het veiligheidsgevoel niet wordt aangetast. De psychoneurowetenschappen geven daarover steeds meer duidelijkheid, niet voor één specifieke baby, maar voor baby's (en anderen!) in het algemeen.
Die kennis is in veel omstandigheden zeer ongemakkelijke informatie, precies zoals het vroeger ongemakkelijke informatie was als werd gezegd dat je je kinderen niet moet slaan omdat dat slecht voor ze is.
Een kind dat de fles niet pakt (ik ben tegen het woord 'weigeraar', want het suggereert een welbewuste negatieve attitude die een kind niet heeft), verdient zachtheid en geduld. Je kunt een kind ook niet dwingen te lopen, te praten, te fietsen, te zwemmen. Dwang resulteert vrijwel altijd in een negatieve ervaring, in beschadigd (zelf)vertrouwen, in het ontstaan van angst en onzekerheid. Nogmaals: probeer je voor te stellen hoe het voor jou zou zijn als je tot iets werd gedwongen. Baby's zijn volwaardige mensjes, die net zo worden geraakt door dit soort interactie als een volwassene, en misschien nog wel sterker, juist omdát ze zo afhankelijk zijn en nog zó veel moeten leren.
Ik wens je sterkte met het vinden van een oplossing die recht doet aan de behoeften en gevoelens van je dochter!”

Een aspect dat ik vergeten was uit te werken in mijn reactie, is het machtsmisbruik. ‘De aanhouder wint’ betekent dat wie niet opgeeft, zijn doel bereikt. Wanneer we termen als ‘aanhouder’, ‘winnen’, ‘weigeren’ en ‘volhouden’ echter gebruiken in de context van een baby die niet snapt wat de bedoeling is van een fles als het op voeding aankomt, dan storten we onszelf regelrecht in een machtsstrijd. Immers… welk doel wordt hier nagestreefd? Wat willen we bereiken? Het lijkt wenselijk om de vraag op te werpen of een machtsstrijd de vorm is waarin we de relatie met onze kinderen willen gieten. Willen we van de meest basale verbinding in hun jonge leven een strijd maken over wie de baas is, wie de macht heeft, wie er wint? Dat impliceert immers ook dat we veel van onze kinderen te vrezen hebben! Het wekt de indruk dat we, als we vanaf het prille begin niet heel erg oppassen, volledig door ze onder de voet zullen worden gelopen en dan niks meer in te brengen hebben. Er wordt soms zelfs letterlijk gezegd dat onze kinderen ons dan zullen uitbuiten en misbruiken. Waar komt die angst vandaan…? Wat vertellen zulke insinuaties over onze verwachtingen jegens het sociale karakter van onze kinderen? Zegt dat alles iets over hen… of zegt het iets over onszelf, over hoe in onze eigen ontwikkeling het vertrouwen in de ander ernstige deuken heeft opgelopen…? We voelen blijkbaar voortdurend de drang om op onze hoede te zijn, zodat we niet worden gekwetst en gekleineerd.
En precies dát is wat we met responsieve, sensitieve zorg kunnen voorkomen. Als we de behoeften van de jongsten in de samenleving serieus nemen en er met elkaar alles aan doen om eraan tegemoet te komen, kunnen ze zich ontwikkelen tot vrije geesten, tot volwassenen die niet steeds defensief door het leven hoeven te gaan, maar proactief hun talenten kunnen ontplooien en daarin echte aanhouders worden. Dat lijkt me een mooi streven voor het nieuwe jaar!

dinsdag 19 december 2017

'When You Love Someone', deel 2

Vorige week schreef ik al over het lied ‘When You Love Someone’ en de bijbehorende videoclip . Vandaag neem ik de tweede helft onder de loep.

There ain't no one here to blame
And nothing's going to change
With your old friends
Your room will stay the same
'Cause you'll only be away
On the weekends

De vader stelt dat er niemand is die schuld heeft aan de situatie. Daarmee neemt de vader geen verantwoordelijkheid voor het handelen van zijn partner en hemzelf. Wat hij in feite zegt, is dat de ellende uit de lucht komt vallen: niemand kan er wat aan doen. En hij zegt vervolgens dat het niet zo veel geeft, want ‘nothing’s going to change’. Dat matcht niet; als er niks verandert, hoeven ze niet uit elkaar te gaan. Er gaat wel degelijk wat veranderen; dat is de reden dat partners uit elkaar gaan en ‘two homes’ creëren, ook als één van de twee ‘homes’ voor veel kinderen niet echt als ‘home’ voelt, om welke reden dan ook. Dat een kind in het weekend, als het ruimte nodig heeft om uit te rusten van de drukte van de (school)week, niet in de eigen vertrouwde kamer kan zijn, maar op pad moet met een logeertas om de andere ouder te zien… dat is niet bepaald een kwestie waarin ‘nothing’s going to change’. En als die ‘old friends’ wél een intact gezin hebben, kan ook daar de confrontatie van het gemis van de eigen veilige basis een voortdurende bron van verdriet worden.

It don't make sense, but nevertheless
You gotta believe us, it's all for the best
It don't make sense
It don't add up
But we'll always love you no matter what

De vader benadrukt nogmaals dat het allemaal nergens op slaat… maar toch gaat het wel gebeuren. Als hij er rationeel achter staat en er een gedegen onderbouwing voor kan geven, kan hij uitleggen hoe de beslissing ‘makes sense’. Dan hoeft hij niet te zeggen dat het allemaal onbegrijpelijk is. Dat zou dan overigens nog steeds de ‘sense’ van hem en zijn partner zijn, niet die van de kinderen, maar het ware in ieder geval een stap voorwaarts, ook als de kinderen nog steeds zouden worden verscheurd tussen twee huizen en door het gemis van de eenheid in het gezin.
Dat de ouders altijd van de zoon zullen houden, is mooi, maar voor kinderen is het een groot verlies als degenen uit wie ze zijn geboren, niet meer samen in één huis leven. Daar wordt (door volwassenen) vaak vrij luchtig over gedaan, maar de gevolgen zijn voor kinderen vaak heftig, ook op de lange termijn. Zie bijvoorbeeld hier of hier .

Sometimes moms and dads fall out of love
Sometimes two homes are better than one
Some things you can't tell your sister 'cause she's still too young
Yeah, you'll understand
When you love someone
When you love someone

Come home early after class
Don't be hanging around the back
Of the schoolyard
And if we're crying on the couch
Don't let it freak you out
It's just been so hard

Hier wordt het kind aangemoedigd niet overstuur te raken van het feit dat de ouders huilend op de bank zitten. Dit is een actieve poging om de empathie van het kind de kop in te drukken: het moet zich er niet te veel van aantrekken dat ‘it’s just been so hard’. Dit gebeurt nádat het kind is aangemoedigd om niet tussen vrienden op school steun of troost of afleiding of een vluchtplek te vinden.

Sometimes moms and dads fall out of love
Sometimes the best intentions just ain't enough
Some things you can't tell your sister 'cause she's still too young
Yeah, you'll understand
When you love someone
When you love someone
When you love someone
When you love someone

Goede bedoelingen zijn soms inderdaad niet genoeg; een relatie op gezonde wijze in stand houden, ook als je ouder wordt, als je gezin zich verder ontwikkelt, als er ingrijpende dingen gebeuren, als je persoonlijkheid verandert, als je je eigen verleden beter begrijpt, als je kind je confronteert met zaken die moeilijk zijn (voor het kind of voor jouzelf)… dat kan allemaal keihard werken zijn. Van veel kinderen wordt verwacht dat ze op school hard werken en zich inzetten voor hun toekomst; huiswerk en soms weinig vrije tijd heten een ‘investering’ te zijn. Voor veel ouders is het geen optie dat hun kind van school gaat; dan maar een keer blijven zitten of naar een lager niveau, maar niet volledig uit het leersysteem stappen. Wat mogen we op dit punt van ouders verwachten, die een leven hebben gecreëerd waarin ze verantwoordelijkheid dragen voor hun kinderen? Mogen we ook van hen vragen dat ze hard werken om bij te leren, om zich nieuwe vaardigheden eigen te maken en desnoods een tijdje ‘op een lager niveau’ hun relatie in stand te houden…? Of mogen zij, anders dan hun kinderen, wél uit het relatiesysteem stappen, ook als dat hun kinderen beschadigt?

Dat je, zoals ze wel worden genoemd, ‘toxische relaties’ de rug mag toekeren en je biezen mag pakken, ook wettelijk, dat is een goede zaak. Veroordeeld zijn tot een leven met bijvoorbeeld een partner die agressief is of verslaafd… dat kan ook de andere partner én de kinderen helemaal kapot maken. Het is goed dat het maatschappelijk wordt gefaciliteerd dat je daar uit kunt stappen. Desondanks… een scheidingspercentage van meer dan een derde van de gesloten huwelijken (ik weet niet wat het cijfer is als je ook niet-traditionele verbindingen/relaties meetelt) is wel hoog, en vermoedelijk (en hopelijk…) ook hoger dan het aantal agressievelingen en verslaafden. Wat is daarvan de oorzaak?
In veel maatschappelijke discussies staat het idee in de schijnwerpers dat alles ‘leuk’ moet zijn. Als het niet meer ‘leuk’ is, als je ‘out of love’ bent, als de bedwelmende romantiek van de relatie is verdwenen, als het karakter of het gedrag van degene voor wie je viel problematisch voor je wordt… dan is het okay als je uit elkaar gaat. Kinderen zijn flexibel, die komen daar wel overheen, zo luidt het adagium. Ze komen er vanzelf achter ‘als ze groot zijn’ en van iemand houden, dat je er soms nu eenmaal een punt achter zet. Ook dat is eigenlijk een heel vreemde formulering, want wat er in essentie wordt gezegd in deze tekst, is: ‘Als je groot bent en van iemand houdt, zul je zelf wel ontdekken dat je soms beter je relatie kunt beëindigen.’ Dat is geen fraai perspectief voor een jonge puber. Er wordt bovendien voorbijgegaan aan het feit dat hij *nu* al van iemand houdt, van twee iemanden minimaal waarschijnlijk, namelijk zijn beide ouders. Veel kinderen zijn loyaler aan hun ouders dan aan zichzelf; ze zijn vaak ook loyaler aan hun ouders dan hun ouders aan elkaar zijn.

Een groeiende hoeveelheid onderzoek laat zien dat wat een kind in de kindertijd aan ongunstige, stress-genererende ervaringen doormaakt, een grote impact heeft op de latere fysieke en psychische gezondheid. Dit wordt samengevat in het concept ACEs, Adverse Childhood Experiences. Daarover zijn veel websites te vinden, zoals deze met hier een mooi filmpje .
Echtscheiding is één van de tien gedefinieerde ACEs. Het lijkt daarom tijd om liedjes te schrijven over wat het voor een kind betekent om de thuisbasis te verliezen, en niet over het perspectief van de ouder die probeert te zeggen dat het allemaal wel meevalt en dat het kind zich niet druk moet maken. Daarbij moet overigens niet uit het oog worden verloren dat de scheidende ouders vaak ook zélf slachtoffer zijn van één of meer ACEs. Met ieder kind wordt een toekomstige volwassene geboren. Hoe meer ACEs het kind ervaart, hoe groter de kans op een leven met lichamelijke of psychische verstoring wordt.
Stressvolle, negatieve ervaringen in de kindertijd leiden tot ziekte, dus er is enorm veel reden om serieus te streven naar een terugdringing van het aantal ACEs (waaronder echtscheiding) en daarmee in lijn terugdringing van Adult Supremacy. Het volwassen belang (meer maatschappelijk, bijvoorbeeld neoliberaal marktfundamentalisme) en de belangen van volwassenen (meer individueel, bijvoorbeeld persoonlijke ontwikkeling los van de behoeften van kinderen) zullen met het oog daarop minder op de voorgrond moeten staan.
De westerse samenleving is op allerlei terreinen aan een nieuw paradigma toe; moge de maatschappelijke houding jegens kinderen één van de grote veranderingen worden!

woensdag 13 december 2017

'When You Love Someone', deel 1

Tussen het kerstrepertoire op de radio kwam gisteren ook weer dit nummer voorbij, met een fraaie stem en een mooie melodie, maar met een hartverscheurende videoclip en een wat mij betreft zeer problematische tekst. In het kader van mijn Adult Supremacy-concept wil ik deze graag nader analyseren. Voor de helderheid nog even mijn definitie van Adult Supremacy: ‘a power position in which adults consciously or unconsciously cause their privileges, ambitions, and unrecognised biosocal needs to trump child well-being, rendering the minor minor’ (een machtspositie waarin volwassenen er bewust of onbewust voor zorgen dat hun privileges, ambities en niet-(h)erkende biosociale behoeften het kindwelzijn overtroeven, waardoor de minderjarige de minderwaardige wordt).
Hieronder volgt de tekst eerst in z’n geheel; daar volgt ‘ie in stukjes, met daar tussendoor mijn analyse en overwegingen.


"When You Love Someone"

Come home early after class
Don't be hanging 'round the back
Of the schoolyard
I've been called up by your teacher
She said she can't even reach you
'cause you're so far

You've been talking with your fist
We didn't raise you up like this,
Now did we?
There've been changes in this house
Things that you don't know about
In this family

It don't make sense, but nevertheless
You gotta believe us, it's all for the best
It don't make sense
The way things go
Son you should know

Sometimes moms and dads fall out of love
Sometimes two homes are better than one
Some things you can't tell your sister 'cause she's still too young
Yeah, you'll understand
When you love someone

There ain't no one here to blame
And nothing's going to change
With your old friends
Your room will stay the same
'Cause you'll only be away
On the weekends

It don't make sense, but nevertheless
You gotta believe us, it's all for the best
It don't make sense
It don't add up
But we'll always love you no matter what

Sometimes moms and dads fall out of love
Sometimes two homes are better than one
Some things you can't tell your sister 'cause she's still too young
Yeah, you'll understand
When you love someone
When you love someone

Come home early after class
Don't be hanging around the back
Of the schoolyard
And if we're crying on the couch
Don't let it freak you out
It's just been so hard

Sometimes moms and dads fall out of love
Sometimes the best intentions just ain't enough
Some things you can't tell your sister 'cause she's still too young
Yeah, you'll understand
When you love someone
When you love someone
When you love someone
When you love someone


Dat was de volledige tekst; nu volgt mijn uiteenrafeling.

Come home early after class
Don't be hanging 'round the back
Of the schoolyard

Deze zoon zoekt op school waarschijnlijk steun of afleiding bij vrienden. Een andere optie is dat hij gewoon niet naar huis wil, vanwege de situatie aldaar. In beide gevallen is het zo dat hij met het rondhangen op school een ‘coping strategy’ inzet om zijn leven draaglijk te maken en de vader doet een dwingend beroep op hem om die strategie los te laten.

I've been called up by your teacher
She said she can't even reach you
'cause you're so far

De zoon is fysiek op school, maar zijn hoofd is er blijkbaar niet bij: de docent slaagt er niet in contact met hem te krijgen. Zowel voor de docent als voor de vader (en vooral voor de vader) zou dit een zeer zorgelijke zaak moeten zijn, die vereist dat er naar de zoon wordt geluisterd, dat zijn zorgen worden gehoord.

You've been talking with your fist
We didn't raise you up like this,
Now did we?

Tsja… did they? Hoe het ook zij, de ouders hebben een situatie gecreëerd waarin de zoon zich niet meer veilig voelt, niet in staat is zijn gevoelens op beheerste wijze verbaal te uiten. Hij ziet zich genoodzaakt zich op een andere manier te verdedigen, opdat hij enige integriteit kan behouden. Wat bedoelt de vader, als hij zegt dat hij samen met de moeder de zoon zo niet heeft opgevoed? Is de conclusie dan dat de zoon gewoon zelf ontspoord is, terwijl de ouders een geweldloze klus hebben geklaard…? Of spiegelt de zoon de agressie en defensiviteit die in huis heersen tussen de ouders? Waar ligt de oorzaak van het vechten door de zoon? Is er genoeg reflectie bij de vader om te zien dat hijzelf hierin een rol heeft?

There've been changes in this house
Things that you don't know about
In this family

Het mag zo zijn dat de ouders niet alles hebben verteld aan de zoon, maar de zoon is niet gek; hij voelt dat er van alles mis is en heeft inmiddels mogelijk ook al te horen gekregen dat de relatie van zijn ouders ten einde loopt en dat de thuisbasis uiteen gaat vallen. Hij krijgt dus wellicht niet alle onderliggende oorzaken voor die scheiding te horen, maar ondervindt er wél de gevolgen van.

It don't make sense, but nevertheless
You gotta believe us, it's all for the best
It don't make sense

De vader geeft zelf aan dat ‘it makes no sense’; de zoon is duidelijk ongelukkig en intens verdrietig en zijn ouders vertellen hem niet alles (‘things that you don’t know about’), maar tóch moet hij ze geloven als ze zeggen dat het allemaal beter is, dat het voor zijn bestwil is, dat het beter wordt als ze uit elkaar zijn. Dan doemt de vraag op: ‘Beter voor wie?’ De zoon is niet geconsulteerd over deze beslissing, dus wat hij wil en wat wat hem betreft ‘for the best’ is, telt niet mee.

The way things go
Son you should know

Sometimes moms and dads fall out of love
Sometimes two homes are better than one

Deze regels wekken de indruk dat ‘to be in love’ een voorwaarde is om een relatie met een gezin in stand te houden. Ben je niet meer verliefd, dan is het allemaal niet meer de moeite waard en kun je beter uit elkaar gaan. Is dat waar? Zou dat ook een veel te romantische voorstelling kunnen zijn van wat na verloop van jaren de waarde en de kracht van een ouderrelatie is? En hoe past hierin de ouderlijke verantwoordelijkheid om voor de kinderen een veilige basis te creëren en te behouden en persoonlijke problemen te overwinnen omwille van het welzijn van de kinderen? En zou dat uiteindelijk ook het welzijn van de ouders zelf kunnen bevorderen, omdat werken aan het overwinnen van je persoonlijke issues betekent dat je groeit als mens? Voor wie zijn die twee huizen beter… voor het kind, dat ertussen heen en weer moet pendelen met zijn ingepakte tas en daarmee een soort halve nomade wordt?

Some things you can't tell your sister 'cause she's still too young
Yeah, you'll understand
When you love someone

Het kleine zusje… ze is volgens de tekst te jong om haar uit te leggen wat er gaande is. Gezien de videoclip lijkt ze echter zeker wel een jaar of zes te zijn, een leeftijd waarop kinderen al heel veel begrijpen. En zelfs als ze niet álles zou snappen… de ouders vinden haar blijkbaar niet te jong om haar de gevolgen te laten ondergaan van dat wat als niet uit te leggen wordt gezien, terwijl die gevolgen natuurlijk veel moeilijker zijn dan de uitleg. De zoon lijkt het in deze tekstregel ook niet aan zijn zusje te mógen vertellen, wat voor hem een loyaliteitsdilemma kan veroorzaken, want zowel zijn zusje als hij wil de ouders graag liefdevol en respectvol bij elkaar zien blijven. Met wie moet hij zijn verdriet over de scheiding delen? Wie ervaart dat verdriet op een vergelijkbare manier als hij? Zijn zusje.

(Wordt vervolgd...)

woensdag 22 november 2017

Vakblad Vroeg en de richtlijn Slaap

(De onderstaande tekst heb ik zojuist als reactie achtergelaten op de site van Vakblad Vroeg.)
(UPDATE d.d. maandag 4 december 2017: Vakblad Vroeg heeft me laten weten de onderstaande reactie te inhoudelijk te vinden en heeft daarom besloten die niet bij de reacties op de website te plaatsen.)

Zojuist las ik dit artikel in de nieuwsbrief van Vakblad Vroeg en het is weer een voorbeeld van een lastige manier van communiceren over de slaap van jonge kinderen. In de inleiding van het artikel zegt Betty Bakker-Camu het volgende: “[Het is] heel Nederlands om tegen elkaar te zeggen van ‘Goh slaapt de jouwe al door?’. We willen dat ook zo snel mogelijk, want we moeten weer aan het werk en het dagritme moet doorlopen. Het is echter de vraag of dat een handige instelling is.” Dat is inderdaad geen handige instelling, die focus op doorslapen van baby’s. (Bedenk daarbij dat ook volwassenen zelden iedere nacht doorslapen; ze worden wakker, gaan naar de wc, drinken een slok water, veranderen van houding…)

Bakker-Camu stelt dat haar werk in de JGZ is gericht op preventie en in een volgende alinea verwijst ze naar de richtlijn Slaap. Die is hier te vinden. Al diverse keren en op diverse plaatsen heb ik aangegeven waarom deze richtlijn op meerdere wetenschappelijke gronden een uiterst problematisch document is. Ik heb deze bezwaren hier samengevat. Het grootste probleem van deze richtlijn is dat deze niet uitgaat van de *behoeften van de baby*, maar van de *wensen en ideeën van volwassenen (waaronder de ouders)*. Daar waar de volwassen ideeën voor een groot deel zijn gebaseerd op culturele overtuigingen en gewoontes, zijn de behoeften van de baby bepaald door de biologische blauwdruk. De vragen van Bakker-Camu, ‘Waar leg je je kindje te slapen?’ en ‘Ben je daar tevreden over of niet?’ zijn in die zin in lijn met de richtlijn: ze gaan uit van wat de volwassene wil, niet van wat de baby nodig heeft. Haar artikel rept verder ook niet van babybehoeften en de noodzaak om een kind dichtbij te houden en het zo de mogelijkheid te bieden een (neurologisch) diep geworteld gevoel van veiligheid te laten groeien; van daaruit zal zich vanzelf ook een gezond slaappatroon ontwikkelen. Angst is de grootste slaapverstoorder, voor iedereen.

Over de ondersteuning die de JGZ kan bieden bij slaapproblemen zegt Bakker-Camu: “Daar zijn een aantal methodieken voor. Die zijn bewezen effectief, maar gemakkelijk is het niet. Het vergt  veel van de ouders en interventies moeten aansluiten bij deze ouder met dít kind in déze omstandigheid.” In de richtlijn klinkt dat als volgt: “De interventie wordt toegepast in combinatie met de tips voor slaaphygiëne, zoals het doorlopen van een vaste routine bij het naar bed gaan en vaste bedtijden. Vooraf wordt het kind altijd verteld dat de ouder niet zal komen als het kind roept of schreeuwt. Het moet precies weten waar het aan toe is en de ouder moet van de JGZ professional duidelijk toelichting krijgen hoe ze dat helder en duidelijk kunnen overbrengen aan het kind” (p. 53) en even verderop zo: “Ouders kunnen het erg moeilijk vinden om hun kind te laten huilen en gaan soms toch reageren” (ibid.). Op pagina 55 wordt dit als één van de ‘oplossingen’ aangereikt: “Een van de onderzochte methodes maakt gebruik van een “bedtijd pas”. Kinderen krijgen van de ouders een pas die ze kunnen inruilen tegen bijv. de ouder komt één keer naar de slaapkamer, of het is één keer
toegestaan om uit bed te komen. Daarna levert het kind de pas in en wordt het roepen om de ouder genegeerd. Het gewenste gedrag wordt beloond met bijvoorbeeld een sticker systeem.” In diverse onderzoeks-settings worden dergelijke vormen van behaviorisme en machtsmisbruik inmiddels als volstrekt achterhaald beschouwd en het wekt dan ook verbazing en verontrusting dat dit in een richtlijn van 2017 nog wordt aanbevolen en dat Vakblad Vroeg zich daar kritiekloos achter lijkt te scharen.

In het VV-artikel wordt vervolgens gesteld: “Wat het voor ouders lastig kan maken, zijn de adviezen van vrienden en raadplegen van internet.” Dit is interessant; ‘peer support’, het raadplegen van de sociale omgeving, zou de normale manier moeten zijn waarop ouders wegwijs worden in het ouderschap. Wat hier impliciet wordt gezegd, is dit: “Als ouders nu maar naar de JGZ zouden luisteren en niet zelf dingen zouden op- en uitzoeken, dan zouden ze gewoon kunnen handelen volgens de richtlijn Slaap en dan kwam alles goed.” Dit is een paternalistische benadering, die de autonomie van ouders aantast (poogt aan te tasten) en die bovendien op pathologie is gestoeld.
Een paar maanden geleden stelde ik voor nog weer eens om de tafel te gaan over dit onderwerp, maar Bakker-Camu wees dit af, omdat er volgens haar met mij niet te praten valt.

In de richtlijn wordt op pagina 82 ook dit aangeraden: “Voor de professional is het aan te bevelen de wetenschappelijke literatuur rond dit thema bij te houden en kritisch te analyseren.” Dat lijkt mij een goed idee; ik wil wel een literatuurlijst aanleveren.