dinsdag 13 februari 2018

Nieuwsuur over bedding-in, deel 4: mailwisseling met journalist

Via de onderstaande mailwisseling kunnen jullie een idee krijgen van de totstandkoming van de Nieuwsuur-reportage over bedding-in, gemaakt door Siebe Sietsma. Zijn e-mailgegevens heb ik verwijderd; de inhoud van zijn berichten onderschrijft hij en mag ik gebruiken, zo heeft hij aangegeven. Ik laat graag het oordeel aan jullie zelf!
Hiermee sluit ik deze serie af, al zal het onderwerp ongetwijfeld wel weer eens voorbijkomen!

*****

Van: Siebe Sietsma
Verzonden: zondag 4 februari 2018 11:47
Onderwerp: Fwd: bv

Beste Marianne,

Graag reageer ik op je blog over mijn reportage over bedding in.

Ons vertrekpunt qua toon is de zorg die artsen en kraamverzorgers uitspreken over een toename in samen slapen (nog weer wat anders dan co-slapen).
Onbekendheid met de risico's bij ouders speelt daarbij een rol. Maar ook goed geïnformeerde ouders laten hun kind nog in bed slapen, bijvoorbeeld omdat ze niet willen / het zielig vind dat het huilt. De cijfers uit Engeland zijn enkel de kapstok geweest om naar Nederland te kijken (we trekken daaruit geen andere conclusies dan dat het daar tot discussie leidt).

Artsen en kraamverzorgers hebben een heel helder verhaal, gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek: kinderen liggen het veiligst in de wieg, en alle varianten in bed of aan bed brengen meer gezondheidsrisico's met zich mee.
Niet doen dus. Het feit dat samen slapen óók voordelen heeft, bijvoorbeeld qua hechting, doet daar niets aan af. Dat hebben we voorrang gegeven.

Vriendelijke groeten,

Siebe Sietsma
Nieuwsuur

*****

Verzonden: zondag 4 februari 2018 15:54
Aan: Siebe Sietsma
Onderwerp: Fwd: bv; reactie Marianne

Beste Siebe,

Hartelijk dank voor je bericht! Fijn, dat je de moeite hebt genomen te reageren.
Helaas gaat er in je antwoord hetzelfde mis als in je reportage: veel aannames, geen onderbouwing, een zichtbaar gebrek aan achtergrondkennis en een normatieve conclusie.
Ik heb twijfels over de vraag of jullie je realiseren wat je aanricht onder jonge ouders, door zo te werk te gaan. Je voedt angst en angst is een slechte raadgever.
Het zou hetzelfde zijn als wanneer je tegen jongeren zou zeggen:
'Onbekendheid met de risico's van onbeschermde seks bij jongeren speelt daarbij een rol. Maar ook goed geïnformeerde jongeren nemen nog wel risico's met seks, bijvoorbeeld omdat ze zich seksueel geprikkeld voelen / behoefte hebben aan fysieke liefde. Het veiligst is gewoon om geen seks te hebben, want dat brengt gezondheidsrisico's met zich mee. Niet doen dus. Het feit dat seks ook prettig en gezond kan zijn, doet daar niets aan af.'
Of dit: 'Onbekendheid met de risico's van het vervoeren van een baby in de auto speelt daarbij een rol. Maar ook goed geïnformeerde ouders nemen nog wel risico's met hun baby in de auto, bijvoorbeeld omdat ze ergens naar toe moeten / haast hebben. Het veiligst is gewoon om geen baby's in auto's te vervoeren, want dat brengt gezondheidsrisico's met zich mee. Niet doen dus.
Het feit dat auto's praktisch zijn, doet daar niets aan af.'
Hoe klinkt je dat in de oren...? Is dat de meest effectieve benadering om met seks om te gaan en de veiligheid rondom seks te vergroten, of om het vervoer van baby's in auto's veilig te maken?
Het antwoord moge helder zijn: nee. Beide voorbeelden laten zien wat ook voor bedding-in/bedsharing geldt: het *gebeurt gewoon*, wat wie er ook over zegt, dus licht mensen goed en eerlijk voor, zodat ze weten wat ze kunnen doen om op een zo veilig mogelijke manier met zaken om te gaan.

Het antwoord van de arts en de kraamzorginstelling *klinkt* wel helder, maar is het niet. Het is simplistisch, paternalistisch en tendentieus.
De hele reportage trekt een rookgordijn op dat iedereen het zicht en de adem beneemt. Ik vind dat een blamage voor de publieke omroep en het tast zeer de geloofwaardigheid van een programma als Nieuwsuur aan. De gezondheid en het welzijn van jonge kinderen zijn cruciaal voor hun fundamentele fysiologie en stressregulatie, voor een gezonde psychoneuroimmunologische ontwikkeling.
Het arsenaal aan wetenschappelijk onderbouwde argumenten die vóór coslapen pleiten afdoen met 'gezellig' en 'vinden het zielig' geeft werkelijk geen pas. Het is een treurige manier van framen van juist vaak uitzonderlijk gemotiveerde ouders. Het aspect 'hechting' is niet zomaar een 'modedingetje'; er is waanzinnig veel onderzoek over de impact van onveilige
(angstige-afwerende/vermijdende/gedesoriënteerde) hechting op het latere leven. Ook hierover zijn bibliotheken volgeschreven; voor de basis ervan kun je terecht bij John Bowlby, grondlegger van de hechtingstheorie.
Als je me je adres stuurt, stuur ik je een exemplaar van mijn boekvertaling (stikvol referenties!) van James J. McKenna, mondiale autoriteit op het gebied van coslapen, en dan spreek ik daarna graag een keer met je af.

In dat boek kun je dan ook lezen hoe het zit met de terminologie (die vaak zeer slordig wordt gehanteerd en daardoor zinvolle uitspraken en vergelijkingen onmogelijk maakt):
Cosleeping (in het Nederlands: samen slapen) is een *overkoepelende* term voor alle vormen waarbij een kind op zintuiglijke, armlengte afstand van de ouders slaapt.
Rooming-in: het kind ligt op de kamer van de ouders, in hetzelfde bed, in een eigen bed of in een cosleeper.
Bedding-in of bedsharing: het kind slaapt in het bed van de ouders, op hetzelfde slaapoppervlak.
Cosleeper (het type bedje Alexander Otto): het kind ligt op een eigen slaapoppervlak in een bedje dat naadloos aan het ouderlijk bed vastzit.

Ik hoor graag van je en zal een exemplaar voor je klaarleggen; dat kan dan op de post zodra ik je adres heb!

Met vriendelijke groet,

Marianne Vanderveen-Kolkena IBCLC, BSc
Borstvoedingscentrum Panta Rhei
Lactatiekundige en antropoloog

*****

Van: Siebe Sietsma
Verzonden: zondag 4 februari 2018 17:42
Aan: Info Bvc Panta Rhei
Onderwerp: Re: bv; reactie Marianne

Beste Marianne,

Dank voor het bericht. Ik wil geen eindeloze discussie aangaan, en we kunnen verschillende opvattingen hebben over onze berichtgeving. Maar ik ben het echt met je oneens als je zegt dat wij op basis van aannames berichten.
Wetenschappelijk onderzoek door medici is het uitgangspunt voor onze berichtgeving, en we hebben ons ook gebaseerd op gangbare meest recente adviezen voor ouders van pasgeboren kinderen, zie verder mijn vorige mail.
Dat lijkt me de meest verantwoorde manier, aangezien verkeerde informatie kan leiden tot ernstige ongelukken. Verder heb ik ook al aangegeven dat er inderdaad ook voordelen zijn van samen slapen (bv. hechting). Daar ga je in je reactie aan voorbij.

Dank voor het aanbod van het boek, mag ik het beleefd afslaan?

Vriendelijke groeten,

Siebe Sietsma

*****

Van: info@borstvoedingscentrumpantarhei.nl
Verzonden: zondag 4 februari 2018 18:33
Aan: Siebe Sietsma
Onderwerp: Fwd: bv; reactie Marianne

Beste Siebe,

Dank voor je reactie, die ik tamelijk teleurstellend vind.
Je lijkt niet bereid om wetenschappelijk onderzoek met een volledig andere conclusie tot je te nemen, zelfs niet als het je heel gemakkelijk wordt gemaakt.
Dat is naar mijn idee helemaal geen verantwoorde manier; dat is volstrekte eenzijdigheid.
Ik zou verwachten dat je als journalist nieuwsgierig bent naar hoe het kan dat andere wetenschappers (van mondiale faam) tot een totaal andere conclusie komen.
En áls je dan al conclusies van een arts noteert, dan moet dat uiteraard wel correct gebeuren. Dat heb je op twitter niet gedaan; je citaat c.q. interpretatie was niet juist.
Ik heb gereageerd, maar nog geen antwoord van je gezien.

Wat je zegt, is waar: verkeerde informatie kan leiden tot ernstige ongelukken. Daar hebben jullie nu zelf aan bijgedragen.
Je nóemt de hechting wel (overigens heeft gedrag in lijn met de biologische blauwdruk geen voordelen, maar heeft afwijken daarvan risico's en nadelen, maar dat terzijde), maar je doet die af als ondergeschikt. Daarmee doe je aan heel veel zaken geen recht. Ik heb geprobeerd daarover wat toelichting te geven, maar daar ga je niet op in.
Je gaat ook niet in op de twee analogieën die ik heb gegeven over informatievoorziening en veiligheid en de effecten van paternalistische benaderingen.
Al met al komt je mail op mij als volgt over: 'Ik ben er nu wel klaar mee en ik wil geen andere invalshoek horen of bestuderen, zelfs niet als ik een boek daarover gratis kan krijgen.'
Dat lijkt me strijdig met de NOS-missie die ik in het begin van mijn blog heb genoemd en waaraan jij je, neem ik aan, ook moet conformeren. Desalniettemin maak jij uiteraard zelf de keus of je je in het onderwerp wilt verdiepen (zij het dan dat achteraf natuurlijk te laat is...).

Ik neem aan dat je volledig achter je onderstaande twee mails staat? Het is niet ondenkbaar dat ik de inhoud daarvan zal gebruiken voor een blog.
Het lijkt me wenselijk dat het brede publiek een idee kan krijgen van hoe de NOS te werk gaat en op welke manier zo'n reportage tot stand komt.
Iemand vroeg al naar wat je had gezegd, maar ik gaf aan jou eerst de kans te willen geven je nader in het onderwerp te verdiepen en op mijn mail in te gaan.
Dat laatste heb je nu gedaan en je lijkt de discussie te willen sluiten; klopt dat...? Mocht je nog iets willen toevoegen aan of nuanceren in je reactie, dan hoor ik het graag.
Ik betreur dat je de discussie sluit. Ik zou denken dat de NOS haar taak van eerlijke en gebalanceerde informatievoorziening serieus neemt. Dat heeft ze met deze reportage zeker niet gedaan en ik vind dat eerlijk gezegd een blamage. Met een groot bereik komt ook een grote verantwoordelijkheid.
Dit is wat de website zegt over Nieuwsuur: 'Nieuwsuur wordt gemaakt door de taakomroepen NTR en NOS en brengt onafhankelijk, onpartijdig en ongebonden achtergronden bij het nieuws.'
Deze reportage was niet onpartijdig; er was een vooropgestelde boodschap die men/jij wilde overbrengen, en niet de intentie om beide kanten van de medaille te laten zien, zodat ouders afwegingen kunnen maken.
Ik ga ervan uit (ja, dat is een aanname... correct me if I'm wrong) dat het de bedoeling was om de veiligheid te vergroten; dat gebeurt helaas niet met deze benadering.

Ik hoop dat je nog reageert, maar ik houd er rekening mee dat je daarvan zult afzien.

Met vriendelijke groet,

Marianne

*****

Van: info@borstvoedingscentrumpantarhei.nl
Verzonden: zondag 4 februari 18 23:16
Aan: Siebe Sietsma
Onderwerp: RE: bv; reactie Marianne

Hallo Siebe,

Ik reageer even tussen je tekst met **...

-----Oorspronkelijk bericht-----
Van: Siebe Sietsma
Verzonden: zondag 4 februari 2018 20:13
Aan: Info Bvc Panta Rhei
Onderwerp: Re: bv; reactie Marianne

Hoi Marianne,

De twee analogieën die je gebruikt vind ik niet sterk: bij seks en autorijden is het risico op de dood extreem klein - en ook binnen die context lijkt het me trouwens verstandig alle mogelijke veiligheidsmaatregelen te nemen.

**Zeker, veiligheidsmaatregelen nemen! Dat is precies wat we bepleiten, en wat iets heel anders is dan verbieden! Dat is namelijk wat zorgverleners doen: verbieden, taboeïseren, wegzetten als onverantwoord.

Overigens is het risico bij bedsharing ook heel klein, al kan mevrouw Engelberts niet zeggen hoe klein (of hoe groot), zolang ze niet weet hoeveel ouders hun kind in bed nemen. Zoals ik in mijn blog stel:

'Even simpel: als vijf ouderkoppels hun kind in bed nemen en die vijf kinderen overlijden, is het risico 100%. Als er 500.000 ouderkoppels hun kind in bed nemen en er overlijden vijf, dan spreken we over een risico van 0,001%. Da’s nogal een verschil.'

Mevrouw Engelberts 'denkt' dat het toeneemt, maar ze heeft blijkbaar geen (betrouwbare) cijfers, anders had ze zeker gezegd: 'We weten uit onderzoek dat het toeneemt.'

Als journalist ben ik inderdaad nieuwsgierig. Maar je kunt niet verwachten dat ik bij een onderwerp gemaakt in een dag een boek tot me neem en ook nog evt. van toepassing zijnde wetenschappelijk onderzoek. Daarbij merk ik nog op dat de praktijk in de VS niet zomaar van toepassing is in Nederland: door armoede en slechte behuizing is samen slapen daar vaker een noodgedwongen oplossing. In Nederland is het weer vaker een bewuste keuze.

**Een bewuste keuze verkleint het risico aanmerkelijk, maar juist als er sprake is van noodzaak, is het des te belangrijker om ouders te informeren over hoe ze het veilig kunnen doen, zoals je in landen waar het water vervuild is, extra uitleg moet geven over hoe mensen besmetting met ziektes in dat water kunnen voorkomen. Hoe hoger het risico (waardoor dan ook), hoe *groter* de noodzaak van gedegen informatie.

Wat de mogelijkheden tot voorbereiding betreft: als je het niet verantwoord kunt doen en een 'scaremongering' item is het resultaat... is dat dan hoogstaande journalistiek, of is het 'laag-bij-de-grond'?

Zoals Stevo Akkerman vandaag uitlegde in zijn lezing hier in Assen: er is veel waarvan we kunnen zeggen: 'Het klopt wel, maar het deugt niet.' Het klopt wel dat een goede voorbereiding veel tijd kost, maar dat je die voorbereiding onvoldoende pleegt en dan angst creëert... dat deugt niet. (En helaas is er in je item ook nog veel wat inhoudelijk niet klopt.)

Daarom leun ik op de expertise van bijv. de bijzonder goed ingevoerde dr. Engelberts, zeker als haar opvattingen worden gesteund door andere experts.

**Dr. James McKenna is een nog veel beter ingevoerde expert en zijn opvattingen worden ook door heel veel experts gesteund, op grond van enorm veel onderzoek en stapels publicaties als resultaat.

Zie ook het werk van een andere mondiale grootheid, namelijk dr. Helen Ball en haar vakgroep in Durham (waar een prachtig sleep lab is, waar ik een paar jaar geleden nog was): https://www.isisonline.org.uk/ .

Een filmpje als dit https://www.facebook.com/culturacolectivaplus/videos/2077317248952394/ is een super bondige samenvatting van enorm veel onderzoek van de laatste decennia (waarin ACEs, epigenetica, eigenschappen van de HPA-as en neurologische impact op breinanatomie een grote rol spelen). Dat ouders zoeken naar manieren om hun kind niet te laten huilen (en wat is een betere manier dan de troost van de primaire hechtingsfiguur, zeker als die lacterende borsten heeft), is dus een wetenschappelijk verantwoorde aanpak. Ik kan je papers sturen van zowel McKenna als Ball.

Als je wilt kun je mijn mails gebruiken in je blog of elders. En mocht ik me nog eens verder willen verdiepen in het onderwerp, dan maak ik graag alsnog gebruik van het boek dat je me aanbood.

**Ik wacht het af!

Onderzoeksjournalistiek behelst meer dan even snel een itempje maken, zonder je rekenschap te geven van wat daarvan de consequenties zijn voor degene die je interviewt of degene die je reportage ziet.

Het innerlijk kompas, waarover Stevo vandaag sprak, zou je kunnen doen besluiten om te zeggen: 'Ik weet nog niet genoeg; ik moet me er meer in verdiepen voordat ik dit naar buiten breng.'

Natuurlijk kun je aanvoeren dat je vastzit in het systeem van 'snel, snel, snel', maar dat is nu precies waar Stevo's boek (net als dat van Joris Luyendijk, 'Dit kan niet waar zijn') bezwaar tegen maakt.

Hij stelt dat de systemische structuren de individuele moraal (dat innerlijk kompas) om zeep helpen en sprak in dat kader over de journalistieke plicht om misstanden en onjuiste informatie door te prikken.

Daar heb je een prachtkans laten liggen. Dat is zowel praktisch als ethisch een treurige kwestie, zowel voor de doelgroep van de reportage als voor je eigen beroepsgroep.

Mijn collega's en ik blijven er alles aan doen om ouders eerlijke informatie te geven en we moedigen de 'grassroots approach' in ouderschapskwesties van harte aan.

Ik zal je taggen in de volgende delen van mijn blog, zodat je geïnformeerd blijft.

Vriendelijke groeten,

**En weer terug,



Marianne

Siebe


vrijdag 9 februari 2018

Nieuwsuur over bedding-in, deel 3

Vorige week vrijdag heb ik een begin gemaakt met het analyseren van de uitzending van Nieuwsuur, waarin het onderwerp ‘bedding-in/bedsharing’ aan bod kwam en afgelopen dinsdag postte ik het tweede deel van die analyse. Hieronder volgt deel 3, dat langer is geworden dan ik dacht. We pakken de draad op bij 25 minuten en pakweg 25 seconden van de Nieuwsuur-uitzending . Kinderarts Engelberts weer aan het woord:

‘Als je bij je ouders in het bed ligt, ja, dan liggen er twee kruiken van 37°, je moeder en je vader, dan.’

Dit is een typisch geval van objectificatie: ouders zijn geen ‘dood gewicht’ (pun intended), geen objecten, geen metalen flessen gevuld met heet water. Dát is namelijk wat een kruik is, een armoedige vervanging van een volwassen lichaam, om te zorgen dat het kind niet afkoelt. Kruiken zijn een ‘weird’ alternatief voor hoe de mensheid tot hier heeft overleefd, namelijk door als kind dicht tegen een ander menselijk lichaam aan te kruipen. Dat andere lichaam, als het er van jongs af op is getraind, is responsief naar de bedpartner. Met name de borstvoedende moeder is zeer sensitief en is in haar onderbewustzijn alert op de aanwezigheid en de signalen van haar kind. Zij is geen levenloos voorwerp zonder bewustzijn. De vakgroep Antropologie van Helen Ball van Durham University (Durham, Verenigd Koninkrijk) en van James McKenna van Notre Dame University (Indiana, VS) doen daar prachtig onderzoek naar met nachtopnames. Heeft Nieuwsuur aan de hand van ‘de hoogste journalistieke eisen van zorgvuldigheid, betrouwbaarheid, ongebondenheid, pluriformiteit en objectiviteit’ speurwerk verricht naar deze vrij gemakkelijk te traceren toonaangevende onderzoekers?
Helen Ball's werk: http://isisonline.org.uk/










Engelberts ziet nog veel meer beren op de weg dan alleen de kruiken:

‘Je hebt een dekbed, je hebt een spleet tussen de matrassen, je hebt kussens, dus er zijn allerlei omstandigheden waardoor het kind toch in een benarde positie terecht kan komen. En het lijkt erop dat met name die heel jonge baby’s, dus onder de vier maanden… dat dat toch gevaarlijk kan zijn, hoe goed die ouders ook proberen op te letten [glimlacht ter geruststelling].’

De risicofactoren lijken als onvermijdelijk te worden gezien, wat natuurlijk niet zo is. Je kunt voor ander beddengoed kiezen, je kunt een spleet tussen matrassen of tussen matras en bedrand of tussen bed en muur, heel bewust dichten. Dat is ook precies wat wordt aangeraden aan ouders die hun kind in bed willen nemen: bekijk je slaapkamer en je slaapplek zeer zorgvuldig, niet pas als je vermoeid naar bed gaat, maar overdag, als je helder wakker bent, voordat je aan dit avontuur begint, en ga nauwkeurig te werk in het veilig maken van je bed. Het is in deze context bijzonder om te bedenken dat er *wettelijke* regels gelden voor kinderbedjes: de afstand tussen spijlen is wettelijk vastgelegd! Blijkbaar is zo’n bedje ook niet zomaar zonder meer veilig. Dat betekent dat altijd hetzelfde geldt: kijk waar je je baby te slapen wilt leggen en zet heel actief stappen om te zorgen dat die plek veilig is.

De voiceover vertelt dat Engelberts promoveerde op wiegendood, een verschijnsel dat inhoudt dat een kind om onverklaarbare redenen sterft in de slaap. Het kernwoord in deze definitie is ‘onverklaarbaar’. Als een kind stikt onder de dekens, is het geen wiegendood. Als een ouder op het kind gaat liggen, is het geen wiegendood. Als een kind bekneld raakt tussen de spijlen van een kinderbedje, is het geen wiegendood. (Heb je je trouwens weleens afgevraagd waarom het ‘wiegendood’ heet?!)

Nu even opletten, want nu volgt er een fragmentje statistiek. De voiceover:

‘Dat komt in Nederland niet veel voor, maar ALS het gebeurt, ligt het kind relatief vaak bij de ouders in bed.’

Engelberts licht toe:

‘In 2004 tussen de 15 en 20 gevallen van wiegendood en ongeveer 25% daarVAN [knikt bevestigend met het hoofd en blijft zorgelijk kijken], weten we uit NEDERlands onderzoek, dus dat is echt gebaseerd op Nederlandse getallen, overlijdt terwijl ze samen met hun ouders in het bed slapen. En da’s dus best veel!’

Okay, ik ben geen wiskundetalent, zoals velen kunnen bevestigen, maar één ding weet ik wel: als je spreekt over *alle* gevallen of items in een verzameling, dan is dat 100%. We spreken hier over iets heel ernstigs, namelijk het overlijden van een kind. Van de 15-20 kinderen wie dat in Nederland per jaar overkomt, ligt zo’n 25% bij de ouders in bed. 25%. Trekken we van 100 die 25 af, dan komen we op 75. Dat betekent dat 75% *niet* in het ouderlijk bed ligt. Die andere plekken zijn dus erg gevaarlijk en wellicht moeten we daarom tot de volgende conclusie komen: het verdient aanbeveling kinderen onmiddellijk naar het ouderlijk bed te verplaatsen, want daar is de kans op wiegendood ‘maar’ 25%. Niet bij de ouders in bed liggen verhoogt de kans op wiegendood dus tot drie keer zo veel, een stijging met 200%. (Ik zeg dit met enig sarcasme, maar puur op basis van de nu verstrekte cijfers zou dít de logische aanbeveling zijn. Engelberts wordt daarover echter niet kritisch bevraagd; Sietsma vraagt niet: ‘En waar ligt die andere 75%?’)

De voiceover:

‘Vier à vijf baby’s per jaar, die TUSSEN de ouders in STERVEN [pauze] aan wiegendood. Een precieze oorzaak is niet aan te wijzen, maar het risico is duidelijk, zegt Engelberts.’

Dit is altijd tamelijk vermoeiend. HET kenmerk van wiegendood, zoals al eerder gezegd, is dat er GEEN aanwijsbare oorzaak is. Als die er wél is, is er namelijk die oorzaak en dan is het *per definitie* géén wiegendood! Hieruit blijkt dat degenen die verantwoordelijk zijn voor deze rapportage, geen idee hebben waarover ze spreken en niet in staat zijn de statements kritisch te analyseren. Verstikking is GEEN wiegendood. Op de baby gaan liggen is GEEN wiegendood. Een kind dat oververhit is geraakt is GEEN wiegendood. ALS er een oorzaak is, is het GEEN wiegendood! (Het is natuurlijk wél babysterfte en niemand betwist dan ook dat veiligheidsmaatregelen belangrijk zijn.)

Engelberts:

‘Hoe jonger het kind, hoe groter de kans op wiegendood als je het bij je in bed neemt. Nederlands onderzoek heeft uitgewezen dat de eerste maand dat ongeveer een tien keer groter risico is, euh… bij de derde maand ongeveer een twee keer groter risico, dus mijn dringend advies zou zijn om het NIET te doen [knikt zeer nadrukkelijk].’

Hierna komt er een ‘hoofd opleidingen kraamzorg’ aan het woord; deze dame legt uit wat kraamverzorgenden in de gezinnen tegenkomen en hoe ouders hun kind in bed nemen, met gebruik van allerlei kussens, onderleggers, bednestjes en dergelijke. De interviewer vraagt of al die vormen meer risico met zich meebrengen dan ‘gewoon in de wieg’ en daarop luidt het antwoord ondubbelzinnig: ‘Zeker, absoluut’, bevestigd met een stevige hoofdknik en een vastberaden gezichtsuitdrukking.
De uitdrukking ‘gewoon in de wieg’ is een normatieve uitspraak en beïnvloedt de perceptie van de kijker in de richting van: ‘Samen in één bed slapen is abnormaal’. Andermaal: is dit de objectieve benadering van de NOS? (Even later volgt nog het één en ander over hoe de kraamzorg zich probeert in te dekken tegen ouders die de adviezen niet opvolgen; ik laat dit even rusten, want het is een blog op zichzelf.)

Hierna komt de vader van het begin weer in beeld, die een cosleeper heeft ontworpen, die inmiddels blijkbaar gretig aftrek vindt. Hij vermoedt, zo blijkt even later, dat ouders steeds bewuster bezig zijn met het belang van nachtelijke nabijheid.

‘Zo kon hij zijn kind TOCH dichtbij laten slapen, volgens HEM… op een veilige manier.’

Vader legt uit dat het gewoon een peuterbedje is met één zijde open. Hij legt uit hoe hij dat heeft gedaan, maar het is toch niet zo’n goed idee, misschien, want de voiceover zegt:

‘Maar zelfs COSLEEPERS kennen risico’s, zeggen artsen. Daarom is de landelijke richtlijn… DUIDELIJK.’

Hierna volgt een campagnefilmpje van ‘VeiligheidNL’ met uitleg van een dame: eerste zes maanden kind bij de ouders op de kamer, maar WEL in een eigen wiegje of ledikant...

‘maar LANG niet ALLE ouders volgen dat op’, zegt de voiceover.

We zien tijdens haar verhaal een moeder die de slaapkamerdeur opent van de kamer waar haar baby ligt te slapen. Ze kijkt even en gaat weer weg. We kunnen hieruit niet afleiden hoe lang het kindje al alleen lag en nog zal liggen en hoe lang het dus in bed ligt zonder ouderlijk toezicht. Het is interessant dat dit filmpje wordt vertoond als onderdeel van een item over veiligheid.
De dame van de kraamorganisatie erkent dat lang niet alle ouders de duidelijke adviezen opvolgen. Hun beleid is om dat in het dossier te noteren, zodat ‘als het niet goed gaat’, duidelijk is dat het onderwerp is besproken. Dit lijkt meer te duiden op uitleg over hoe de organisatie zich indekt, dan over hoe de organisatie ouders ondersteunt bij het vinden van veilige vormen van (samen) slapen.

Engelberts:

‘Het is natuurlijk wél zo, dat als JIJ in slaap valt en het KIND in slaap valt… ja, euh… dan vraag ik me af of het dan heel veel meerwaarde heeft om het nog tegen je aan te houden of dat je DAN het risico zo klein mogelijk kan houden en het kind dan TOCH in een apart bedje… [pauze] euh… legt.’

Dat Engelberts geen toegevoegde waarde ziet van het feit dat ouder(s) en kind slapend naast elkaar liggen, laat een gebrek aan kennis zien over de fysiologie van slapende baby’s en hoe die zintuiglijke ondersteuning ervaren van een volwassen slaper naast zich.

De interviewer:

‘Om het even scherp te stellen: ‘Is het verantwoord om met je kind in bed te slapen, als ouder?’

Engelberts:

‘[diepe zucht, moeilijke gezichtsuitdrukking] Euh… onder de vier maanden… denk ik niet. Nee! [gedecideerde blik en knik met het hoofd]’

Tweebeeke rondt af:

‘Da’s duidelijk.’

Nee, dame, er is nu helemaal niks duidelijk. Er is alleen maar een heel suggestieve, eenzijdige, ongeïnformeerde, denigrerende, indoctrinerende, angst voedende reportage gemaakt, eentje die volstrekt niet bijdraagt aan de veiligheid van kinderen en aan maatschappijbrede kennis over de manier waarop ouders het nachtelijk ouderschap kunnen vormgeven. Mijn vraag van het begin, namelijk of de NOS met deze reportage voldoet aan de missie die ze zichzelf heeft gesteld, en die als volgt luidt:

De NOS stelt zich, als integraal onderdeel van de publieke omroep, tot doel de primaire informatiebron te zijn op het gebied van nieuws, sport en evenementen, zodat de Nederlandse burger beter in staat is te oordelen over ontwikkelingen in de wereld, waardoor hij zijn gedrag beter kan bepalen. De NOS hanteert hierbij de hoogste journalistieke eisen van zorgvuldigheid, betrouwbaarheid, ongebondenheid, pluriformiteit en objectiviteit.

… die vraag moet tot mijn spijt dan ook met ‘nee’ worden beantwoord. Da’s duidelijk.
Ik vind dit een blamage voor de NOS en een blamage voor de professionals die eraan hebben meegewerkt en die op deze manier ouders niet serieus nemen. In ieder geval Engelberts beticht die ouders van onverantwoord ouderlijk gedrag en dat is een ferme uitspraak die geen recht doet aan de zorgvuldigheid en liefdevolle sensitiviteit waarmee ouders die hun kind in bed nemen, dit in het algemeen doen. Ook de suggestie dat een kraamzorgorganisatie de juridische verantwoordelijkheid voor dit onderwerp kan ‘afschuiven’ op de ouders door een notitie in het dossier over het niet opvolgen van een advies is op uiteenlopende gronden uitermate problematisch.

Al met al heeft deze reportage heel veel onrust gezaaid. Het siert Vakblad Vroeg dat zij in hun nieuwsbrief meerdere visies aan bod laten komen. Daarmee laat je zien dat je ouders respecteert en hen in staat acht om standpunten tegen elkaar af te wegen.
De wijze waarop de reportage tot stand is gekomen en hoe de journalist daarover met mij communiceerde… daarover zal ik volgende week nader berichten.

Wil je weten wat James McKenna zegt over hoe je veilig met je kind in één bed kunt slapen en wanneer je dat juist niet moet doen? Hier kun je ‘Slapen met je baby’ bestellen!

dinsdag 6 februari 2018

Nieuwsuur over bedding-in, deel 2

Afgelopen vrijdag heb ik een begin gemaakt met het analyseren van de uitzending van Nieuwsuur, waarin het onderwerp ‘bedding-in/bedsharing’ aan bod kwam. Nieuwsuur-journalist Siebe Sietsma heeft mij gemaild en we zijn over het onderwerp in gesprek; dat is nuttig en daarover zal ik later nog berichten. Dat neemt niet weg dat ook de rest van de reportage een analyse verdient, om te laten zien wat er mis gaat met de beeldvorming en de informatievoorziening. We pakken de draad op bij 24 minuten en pakweg 20 seconden van de Nieuwsuur-uitzending .

Tweebeeke neemt weer het woord:

‘En ondanks alle waarschuwingen zijn er in Nederland toch ouders die met hun kinderen in bed slapen.’

Hier zit de tendentieuze toon primair in twee woorden, of drie misschien: ‘ondanks’, ‘waarschuwingen’ en ‘toch’. Er wordt in Nederland heel wat af gewaarschuwd. Dat is tot op zekere hoogte een goede zaak, want de kindersterfte is in ons land heel laag. Er zijn veel zorgmethodieken die bijdragen aan een regelmatige controle van de gezondheid van kinderen en daardoor kunnen allerlei achterstanden sneller worden opgespoord en aangepakt dan wanneer die controles er niet zijn. Tegelijkertijd zijn er ook veel dingen waarvoor niet of nauwelijks wordt gewaarschuwd of waartoe zelfs wordt aangemoedigd, terwijl ze wél veel schade geven voor de gezondheid en het welzijn van het kind. Dan denk ik bijvoorbeeld aan de landelijk uitgegeven Huil- en Slaaprichtlijnen (die ik beide zeer uitgebreid onder de loep heb genomen; zie voor een verhandeling over de slaaprichtlijn bijvoorbeeld dit essay en aan programma’s als TripleP en de Kanjertraining. Andermaal: ik ga nu niet in op de inhoud van deze dingen, want dat is niet de focus van dit blog. Wel denk ik nog hieraan:
‘En ondanks alle waarschuwingen zijn er in Nederland toch ouders die hun kinderen aldoor weer fastfood geven.’
‘En ondanks alle waarschuwingen zijn er in Nederland toch ouders die hun kinderen slaan en afsnauwen.’
‘En ondanks alle waarschuwingen zijn er in Nederland toch ouders die hun kinderen met de auto naar school brengen, terwijl ze best kunnen fietsen.’
Okay, you get the picture; Nieuwsuur kan nog even vooruit, zullen we maar zeggen.

Punt is dat we hebben afgesproken met elkaar dat niet de overheid bepaalt hoe ouders hun kinderen opvoeden, maar *ouders zelf*. Dat valt onder de noemer ‘autonomie’, het recht van de ouders om eigen opvoedingskeuzes te maken. Soms pakt dat een heel stuk slechter uit dan wenselijk is voor het kind en dan de overheid voor ogen heeft (en daarom worden soms regels aangescherpt). Soms ook pakt dat een heel stuk béter uit dan wat sommige kinderen moeten doorstaan en dan de overheid voor mogelijk houdt (maar dat is een stuk minder zichtbaar).
Dat laatste scenario, afwijken van de standaard, is lastig, want als ouders willen afwijken van wat gangbaar is, dan valt het soms nog helemaal niet mee om die autonomie te handhaven en niet voor gek te worden versleten… of door jeugdzorg te worden aangeklaagd. In deze uitzending wordt het slapen met je kind in één bed heel bewust neergezet als een verwerpelijke wijze van omgaan met nachtelijk ouderschap. Kinderen alleen te slapen leggen is de westerse norm (zoals vader Alexander terecht opmerkt), maar zoals ik in het stuk van Kiind betoog: als de jeugdgezondheidszorg beweert dat ‘slaaphygiëne’ (ja, dat woord heb ik ook niet zelf bedacht…) in de babytijd bepalend is voor later, wat moeten we dan denken van de enorme aantallen mensen die met slapeloosheid tobben? Ik geef het maar ter overweging.


Dan krijgen we een filmpje van Alexander, zo’n 'samenslaapvader', die ‘ondanks alle waarschuwingen toch’ met zijn vrouw en drie kinderen in één bed sliep (en slaapt, wellicht).

De interviewer:

‘Het is TOCH heel bijzonder, met AL je kinderen in één bed slapen. Dat DOEN ouders niet.’
We zien een herhaling van zetten: er wordt een normatieve uitspraak gedaan over het gedrag van de vader en zijn gezin, namelijk: zoiets DOE je niet. Hij wordt weggezet als een vreemd geval (‘TOCH heel bijzonder’) en er wordt geïmpliceerd dat hij allerlei ongeschreven wetten overtreedt (‘dat DOEN ouders niet’). In feite wordt hij geportretteerd als een loser, als een ontaarde vader, als lid van een ontaard gezin dat niet weet hoe je op een fatsoenlijke, deugdelijke manier het ouderschap invult.
Wat mij betreft slaagt die opzet niet, want de vader repliceert geweldig:

‘Nou, in NEDERland gebeurt het natuurlijk niet zo veel. Ik denk dat er over de hele wereld meer mensen zijn die dat WEL doen dan niet, maar hier in het westen zijn we dat niet heel erg gewend, nee. Dat klopt.’

De interviewer:

‘Nee! En waarom deden jullie het WEL?’

Nog even doorporren: hoe kwamen jullie er nu toch in vredesnaam toe om zoiets achterlijks te doen? Op een positieve, journalistiek gezien waardige manier had de vraag kunnen (en moeten!) zijn: ‘Wat was jullie motivatie om voor deze vorm van slapen te kiezen?’

De vader spreekt over luiheid en gemak als motivatie én over het goede gevoel van het dicht bij de kinderen te zijn in de nacht. Hij zit er relaxed bij en glimlacht tevreden. Hij wordt niet zenuwachtig; hij staat volledig achter zijn keuze, zo lijkt het. En dat geldt voor heel veel ouders die bewust voor deze vorm van slapen kiezen, niet omdat ze zo lui zijn, maar omdat ze zien hoe hun kinderen gedijen op dat goede gevoel van bij elkaar zijn en niet in hun eentje het donker over zich heen hoeven laten komen. Bijzonder, dat er in de hele reportage geen woord wordt gewijd aan wat het met de kinderen doet; er is geen enkel kind om commentaar gevraagd. Dat valt weer fraai onder het concept Adult Supremacy (waarover meer in andere teksten en blogs, zoals hier en hier ).


De voiceover:

‘Pasgeboren baby’s die ’s nachts niet in de WIEG, maar bij de ouders in BED slapen: een trend onder internationale sterren, die in de boulevardbladen vertellen hoe intiem het is om zó met je kind de nacht door te brengen.’

Tsja, wat moeten we ervan zeggen… dit is zo’n ongelooflijk onnozele benadering, die overduidelijk zo pijnlijk is gespeend van ook maar de geringste antropologische kennis over menselijke gewoontes aangaande slaap en nachtelijk ouderschap. Kunnen we dit nog serieus nemen…? De stelling die met de bewoording en de klemtoon wordt gecreëerd is: ‘Baby’s HOREN in een wieg, maar sommigen zijn zo raar om een trend te volgen en nemen hun baby’s in BED.’ In de geschiedenis van de mensheid is een wieg een tamelijk recent verschijnsel en in heel veel samenlevingen wordt een wieg ook tegenwoordig niet gebruikt. Behalve onnozel is deze uitspraak dus ook etnocentrisch; hij is volledig gebaseerd op de beperkte kennis van wat er in de *eigen* samenleving gebruikelijk is. Hoe past dit in de missie van de NOS, die ‘ontwikkelingen in de wereld’ betrouwbaar en objectief wil presenteren? Het is niet voor niks dat dit acroniem veel wordt gebruikt voor westerse gewoontes: WEIRD (wat staat voor Western, Educated, Industrialised, Rich, Democratic). In verhouding tot landen die niet aan deze criteria voldoen, zijn WEIRD-landen ‘weird’, raar, afwijkend.
Bovendien: boulevardbladen en internationale sterren… deze combinatie creëert andermaal een specifiek beoogde vorm van framing. Ouders die deze sterren ‘nadoen’ (het woord ‘intiem’ legt nog weer een heel andere, seksueel getinte lading over het geheel heen!) door zich aan te sluiten bij deze ‘trend’, die deugen eigenlijk niet. Die brengen hun kind in levensgevaar.


Het filmpje gaat verder; de voiceover:

‘Ook Nederlandse websites promoten het [enter: Kiind, ‘Waarom samen slapen met je baby juist veilig is’], maar het is NIET zonder risico’s voor het kind.’

Kiind is een stuk minder etnocentrisch en beschouwt en onderzoekt allerlei trends (ja, trends… die kunnen behalve slechte namelijk ook heel goede dingen teweegbrengen) op het gebied van ouderschap. Alternatieven voor je kind in de nacht alleen laten huilen (zoals nog geregeld door allerlei zorgverleners en overheidsdocumenten wordt bepleit) horen daar zeker bij.

Tot hier voor vandaag de analyse van de Nieuwsuur-uitzending over coslapen. Binnenkort deel 3!

Wil je je verdiepen in wat James McKenna evidence based over bedding-in zegt? Hier kun je ‘Slapen met je baby’ bestellen!

vrijdag 2 februari 2018

Nieuwsuur over bedding-in, deel 1

Op dinsdag 30 januari 2018 wijdde het actualiteitenprogramma Nieuwsuur een item aan het onderwerp ‘coslapen’ (vanaf 23 minuten), en wel coslapen in de vorm van ‘bedding-in’ of ‘bedsharing’. Deze termen werden niet genoemd, maar het item maakt duidelijk dat dát was waarover het ging. Nieuwsuur is een programma van de NOS en dus van de publieke omroep. De NOS zegt op haar website het volgende over de eigen missie:

Aan de hand van deze taken [‘brede nieuwsvoorziening die betrouwbaar is en onafhankelijk’] heeft de NOS zichzelf deze missie gesteld:

“De NOS stelt zich, als integraal onderdeel van de publieke omroep, tot doel de primaire informatiebron te zijn op het gebied van nieuws, sport en evenementen, zodat de Nederlandse burger beter in staat is te oordelen over ontwikkelingen in de wereld, waardoor hij zijn gedrag beter kan bepalen. De NOS hanteert hierbij de hoogste journalistieke eisen van zorgvuldigheid, betrouwbaarheid, ongebondenheid, pluriformiteit en objectiviteit. De NOS streeft ernaar deze informatie toegankelijk te maken via alle beschikbare media en voor alle maatschappelijke geledingen.”

Dit is een nobele taak en één die de wereld in een tijd van ‘fakenews’ hard nodig heeft. Heeft de NOS deze missie met de uitzending over coslapen waargemaakt? Ik zal, om daarachter te komen, in een driedelige blogserie (waarvan dit het eerste deel is) de diverse uitspraken analyseren. Inhoudelijk heeft Gonneke van Veldhuizen ook al het nodige over dit onderwerp gezegd, zoals hier en hier en ook de collega’s van Kiind hebben er al aandacht aan besteed . Ik sluit me volledig bij hun teksten aan en kies daarom een andere insteek. Ik zal focussen op wat er in de uitzending wordt gezegd en hoe het wordt ingekleed en gepresenteerd. Waar ik dat zinvol acht, zal ik wat meer achtergrondinformatie toevoegen.

Anchor woman Mariëlle Tweebeeke begint als volgt:

Baby’s die bij hun ouders in bed slapen. Veel ouders vinden het gezellig, denken dat het goed is voor de binding met hun kind, of hopen zo simpelweg hun kind stil te krijgen, maar dat KAN gevaarlijk zijn. En dus vroeg de Britse krant ‘The Daily Mirror’ cijfers op bij de overheid en die bleken opzienbarend. Wekelijks sterven in Groot-Brittannië twee of drie baby’s in het bed van de ouders.

Dit is een opening die meteen de toon zet voor de rest van het item, want er zitten diverse tendentieuze bewoordingen in. Zo wekt ‘gezellig’ de indruk dat ouders die voor coslapen kiezen, een heel oppervlakkige motivatie daarvoor hanteren, namelijk ‘gezellig’, ‘wel leuk’. Daarmee worden die ouders als onnozele ganzen weggezet, die niet doorhebben hoe gevaarlijk het wel niet is. Er wordt verder gesteld dat ze ‘denken dat het goed is voor de binding met hun kind’. Ook hier wordt gesuggereerd dat ouders zich niet goed hebben verdiept in de argumenten die pleiten vóór coslapen in de vorm van bedsharing of bedding-in. Omdat ik nu vooral de vorm en toon van de uitzending wil bespreken en niet de inhoudelijke aspecten van coslapen, laat ik die argumenten even liggen; die vormen namelijk een blog op zichzelf. Tot slot noemt ze als motivatie van de ouders de wens om ‘hun kind stil te krijgen’. Ik vermoed zomaar eens dat Mariëlle zelf niet gewend is aan een huilend kindje in de nachtelijke uren en aan wat daarvan op iedereen het effect is, vooral ook op de baby. Die wens van de ouders, waarover nu nogal smalend wordt gedaan, heeft namelijk zeer goed wetenschappelijk te onderbouwen redenen. Is Nieuwsuur daarvan op de hoogte…?

En een andere vraag die opkomt: hebben de makers van deze reportage partners en zo ja, waar slapen die? Kan men niet alleen slapen? De argumenten die willekeurig welke volwassene heeft voor het slapen in één bed met de meest dierbare ander, die gelden voor een onrijpe, volledig afhankelijke baby in versterkte mate. Daarover wordt echter niets uitgelegd.

Tweebeeke legt in de volgende zin de klemtoon op ‘kan’: ‘dat KAN gevaarlijk zijn’. Dat is uiteraard waar, zoals dat voor alle dingen in het leven geldt waarbij je niet goed oplet of je niet goed voorbereidt.
Dan verwijst ze naar de cijfers die ‘The Daily Mirror’ heeft verzameld en die zijn inderdaad opzienbarend: twee of drie baby’s die wekelijks sterven in het bed van de ouders. Een goede wetenschappelijke (en journalistieke!) attitude is om bij opzienbarende resultaten *altijd* grondig verder te kijken. Dan is de kans namelijk groot dat er iets vreemds aan de hand is met het onderzoeksdesign of de interpretatie van de data. Daarover worden we verder helaas niet geïnformeerd. Wél volgt er een filmpje met het relaas van een moeder die haar kindje in verloren. Is het zinvol en ethisch acceptabel, zowel voor deze moeder als voor degenen die de uitzending zien of over dit onderwerp een beslissing moeten nemen, om het onderwerp op deze manier naar voren te brengen? Gezien de balans (lees: het ontbreken daarvan) in de reportage die volgt, is mijn antwoord een ondubbelzinnig ‘nee’. Met bangmakerij ga je de veiligheid niet vergroten en al helemaal niet de bereidheid van ouders om open het gesprek aan te gaan over hun slaapgewoontes.

Het filmpje zegt: ‘Jaarlijks sterven meer dan 130 baby’s die bij de ouders in bed of op de bank slapen.’ Dit is een uitspraak waarin sterk uiteenlopende grootheden op één bult worden geveegd. Baby’s bij de ouders in bed kan op veilige en op onveilige manieren en baby’s die bij de ouders op de bank slapen… dat is in de meeste gevallen simpelweg een gevaarlijke situatie, omdat een bank niet voor slapen is bedoeld en vaak moeilijk baby-proof kan worden gemaakt. Wat hier gebeurt, is dat de doorsnee kijker, die geen specialist is op dit terrein, iets krijgt voorgeschoteld wat niet meteen goed te duiden valt, maar waaruit wel een helder beeld opstijgt: met je kind op één oppervlak slapen is ALTIJD gevaarlijk en de kans is groot dat je baby er DOOD aan gaat. Is dit wat de NOS noemt ‘brede nieuwsvoorziening die betrouwbaar is en onafhankelijk’, ‘zodat de Nederlandse burger (…) zijn gedrag beter kan bepalen’…?

‘Elke week overlijden minstens twee baby’s als gevolg van dit samen slapen’, gaat het filmpje verder. WELK samen slapen, is dan de vraag? In bed of op de bank, op veilige of op onveilige wijze? We komen er niet achter.

Tweebeeke weer, over de waarschuwingen van Nederlandse kinderartsen:

‘In bed slapen met jonge zuigelingen neemt toe en dat is zorgelijk.’

Dat is interessant: hoe weten de Nederlandse kinderartsen dat het toeneemt? Op welke wijze hebben ze daarover cijfers verzameld en hoe betrouwbaar zijn die? Het coslapen in de vorm van bedding-in is namelijk een soort van taboe-onderwerp. De jeugdgezondheidszorg is royaal voorzien van beleidsdocumenten en richtlijnen die door tegenstanders van bedding-in zijn opgesteld. Medewerkers van consultatiebureaus zijn daarom in het algemeen geneigd om ouders streng te waarschuwen wanneer zij gewag maken van hun intentie of hun gewoonte om het bed met hun kind te delen. Ook in de kraamzorg worden die richtlijnen gehanteerd (zoals later in de uitzending nog blijkt). Wanneer dit de sfeer is, is de kans niet groot dat ouders openlijk en in lijn met de realiteit rapporteren over het aantal uren dat hun kind bij ze in bed ligt of dat ze advies inwinnen over hoe ze dat op een veilige manier kunnen doen. Waarom dat belangrijk is? Omdat het betekent dat de beleidsmakers die de noodklok luiden over het aantal kinderen dat sterft in het ouderlijk bed (in Nederland zijn dat er, anders dan in Engeland, vier of vijf per jaar, tegenover zo'n 15 op een andere plek, maar daarover later meer), zonder dat open gesprek met ouders geen goed beeld kunnen schetsen van hoe groot dat risico nu eigenlijk is. Even simpel: als vijf ouderkoppels hun kind in bed nemen en die vijf kinderen overlijden, is het risico 100%. Als er 500.000 ouderkoppels hun kind in bed nemen en er overlijden vijf, dan spreken we over een risico van 0,001%. Da’s nogal een verschil.


Kinderarts Adèle Engelberts komt aan het woord en vertelt ons met een zorgelijke blik:
‘Het blijkt toch een belangrijke factor te zijn bij de jonge kinderen.’

Dat baart hun als kinderartsen zorgen, zegt ze, omdat ze ‘denken’ dat het samen slapen met jonge zuigelingen toeneemt. Bijzonder: Tweebeeke zegt net voordat Engelberts in beeld komt: ‘In bed slapen met jonge zuigelingen NEEMT TOE.’ Dat is echter niet wat Engelberts zegt; zij zegt: ‘Wij DENKEN dat het toeneemt.’ Denken is een nuttige bezigheid, maar je kunt er als gepromoveerde kinderarts toch geen waarschuwingen voor babysterfte op baseren…?!

Tot hier voor vandaag de analyse van de Nieuwsuur-uitzending over coslapen. Binnenkort deel 2!

Ennuh... weten hoe je wél veilig samen met je baby kunt slapen? Koop 'Slapen met je baby'!

vrijdag 26 januari 2018

'Live fully, be awesome!'

Sinds ongeveer anderhalve week ligt het onderstaande boek op tafel. Ik was er nog niet in begonnen, maar heb vandaag, op de dag waarop mijn zusje Karin 51 zou zijn geworden, een begin gemaakt.

Jaren geleden woonde ik een ‘Business Bootcamp’ bij van Nisandeh Neta’s bedrijf Open Circles. Ik heb zojuist vastgesteld dat het in 2010 was, alweer bijna acht jaar geleden. Hij had een wonderlijke formule: voor een euro of vijfenveertig kon je een tweedaagse conferentie bijwonen met plenaire sessies, groepsdingen in de grote zaal en kleinere workshops in de naastgelegen zaaltjes; alle drankjes waren ‘on the house’, evenals de goed verzorgde lunch. Er werd gejoeld, gejuicht, gezongen, gedanst op de stoelen, en er waren yells en harde muziek. Hij stond met een boek op het podium en vroeg aan de zaal (gevuld met een kleine 1000 mensen!) wie het wilde hebben; ik was niet zo scherp als sommige anderen, want wie ‘ja’ zei en naar voren rende, die kreeg het. Zomaar. Motto: grijp je kansen, want als je te lang aarzelt, zijn ze voorbij. Ik wist destijds (en eigenlijk nog steeds) niet goed of ik het daarmee volledig eens was, want zou dat niet ook impliceren dat wie haantje-de-voorste is, altijd goed wegkomt? Er schuilt toch ook deugd in wat meer bescheidenheid? Het is niet ondenkbaar dat Nisandeh deze aarzeling zou afdoen als oorzaak van het probleem: wie voor zichzelf geen ruimte inneemt en niet ad rem reageert, omdat ‘ie denkt dat ‘ie niet de aangewezen persoon is, of dat er misschien een adder onder het gras zit, of dat het niet waar kan zijn dat je iets gratis krijgt… die moet niet gek opkijken als ‘ie geregeld dingen misloopt, waarop anderen wél spontaan en vlot toehapten! Tsja…

Bij aanmelding moest je natuurlijk je e-mailadres geven en ze hadden bij Open Circles een knettergoed systeem voor de follow-up, waaruit ik me bewust niet heb laten uitschrijven. Wie niet ter plekke al een cursus had gekocht (dáár kwam het geld voor de bootcamps vandaan), kreeg daarvoor na afloop alsnog de gelegenheid via een aanbieding in de mail: gunstige prijs, royaal cursusaanbod, videoclips en papieren materialen, regelmatige nieuwsbrieven met aanmoedigingen om van je toko wat moois te maken… Velen beten denk ik alsnog toe, want Nisandeh is nog geen zestig en woont inmiddels op Tenerife… met pensioen! Bedrijf verkocht, overgedragen aan iemand anders, druk met mediteren en schrijven en levensgenieter zijn. Hoe dóet zo iemand dat, vraag ik mij dan wel eens af. Wat kan hij wat ik niet kan… of in ieder geval: wat ik niet *doe*?

Jaren daarvoor had ik me al eens op een ander boek gestort dat uitnodigt en aanmoedigt om jezelf te herontdekken. Ik kreeg het van een lieve nicht in Amerika die dacht dat ik me er goed mee zou kunnen vermaken. Dat was zo; ‘The Artist’s Way’, van Julia Cameron, was een prachtig avontuur. Het was wat spiritueler van aard en bevatte meer kunstzinnige opdrachten dan Nisandeh’s boek, denk ik, meer beschouwingen op hoe denkprocessen tot gedragspatronen kunnen leiden. Ik kan het boek van harte aanbevelen aan wie de creatieve energie weer wat meer wil laten stromen. (Ik las de originele versie, maar er is dus een Nederlandse vertaling.)

Het bootcamp was een fascinerende ervaring; ik was er met twee collega’s en we keken onze ogen uit. We fronsten af en toe ook de wenkbrauwen, maar tegelijkertijd krabden we ons achter de oren en zaten we met de handen in het haar, om het maar even heel fysiek te verwoorden. Als je andere resultaten wilt dan voorheen, moet je andere dingen doen dan voorheen of je moet die dingen op een andere manier doen dan voorheen; dat was zo ongeveer de strekking. Weg uit je ‘comfort zone’! Niet in je eentje zitten worstelen! Voelen wat je werkelijk wilt! Uitdagingen aangaan waarvan je hart sneller gaat kloppen! En als je ze nog niet hebt, was toen de boodschap: meteen een Facebook- en een twitteraccount aanmaken! Ik heb lang niet alles opgevolgd, maar die laatste twee wel. Dat was een goede stap, want sinds ik dat deed, heb ik veel contacten gelegd, waardevolle informatie aangereikt gekregen en kostbare inzichten verworven.

Dat neemt niet weg dat Facebook, zoals alle gebruikers weten, ook een tijdslurper kan zijn waarvan je weinig rendement ziet. Je raakt verzeild in discussies waar geen eind aan komt en waarvan je niks kunt leren. Je kijkt filmpjes over dingen waarin je niet bent geïnteresseerd en je leest over irrelevante activiteiten van mensen die je nauwelijks kent. Dat moet beter kunnen… maar hoe? Het valt immers niet mee om het zinvolle eruit te filteren en zo het amateuristische, weinig constructieve kaf van het professionele, vernieuwende koren te scheiden.
Misschien is het weer eens tijd om een boost te genereren voor de dromen die ik koester? En laat dat nu precies zijn waar Nisandeh’s boek mee begint! De eerste uitdaging is namelijk om een aantal dagen te visualiseren hoe je ideale leven eruitziet. Waar zou je wonen? Wat zou je doen? Hoe zouden je dagen verlopen? Op welke manier zou je fysiek en mentaal gezond blijven? Visualiseren is niet alleen een kwestie van fantasievol wegdromen, maar vooral ook een zaak van in je bewustzijn inprenten hoe je het graag zou willen. Met een krachtig beeld voor ogen is het gemakkelijker om richting en keuzes te bepalen.

Hoe ons leven vorm te geven… dat is immers een vraag die ons allemaal bij vlagen bezighoudt. Zingevingsvragen komen in transitiesfases soms weer prangend naar voren, zoals bij de geboorte van een kind, bij het verhuizen van het laatste kind dat de deur uitgaat, bij het beëindigen van een baan die niet meer bevredigt, bij het verlies van dierbaren… en bij het besef dat *jou* de zegen ten deel valt dat je er bent, dat je er nog altijd bent, hoe zoekend ook, en dat je, hoe subtiel ook, dingen kunt veranderen om tot een krachtiger gevoel van vervulling te komen. Nisandeh zegt: ‘Live fully, be awesome’, opdat je ‘happy, healthy, wealthy and wise’ wordt en je volledige potentieel tot bloei brengt. Klinkt goed! Net gisteren en vandaag kwamen er al wat mooie dingen op mijn pad voor werk en studie, dus het universum helpt al een beetje mee. Ter ere van Karin, die haar leven zo vroeg zag eindigen, zal ik weer eens een extra tandje bij zetten. ‘You can focus on… how you will contribute to society’, zegt Nisandeh op pagina 21. Kijk, daar heb ik wel een idee over! Wat voor idee…? Om met twee mooie collega’s te spreken (Aunchalee Palmquist en Cecilia Tomori): een antrolactologisch idee!

vrijdag 19 januari 2018

Verliezen... verwerken

Gisteren was een rare dag. Ik hoopte de trein van 6.27 uur te nemen naar het zuiden van het land, maar dat liep anders. Ik had in gedachten om rond 21.30 of misschien 22.30 uur weer thuis te zijn, maar vooral ook dát liep heel anders. Op de weg terug naar huis heb ik maar (weer) eens een analyse op mijzelf losgelaten om beter inzicht te krijgen in mijn eigen handelen en reacties en hoe die iets van het kind in mij zichtbaar maken in de volwassene die ik nu ben.

Er raasde een storm over Nederland gisteren. Die was wel aangekondigd en de NS zou ook met een aangepaste dienstregeling gaan rijden, maar heel dramatisch zag het er nu ook weer niet uit. Mijn trein zou gaan, advies om massaal thuis te blijven werd niet gegeven en ook ik besloot derhalve om donderdag volgens planning te vertrekken. Dat was een vroege planning: trein van 6.27 uur (de laatste voor de spits, dus de laatste waarmee ik met mijn DalVrij-treinabonnement zonder extra kosten kan reizen), dus 6.15 uur de deur uit, dus 5.30 uur op. Da’s vroeg, zeker als je eigenlijk nog aan het bijkomen bent, niet alleen van een halve week waarin je ziekig was, maar van een heel half jaar waarin er meerdere ingrijpende levensgebeurtenissen hebben plaatsgevonden die je praktisch gezien achter de rug hebt, maar emotioneel gezien nog niet allemaal hebt verwerkt.
Daar stond ik, druipend van de regen, bij de incheckpaal om 6.23 uur, blij dat ik op tijd was: rits los, hand in de jaszak… geen OV-kaart! Koortsachtig zoeken, proberen mijn brein in bedwang te houden, logisch redeneren, alle jaszakken bij langs, nadenken of ‘ie in de rugzak zit, in gedachten door de jassen en kleren thuis vliegen (misschien andere jas aan gehad?), agenda van de afgelopen dagen nagaan, vaststellen dat ik niet zonder kaart de trein in kon voor zo’n lange reis heen en weer… én vaststellen dat als ik terug naar huis zou gaan om te zoeken, ik sowieso niet meer buiten de spits kon reizen en dus de volle mep moest betalen én, vooral ook dat, te laat zou komen voor mijn oppasafspraak. (Overigens hoorde ik in de loop van de dag dat je met een abonnement drie keer per jaar je kaart mag vergeten en dat dat dan wordt verwerkt door de conducteur. Ik wist het niet.)

Daar stond ik, overvallen door een diep gevoel van falen: kaart niet meegenomen… niet kunnen bedenken waar die is… niet op tijd komen… dochter teleurstellen… er een potje van maken… niks tot stand kunnen brengen… een sukkel zijn… wéér iets verliezen.
En dáár zit het grootste knelpunt, in dat verliezen. Als kind heb ik een aantal intensieve verliezen ervaren, zowel persoonlijk als via de impact van verliezen op mijn moeder en haar effect op mij.
Ik had jarenlang een telkens terugkerende droom: ik vloog en zweefde door de ruimte en zag prachtige, zachte witte wolken. Ik genoot ervan en wilde ze aanraken en omhelzen, maar zodra ik dat deed, werden ze hard en zwart. Nu, 40 à 45 jaar later, kan ik de contouren van die zwarte vormen nog altijd voor me zien en bijna voelen. Ik kan de ervaring van die droom nog weer terughalen en bedenken hoe verdrietig ik dan altijd wakker werd, omdat al het mooie in duigen viel. Waarom keerde die droom steeds terug?

Nu ik sinds een aantal jaren beroepshalve veel meer weet over hoe het kinderbrein zich neurologisch gezien ontwikkelt onder invloed van ervaringen in de sociale omgeving, begrijp ik bepaalde dingen steeds beter. Toch was ik gisteren verrast door hoe ik reageerde, omdat ik eigenlijk dacht dat ik de laatste jaren beter in staat was geraakt om die vroege kindervaringen wat meer los te laten en ze niet meer zo te laten overheersen. Toch zitten ze blijkbaar nog heel diep in mij verankerd, ook al zijn ze minder scherp geworden en kan ik meestal goed met ze omgaan.
Jaren- en jarenlang kon ik namelijk helemaal niet tegen het verliezen van dingen. Iets kwijt zijn, iets kapot laten vallen, geld kwijtraken aan het herstellen van ‘domme fouten’ (zoals een beschadiging aan de auto of het scheuren van een kledingstuk of het vervangen van iets wat ik was verloren)… het bracht me helemaal van mijn stuk. Ik hield dagenlang zo’n knagend gevoel van ‘er is iets wat niet goed is’, en ik bleef eindeloos zoeken en alert kijken, in de zinloze hoop dat het verlorene weer zou opduiken, het beschadigde weer heel zou zijn. Het maakte van de witte wolk van zo’n voorwerp een hard en zwart verschijnsel. Het gaf me het gevoel dat wat ik aanraakte en wat me dierbaar was, verloren zou gaan, z’n schoonheid zou verliezen, mijn gevoel van veiligheid zou verscheuren. En dat lag dan niet aan de omgeving; dat lag dan aan mij. Ik kon misschien wel een spontane en pientere indruk wekken, maar als je goed keek, zou je zien dat ik niet goed op mijn spullen kon passen, dat ik ‘overal een zootje van maakte’… dat ik niet deugde.

Wie mij een beetje kent, die weet dat mijn leven helemaal geen zootje is, dat ik heel goed de boel op orde kan houden, dat ik heel hard kan werken en dat ik dan ook een zeer fraai eindproduct kan afleveren. Ik heb niet, zoals ooit bij een toets op mijn eerste basisschool werd gesteld, te weinig doorzettingsvermogen; ik heb juist een enorm uithoudingsvermogen om dingen die belangrijk zijn, af te ronden en tot een goed einde te brengen en naasten te ondersteunen waar dat nodig en haalbaar is. Ik ben trouw in oprechte vriendschappen en trouw aan werksituaties waarin ik kan bijdragen aan mooie, idealistische doelstellingen. Ik kan lachen met vrienden en vriendinnen. Ik kan intens genieten van onze kinderen (en nu zelfs al van twee kleinkinderen!) en heb mij al meer dan een kwart eeuw met lijf en leden, ziel en zaligheid ingezet voor hún ziel en zaligheid. Waar komt dan die discrepantie vandaan tussen wat ik doe en hoe dat bij vlagen soms ineens weer voelt?

Deze week las ik een prachtige tekst van mijn lieve collega Mieke Saras, die onlangs, net als ik, een presentatie hield voor het online congres iLactation. Komende week hebben we een afspraak, waarin we samen verder zullen praten over de thematiek die zij en ik behandelen, namelijk de invloed van de heel vroege levensfase op de rest van ons bestaan, op onze gezondheid, ons welzijn, onze emotionele stabiliteit. Hoe ontwikkelen we onze ‘default settings’? Waar neemt ons basale brein, de amygdala, waar de primaire overlevingsinstincten zetelen, het over van ons intellectuele brein, de neocortex, waar we zaken beheerst en rationeel overdenken om tot verantwoorde besluitvorming te komen? Daarover raken wetenschappers het steeds meer eens: stress is de cruciale factor. Als in ons jonge leven de stress hoog is, ontwikkelen we een andere neurologische structuur in onze hersenen dan wanneer we frequent baden in het liefdeshormoon oxytocine. Bij hoge adrenaline- en cortisolspiegels (die ontstaan door onze eigen ervaringen of door wat we in de puurheid van ons baby- en kindzijn overnemen van onze hechtingsfiguren) kunnen we niet goed meer logisch nadenken. Dan vallen we terug op overlevingsgedrag. Dan volgen we onze intuïtie, een concept waarover ik net vandaag een zeer interessant artikel las. Intuïtie, zegt de auteur onder andere, is het gevolg van ervaringspatronen en de passende reactie daarop.

Ik heb als kind veel stress gehad in situaties van verlies… en ik ben omgekeerd ook geregeld dingen verloren in situaties van stress. Die onveilige ervaringen zijn destijds in mijn brein gekoppeld geraakt: stress en verlies horen bij elkaar. Wat oorzaak en wat gevolg is, doet er voor mijn amygdala onder druk niet meer toe. Als het ene er is, zal het andere wel volgen, en dan het ene weer: intuïtie, een ervaringspatroon, met alle emoties die daarbij horen.
En zoals gezegd: onder stress kun je niet meer zo goed logisch nadenken; de neocortex functioneert dan niet zo goed. Zonder stress had ik kunnen bedenken waar ik niet meer op kon komen toen ik om 6.25 uur opgejaagd terugfietste naar huis. Ik had mijn OV-kaart zaterdag weliswaar keurig in mijn jas teruggestopt en de rits gesloten en ik was zondag nergens geweest, maar toen ik maandag mijn jas in een garderobe moest hangen (van een emotioneel geladen plek), had ik aanvankelijk nog helder nagedacht. Ik had mijn kostbaarheden uit de jaszakken gehaald en in mijn broekzakken gestopt. Door de emotie van plek vergat ik ze terug in de jas te doen en toen ik een paar dagen later onder stress bij de incheckpaal stond en mijn oude verlieservaringen werden getriggerd, lukte dat logisch nadenken niet meer. Ik kon de oplossing niet bedenken (‘hij zit thuis in de zak van je nette broek’). Ik kon ook niet meer relativeren (‘hij is zeker gejat!’… nog meer onveiligheid…). Ik voelde alleen maar dat grote, overweldigende gevoel van verlies, van eenzaamheid, van tekortschieten. Het kind in mij voelde hoe zich de wattenwolken weer verharden, waarna de volwassene huilde… om een vergeten OV-kaart? Nee, niet om die kaart. De volwassene huilde omdat het kind blijkbaar nog steeds rouwt om wat verloren ging aan schoonheid en veiligheid, en om de angst opnieuw van alles kwijt te raken, zeker nu er de afgelopen periode weer diverse relationele verlieservaringen waren.

Het heeft me verrast, dat ik de afgelopen periode blijkbaar meer bezig ben geweest met wat die verlieservaringen voor de dierbaren om mij heen betekenden, dan met wat ze in mij weer aanraakten. Dat is in ieder geval de conclusie die ik trok, toen ik toch maar naar huis probeerde te reizen gisteravond. Dat was een avontuur, aangezien de NS wegens de storm met orkaankracht om 11.00 uur ’s ochtends het treinverkeer volledig had stilgelegd tot circa 19.00 of 20.00 uur.
Het was heel rustig onderweg; de duizenden gestrande reizigers hadden blijkbaar toch een slaapplek of een carpoolmaatje gevonden om naar huis te komen. De trein werd een stille bezinningsplek tot mijn aankomst in Assen rond 2.00 uur. Weer thuis, onder de wol naast mijn lieve man, die door alle stormen heen al 35 jaar naast mij staat. Mijn OV-kaart zit weer achter de rits van mijn jaszak. Ik was ‘m niet verloren; ik had ‘m gewoon veiliggesteld, zoals het hoort met kostbare zaken in het leven. Jammer, dat ik dat even vergeten was, maar misschien ontdekte ik het weer omdat ik tijdens het oppassen met een klein lief kereltje in de weer was geweest, waardoor de oxytocine weer kon stromen…?
Zo ervoer ik even weer aan den lijve het belang van Miekes en mijn drijfveer: de kleintjes in onze samenleving zo’n veilig mogelijke start geven via een mooie geboorte en een voedzame (borstvoedings)relatie, opdat ze vol vertrouwen hun volwassen leven tegemoet gaan. Volgende week  gaan we daarover brainstormen en kijken hoe we samen aan dat doel kunnen werken!

zaterdag 30 december 2017

De aanhouder

Afgelopen week werd ik getagd en werd mij om input gevraagd in een bericht waarin tips werden gezocht in verband met het ‘flesweigeren’ van een kindje van een maand of vijf. Er was een besluit genomen om het kindje de borst nu volledig te weigeren en alleen nog maar de fles aan te bieden, net zo lang tot het kind die zou pakken, in het kader van ‘de aanhouder wint’. Er werd niet bij gezegd wie de ‘aanhouder’ was, maar het leek erop dat de volwassenen om de baby heen zo werden betiteld. Er kwamen allerlei reacties, zoals die van een moeder die vertelde dat zij destijds ook dat advies hadden gekregen van de zorgverleners in het ziekenhuis en dat ze nu een kind hadden dat alleen nog via de sonde kon worden gevoed; alle andere methodes faalden. Veel suggesties gingen over kinderen bij wie hetzelfde speelde of had gespeeld en over wat qua gedrag hun reactie was op de ‘onthouding’ of ‘opdringing’ door de volwassenen. In twee lange bijdragen reikte ik de onderstaande overwegingen aan (hier en daar nu wat aangepast om te anonimiseren en er een logisch geheel van te maken).

“Ik vind het lastig hier iets over te zeggen. Ik heb vlot door alle reacties heen gelezen en heb zelf een totaal andere insteek in dit soort situaties, dus ik weet daarom niet of mijn bijdrage wel zin heeft. Voor een kind dat de borst gewend is en die dan ineens die niet meer krijgt, wordt dit alles bij elkaar een traumatische ervaring, één waarin ze 'leert' dat ze niet krijgt waaraan ze zo'n diepe behoefte heeft en waarin ze 'leert' dat haar wens er niet toe doet, dat ze hoog en laag kan springen (schreeuwen, huilen, boos worden), maar zich toch moet schikken in dit (nood)lot. Dit klinkt heftig, maar dit is wel hoe een jonge baby het ervaart.
Mijn vraag is dan altijd: wat zou je er als volwassene van vinden als iemand zo met je zou omgaan? Zou je die ander nog vertrouwen? Zou het jullie relatie ten goede komen? Hoe zou je aankijken tegen het machtsmisbruik?
Ik realiseer me terdege dat veel westerse samenlevingen structuren hebben gecreëerd waarin dit soort methodes gangbaar zijn, maar daarmee worden ze nog niet geschikt voor een gezonde ontwikkeling van een baby/jong kind...
Ik realiseer me ook dat deze structuren veel ouders in een lastige positie brengen. Mijn uitgangspunt als professional is echter het belang van de baby: hoe werken keuzes uit voor het welzijn van het kind? Voeding onthouden, een kind op de knieën dwingen... ik vind het erg heftig en het snijdt me door de ziel, als professional, als mens en als moeder/oma... Ik ken de situatie echter niet in detail, dus ik kan nu niet heel praktisch concrete alternatieven aandragen.”

Iets verderop schreef ik daarna dit, nadat er nog veel meer antwoorden waren gegeven.

“En in aanvulling op het bovenstaande: ik word steeds droeviger als ik alle reacties lees en zie wat er door professionals blijkbaar wordt aangeraden. Een kernaspect vind ik dit: er wordt gedaan alsof deze baby een probleem heeft waarvan ze met allerlei trucs moet worden verlost. Dat is echter niet het geval. De baby *heeft geen probleem*; ze *heeft geen ziektebeeld* waaraan gesleuteld en gedokterd moet worden, maar vertoont normaal mensenbabygedrag. De *ouders* of zo je wilt *de werkgevers* hebben een probleem als een kind niet op een andere manier wil drinken dan bij de moeder aan de borst. Hoe zeggen ze dat soms zo fraai...? 'Wie het probleem heeft, mag het houden.' Anders gezegd: wat kunnen we eraan doen om, *met respect voor de behoeften van het kind*, het probleem op te lossen? Dát zou voor professionals de vraag moeten zijn, niet: 'hoe dwingen we dit kind in het systeem van ons als volwassenen?' Ik noem dat Adult Supremacy, het vooropstellen van het volwassen belang ten koste van het kind.
Het wordt hoog tijd dat de samenleving als geheel de belangen van het kind meer prioriteit geeft via regelingen die de beschikbaarheid van de ouder(s) voor het jonge kind ondersteunen. Aangezien er veel wetenschappelijk onderzoek is aangaande de invloed van vroegkinderlijke ervaringen op de lichamelijke en geestelijke gezondheid in het latere leven, is veel van wat er ten aanzien van de omgang met kinderen normaal wordt gevonden, zo langzamerhand echt niet meer aanvaardbaar.”

Ik richtte me nog specifiek tot de moeder, die liet weten het niet met me eens te zijn.

“Ik begrijp dat mijn bijdrage in deze draad wellicht niet in goede aarde valt bij je, omdat het een confrontatie is met de situatie waar je nu voor staat.
Toch vind ik het jammer dat je mijn vragen hierboven niet beantwoordt (over wat het met *jou* zou doen als je zo werd bejegend). Ik zei niet dat je dochter getraumatiseerd was; ik zei dat het voor haar een traumatische ervaring is. Dat is iets wat uit heel veel onderzoek naar voren is gekomen: baby's laten in hun gedrag niet altijd zien wat er qua stressregulatie van binnen gebeurt. Ze passen zich aan (overlevingsgedrag! totale afhankelijkheid!), maar dat betekent niet dat diep in de amygdala, in het basale deel van het brein, het veiligheidsgevoel niet wordt aangetast. De psychoneurowetenschappen geven daarover steeds meer duidelijkheid, niet voor één specifieke baby, maar voor baby's (en anderen!) in het algemeen.
Die kennis is in veel omstandigheden zeer ongemakkelijke informatie, precies zoals het vroeger ongemakkelijke informatie was als werd gezegd dat je je kinderen niet moet slaan omdat dat slecht voor ze is.
Een kind dat de fles niet pakt (ik ben tegen het woord 'weigeraar', want het suggereert een welbewuste negatieve attitude die een kind niet heeft), verdient zachtheid en geduld. Je kunt een kind ook niet dwingen te lopen, te praten, te fietsen, te zwemmen. Dwang resulteert vrijwel altijd in een negatieve ervaring, in beschadigd (zelf)vertrouwen, in het ontstaan van angst en onzekerheid. Nogmaals: probeer je voor te stellen hoe het voor jou zou zijn als je tot iets werd gedwongen. Baby's zijn volwaardige mensjes, die net zo worden geraakt door dit soort interactie als een volwassene, en misschien nog wel sterker, juist omdát ze zo afhankelijk zijn en nog zó veel moeten leren.
Ik wens je sterkte met het vinden van een oplossing die recht doet aan de behoeften en gevoelens van je dochter!”

Een aspect dat ik vergeten was uit te werken in mijn reactie, is het machtsmisbruik. ‘De aanhouder wint’ betekent dat wie niet opgeeft, zijn doel bereikt. Wanneer we termen als ‘aanhouder’, ‘winnen’, ‘weigeren’ en ‘volhouden’ echter gebruiken in de context van een baby die niet snapt wat de bedoeling is van een fles als het op voeding aankomt, dan storten we onszelf regelrecht in een machtsstrijd. Immers… welk doel wordt hier nagestreefd? Wat willen we bereiken? Het lijkt wenselijk om de vraag op te werpen of een machtsstrijd de vorm is waarin we de relatie met onze kinderen willen gieten. Willen we van de meest basale verbinding in hun jonge leven een strijd maken over wie de baas is, wie de macht heeft, wie er wint? Dat impliceert immers ook dat we veel van onze kinderen te vrezen hebben! Het wekt de indruk dat we, als we vanaf het prille begin niet heel erg oppassen, volledig door ze onder de voet zullen worden gelopen en dan niks meer in te brengen hebben. Er wordt soms zelfs letterlijk gezegd dat onze kinderen ons dan zullen uitbuiten en misbruiken. Waar komt die angst vandaan…? Wat vertellen zulke insinuaties over onze verwachtingen jegens het sociale karakter van onze kinderen? Zegt dat alles iets over hen… of zegt het iets over onszelf, over hoe in onze eigen ontwikkeling het vertrouwen in de ander ernstige deuken heeft opgelopen…? We voelen blijkbaar voortdurend de drang om op onze hoede te zijn, zodat we niet worden gekwetst en gekleineerd.
En precies dát is wat we met responsieve, sensitieve zorg kunnen voorkomen. Als we de behoeften van de jongsten in de samenleving serieus nemen en er met elkaar alles aan doen om eraan tegemoet te komen, kunnen ze zich ontwikkelen tot vrije geesten, tot volwassenen die niet steeds defensief door het leven hoeven te gaan, maar proactief hun talenten kunnen ontplooien en daarin echte aanhouders worden. Dat lijkt me een mooi streven voor het nieuwe jaar!