dinsdag 26 februari 2019

Traumapreventie: waar begint die?


Afgelopen week kwam ik bij het bijlezen van mijn mail dit bericht  tegen in de nieuwsbrief van Vakblad Vroeg. De titel is ‘Traumabehandeling bij baby’s verdient expliciete aandacht’. Onder de titel staat een foto van een baby die huilend in bed ligt.


Deze titel-foto-combinatie vormt in mijn hoofd een verwarrend geheel. Dat komt door de volgende dingen:
-          * jonge baby’s huilend alleen in bed laten liggen (de baby op de foto oogt zeer overstuur) kan een oorzaak zijn van vroegkinderlijk trauma;
-          * jonge baby’s huilend alleen in bed laten liggen is een verschijnsel dat nog veel voorkomt en door allerlei partijen op uiteenlopende manieren (ook protocollair) wordt aangemoedigd;
-          * jonge baby’s huilend in bed laten liggen wordt helaas ook door Vakblad Vroeg niet integraal afgewezen;
-          * er wordt gesproken over traumabehandeling bij baby’s in vervolg op traumatische gebeurtenissen, maar opvoedingsstrategieën worden op zichzelf niet als een mogelijke oorzaak van trauma benoemd;
-          * er wordt gesproken over wat problemen bij het kind met de ouders doen, maar niet over wat problemen bij de ouders met het kind doen;
-          * er wordt gesproken over het behandelen van het kind, maar niet over het behandelen van de ouders en hun eigen onderliggende trauma, dat via hun kind intergenerationeel wordt.

Drie kernpunten hieruit verdienen wat meer aandacht, namelijk opvoedingsstrategieën als oorzaak van trauma, de invloed van ouderlijk trauma op het kind, en de preventie van problemen of de aanpak als ze er eenmaal zijn. Tot slot deel ik nog wat algemene overwegingen over dit onderwerp.


Opvoedingsstrategieën en trauma
In veel sectoren van de Nederlandse samenleving wordt ernaar gestreefd een kind zo snel mogelijk ‘zelfstandig’ en ‘zelfredzaam’ te laten worden. Ook in het recente rapport Stress bij kinderen: hoe houden we het gezond? staat: ‘Het is ook belangrijk dat kinderen al vroeg leren om met zichzelf om te gaan. Ook bij tegenslag of als ze problemen hebben. Zelfregie en veerkracht moeten zo jong mogelijk geleerd worden’ (NCJ 2019: 56) . Het staat hier als een gegeven, een feitelijkheid, maar in essentie is dit een ideologie die past bij de neoliberale samenleving, waarin individualisme, onafhankelijkheid en zelfredzaamheid op een voetstuk staan. Afhankelijkheid en wederzijdse afhankelijkheid worden daarin vaak als lastige fenomenen gezien, omdat ze de individuele invulling van het leven lastiger maken en een ondertoon van ‘zwak’ en ‘niet productief’ in zich dragen. Ook in veel opvoedingsstrategieën komt de wens tot zo vroeg mogelijke zelfstandigheid naar voren, met name voor baby’s en jonge kinderen. Mensenkinderen zijn echter zeer onrijp als ze worden geboren en kunnen om allerlei redenen zichzelf nog niet redden. Ze hebben een volwassene nodig die voor coregulatie zorgt, die zorgt dat ze bij stress of ingrijpende gebeurtenissen niet helemaal over hun toeren raken. Wanneer ze veiligheid ervaren, groeien ook de zelfregulatie en de zelfstandigheid. Wanneer er sprake is van sensitieve en responsieve ouders, zullen veel gebeurtenissen niet tot trauma leiden, ook medische ingrepen niet, maar tot een levenservaring die goed kan worden verwerkt. Zoals arts Gabor Maté zegt: het is niet de gebeurtenis zelf die voor trauma zorgt; trauma ontstaat wanneer een gebeurtenis emotioneel niet adequaat wordt verwerkt en chronische stress creëert. Een kind dat alleen wordt gelaten, niet wordt getroost, wordt gestraft of op andere wijze wordt vernederd, loopt daarom een groter risico op blijvend trauma. De wijze waarop een kind wordt verzorgd en grootgebracht, doet er dus toe.


De invloed van ouderlijk trauma
Ook voor de ouders doet het ertoe hoe ze zijn grootgebracht en hoeveel troost en koestering ze ondervonden in hun jonge jaren. Een sensitieve setting om in op te groeien voedt een gevoel van existentiële veiligheid, van er mogen zijn en gezien en gehoord worden. Ouders die dat zelf onvoldoende hebben ervaren, dragen deze pijn vaak in zich mee en baby’s en jonge kinderen kunnen die pijn triggeren of spiegelen. Wanneer we het probleem bij het kind leggen, vermijden we het gesprek over hoe de ouders zijn opgegroeid en wat zij hebben gemist of juist te veel hebben moeten ervaren. Dat kan het trauma in zowel het kind als de ouders bestendigen.

Preventie van problemen en aanpak als ze er zijn
Wanneer we kijken naar hoe problemen kunnen worden opgelost (of liever natuurlijk nog: kunnen worden voorkomen!), zou het goed zijn om bij de oorzaak te beginnen en het levensverhaal van de ouder centraal te stellen. Hoe was de kindertijd? Hoe gingen de ouders van de ouders met hen om? Welke dingen waren lastig in het leven? Waar kwam dat door? Wat van vroeger doet nog zeer en maakt verdrietig? Hoe speelde dit in de zwangerschap en tijdens de bevalling en de kraamtijd een rol? Hoe beïnvloedt dit alles de visie van de ouders op hun kind en op de opvoeding? Hoeveel draagkracht is er in de ouders? Wie of wat kan helpen om die draagkracht te vergroten, als die momenteel in de zorg voor de baby of het kind niet toereikend is? Dat zijn allemaal heel belangrijke vragen, maar ze worden bij problemen die worden toegeschreven aan het kind, veelal niet gesteld. Dat is spijtig, want als de draagkracht van de ouder(s) tekortschiet, dan is de kans aanwezig dat dat zo blijft en dan worden de problemen vaak groter in plaats van kleiner.
Het is waar, zoals Marianne Went in het artikel zegt, dat bij het brede publiek nog onvoldoende bekend is dat gebeurtenissen in het vroege leven al voor trauma kunnen zorgen. De gedachte lijkt nogal eens te zijn: ‘Ach, het kind was toen nog zo klein; daar heeft het niks van gemerkt’, terwijl kinderen juist heel gevoelig zijn. Helaas lijkt ook nog niet voldoende bekend dat trauma via sensitief ouderschap, door ouders die niet zelf met veel trauma worstelen, meestal kan worden voorkomen. Behandeling zou veel meer op de ouders gericht kunnen zijn in plaats van op de kinderen, aangezien het ontbreken van ouderlijke sensitiviteit vaak met ouderlijk trauma te maken heeft. Dat het ontstaan van trauma onvoorspelbaar is en dat er weinig kennis is over wat je kunt doen om het te voorkomen, lijkt me dan ook te somber geformuleerd. Er is echt al veel bekend over de waarde van sensitiviteit en lichamelijke aanwezigheid van de primaire verzorger; die helpen om via coregulatie de stress bij het kind omlaag te brengen. De fysiologie zorgt daarvoor: veiligheidsbeleving brengt het lichaam tot rust. Het vermindert de stress, die daardoor niet toxisch wordt en niet als een negatieve ervaring in de meer primitieve delen van het brein wordt opgeslagen. Dan is de kans op trauma al fors gereduceerd.


Algemene overwegingen
Slapen, eten, huilen… het zijn heel primaire functies en als er zonder een aanwijsbaar ziektebeeld problemen mee zijn, dan is er vaak wat aan de hand in de emotionele dynamiek tussen ouder(s) en kind. Overigens is het natuurlijk belangrijk om eerst de verwachtingspatronen op een realistisch niveau te krijgen. Veel babygedrag dat als probleem wordt gezien (vaak willen drinken, veel vastgehouden willen worden, niet alleen willen slapen), zijn volstrekt normaal voor een jong mensenkind. Dat soort behoeften liggen in onze biologische blauwdruk besloten, ook al passen ze dikwijls slecht bij de huidige maatschappelijke patronen.
Marianne Went noemt terecht de symbiotische eenheid tussen ouder en kind. Ik vind het alleen jammer dat vervolgens de focus weer ligt op hoe zwaar dingen voor de ouder zijn. De dingen die zwaar zijn voor een ouder, zijn vrijwel zonder uitzondering zwaarder en ingrijpender voor het kind, puur op grond van de fysieke en mentale onrijpheid. Ik denk dan ook dat we als samenleving meer aandacht zouden kunnen en moeten schenken aan traumaverwerking in de ouders. Dat lijkt me de allerbeste vorm van preventie van trauma in de kinderen.

dinsdag 2 oktober 2018

Einde van een tijdperk... op naar een nieuw begin?


Zaterdag 22 september 2018 was het begin van het einde van een tijdperk. En ik had daar geen idee van, toen ik opstond en me voorbereidde op de dag die voor me lag.
We zouden die dag tijdens de extra Algemene Ledenvergadering (ALV) van de Vereniging Borstvoeding Natuurlijk (VBN) doen wat in juni nog niet was gedaan, namelijk het voorgedragen nieuwe bestuur daadwerkelijk kiezen. Het demissionaire bestuur had besloten om na jaren trouwe dienst geen dispensatie aan te vragen voor het verlengen van de zittingstermijn en na veel moeite en inspanning en een eerdere mislukte poging was er andermaal een club vrouwen opgestaan die aangaf de taken te willen overnemen. Daarbij was één ding van groot belang: de te benoemen kandidaten zouden de aanwezigen tijdens de extra vergadering moeten overtuigen van de haalbaarheid van de door hen gemaakte plannen voor de VBN. Zouden ze daarin niet slagen, dan zou het volgende onderdeel van de agenda van deze septembervergadering een extra dwingend karakter krijgen: stemmen over opheffing van de Nederlandse borstvoedingsvereniging. Ik kon me niet voorstellen dat het zover zou komen, want het werk van de VBN is nog láng niet klaar. Dag aan dag blijkt dat nog heel veel vrouwen op geen stukken na de steun en informatie krijgen die ze nodig hebben om de borstvoedingsrelatie met hun kind goed vorm te geven en geruime tijd in stand te houden. Dat zouden de leden in het algemeen en de VBN-medewerkers in het bijzonder toch ook wel weten? En daarom zouden we er toch gezamenlijk wel voor zorgen dat we met frisse moed de komende jaren in zouden gaan, ook al zou dat betekenen dat de VBN er anders zou gaan uitzien?
Dat de vrouwen zich beschikbaar stelden als bestuurslid was een dappere beslissing, want een vereniging als de VBN, met een geschiedenis van 40 jaar vrijwillige dienstverlening aan zwangeren en voedende moeders, met een fantastische infrastructuur voor een hoogkwalitatieve interne scholing en inmiddels met een Facebookgroep waar je ‘u’ tegen zegt (meer dan 16.000 leden!)… dat is niet zomaar een organisatie. Dat is een groep mensen die met hart en ziel decennialang hebben gewerkt aan de in de statuten vermelde doelstelling: ‘het vermaatschappelijken van borstvoeding’. Dat is ook een club die een naam heeft opgebouwd bij zorgverleners.
Tegelijk was de VBN de laatste jaren echter óók een vereniging die, net als veel andere verenigingen, steeds moeilijker aan nieuwe actieve krachten kon komen. Het aantal leden nam af (als baby’s schoolgaande kinderen werden, kwam er een einde aan het lidmaatschap), het aantal nieuw op te leiden mensen groeide nauwelijks meer (veel vrouwen hebben betaalde banen die weinig tijd overlaten voor vrijwilligerswerk dat ook nog een gratis, maar tijdsintensieve opleiding vergt), trouwe medewerkers vertrokken (ze verruilden na zoveel jaar het VBN-werk voor andere activiteiten) en alles bij elkaar rustte het werk voor de VBN op steeds minder schouders. De scholingsdagen, ooit bruisende bijeenkomsten met overlopende workshoplokalen, vonden nog maar twee in plaats van drie keer per jaar plaats en de opkomst werd kleiner. Wat was er aan de hand? Was het werk niet meer nodig? Weet iedereen hoe je met plezier en succes borstvoeding kunt geven? Zijn de bakerpraatjes en foute adviezen de wereld uit? Anders gezegd: was de ‘vermaatschappelijking’ voltooid?
Nee, nog lang niet, helaas, en dat maakt dat ik met weemoed kijk naar het besluit dat op 22 september uit de vergadering rolde. Nadat eerst de nieuwe plannen te weinig support kregen, werd met meer dan de benodigde twee-derde meerderheid van stemmen besloten dat er in dat geval geen toekomst meer is voor de VBN. Het voorstel tot opheffing werd aangenomen. We waren er allemaal stil van. Ik vroeg met gepaste galgenhumor of er in het traject dat nu volgt, ook nog tijd en budget zal zijn voor therapie, zodat we zouden kunnen verwerken wat er was gebeurd en praten over het verlies van de VBN uit ons leven. We moesten allemaal wel lachen, maar grappig was het niet.
De VBN was voor velen en zeker ook voor mij namelijk jarenlang prominent aanwezig in het alledaagse bestaan. Alles wat ik nu doe en waarvoor ik me inzet, waarvoor ik momenteel werk en studeer, is bij de VBN begonnen.

De geboorte van onze derde dochter in 1994 liet me door omstandigheden zien hoe ongewoon het voor vrouwen was geworden om de regie over de zorg en voeding van hun baby in eigen hand te houden en ik besloot om een idee dat al sinds de geboorte van de eerste en de tweede dochter sluimerde, te verwezenlijken: contactpersoon worden van de VBN, ervaring en kennis delen met andere (aanstaande) moeders! Hoogzwanger van onze vierde en jongste dochter nam ik mijn certificaat in ontvangst en… ‘the rest is history’, zoals ze dat soms zeggen.

Hoe die geschiedenis verliep? Wel… om de week volle groepen met zwangeren in de ‘tuinkamer’ in ons eerste huis in Assen, elke tweede woensdag van de maand enthousiaste bijeenkomsten van voedende moeders die na afloop op straat nog zonder mij verder kletsten, lange werkweken met redactie- en beleidswerk voor de VBN, lezen, lezen, lezen over alles en nog wat dat met borstvoeding en het welzijn van jonge kinderen te maken had, toegroeien naar het starten met de opleiding tot lactatiekundige, verwoede pogingen om de invoering van kind- en borstvoedingsonvriendelijke landelijke richtlijnen positief te beïnvloeden, slagen voor het IBLCE-examen en in ons nieuwe huis in Assen mijn eigen lactatiekundige praktijk starten, drie boeken vertalen waarin borstvoeding een hoofdrol speelt en uiteindelijk, na daar zo’n dertig jaar van te hebben gedroomd, mijn universitaire studie invullen met een focus op het kindwelzijn, op het belang van sensitief en responsief ouderschap voor de gezonde ontwikkeling van jonge kinderen, zodat ze empathische, creatieve, constructieve en goed geaarde volwassenen kunnen worden. Als alles goed gaat, ben ik in juni 2019 medisch antropoloog en kan ik als ‘IBCLC, MSc’ hopelijk op uiteenlopende manieren bijdragen aan dat idealistische doel. Al die stappen hebben de VBN als fundament. En ik ben niet de enige met zo’n soort traject. Ik heb veel lactatiekundige collega’s voor wie dat geldt en we hebben al afgesproken dat we de jaarlijkse ‘VBN-lactatiekundigendag’ in stand houden, compleet met die naam, wat mij betreft. Sommige VBN-collega’s hebben er vrede mee dat het einde is gekomen in dit jaar waarin we het 40-jarig jubileum van de vereniging vieren. Anderen vinden het toch wel droevig en ik behoor absoluut tot die laatste groep.


We stelden in de vergadering, die dus achteraf de opheffingsvergadering bleek te zijn, vast dat er nog steeds veel draagvlak is, maar dat de draagkracht ontbreekt. Velen dragen de VBN een warm hart toe, maar er zijn er te weinig die nog zoveel uren in de club willen steken als veel anderen door de decennia heen hebben gedaan en voor wie het VBN-werk een onbetaalde fulltime baan was. Dat de tijden zijn veranderd, is een cliché, maar ook hier schuilt er veel waarheid in. De samenleving is individualistischer geworden en er ligt meer nadruk op het werken in een betaald dienstverband. Het onbetaalde thuisblijfmoederschap werkt maatschappelijk gezien niet bepaald statusverhogend en de impact van de kindertijd op de volwassen gezondheid en psychosociale stabiliteit is nog altijd zwaar onderbelicht. Dat maakt dat ook de tijd die door ouders in die vroege fase wordt gestoken, maar matig op waarde wordt geschat. En als dat wél gebeurt, dan worden de dingen die daarvoor nodig zijn (zoals in ieder geval langer bevallings- en ouderschapsverlof) niet of slecht gefaciliteerd. Voeg daaraan een snelle digitalisering en sterke medicalisering toe en een grote impact van multinationals waar het de promotie van allerlei onnuttige en ongezonde producten (waaronder die van kunstmatige zuigelingenvoeding, ondanks de WHO-code uit 1981) en je hebt een recept voor het sterven van vrijwilligersverenigingen. Het is voor de ‘harde kern’ van de VBN-ers nog niet eenvoudig gebleken om daarop een passend antwoord te vinden voor de inrichting van de organisatie. We waren met z’n allen gewoon altijd waanzinnig trots op het hoge kennisniveau van alle contactpersonen en overige medewerkers. Terecht! Dat heeft namelijk massa’s moeders en gezinnen ondersteund bij het creëren van een mooie borstvoedingstijd met hun kind.


Toch had ik graag dat nieuwe bestuur een poging zien wagen om de VBN helemaal om te bouwen naar een vorm die past bij deze tijd, waarin we hadden kunnen zoeken naar wat als ‘overtollige bagage’ had moeten worden gelabeld en waarin we dat wat goed is, hadden kunnen behouden. Ik vind het ongelooflijk spijtig dat dat niet is gelukt. Desondanks blijf ik mij met hart en ziel inzetten voor alles wat ik binnen en door en via en met en ondanks en dankzij de VBN heb geleerd, als professional en vooral ook als mens. Net gisteren nog kreeg ik een mail van een moeder die ik een aantal jaren geleden hielp op Kerstavond; die avond was ons wederzijds bijgebleven. Ze zouden hun ongeboren kindje op zeer korte termijn verliezen en nu werd er medicatie voorgesteld waarvan ze niet wist of die samen kon met het voeden van hun oudste dochter. Ik heb het uitgezocht en haar ook verder nog wat suggesties gegeven voor hoe ze de dagen erna te werk kon gaan. Wat een verdriet… In haar mail gisteren schreef ze hoe het hen verder was vergaan en hoe belangrijk mijn beschikbaarheid en hulp die avond voor ze waren geweest. Op zulke momenten even te mogen meelopen met mensen in de kwetsbare fase van hun ouderschap… dat is een groot voorrecht, een dankbare taak, en een rol die zorgzaamheid en zorgvuldigheid vraagt. Ik hoop daarmee nog jaren te mogen doorgaan en zoals gezegd: de basis van de daarvoor benodigde kennis en attitude ligt bij de VBN.


En hoewel ik als lactatiekundige allang geen vrijwilliger meer ben, blijft de grondhouding die ik daar leerde in mijn praktijkvoering aanwezig, zoals het idee dat ik geen advies geef, maar informatie. Hoe het voeden in gezinnen vorm krijgt, beslissen ouders zelf en ik ben beschikbaar om ze met kennis en expertise te ondersteunen in die reis met hun kind.  Met het oog daarop heb ik gisteren mijn recertificeringsexamen afgelegd. Als ik slaag (uitslag eind december…!), mag ik weer tien jaar praktiseren als lactatiekundige. Daarin ik ga ik diverse VBN-collega’s vast en zeker nog veel tegenkomen, want in die ‘harde kern’… daar is de motivatie voor het borstvoedingswerk nog altijd springlevend!

dinsdag 12 juni 2018

Het bed delen met je baby en (on)verantwoord(elijk) gedrag, deel 2


Afgelopen donderdag schreef ik hier over wat mij op 31 mei was overkomen voor de deur van De Meervaart in Amsterdam, waar die dag een Kraamcafé werd gehouden. De reden dat ik daar was, was hetgeen er op het programma stond die dag. Dit is een deel van de tekst van het programma:
Het minder voorkomen van dat waarvoor wordt gewaarschuwd, namelijk wiegendood, wordt aangegrepen als reden voor een scholing erover. Tegelijkertijd weten we niet werkelijk hoeveel kinderen er bij de ouders in bed slapen, gedrag dat vaak als één van de belangrijkste factoren bij wiegendood wordt gepresenteerd. Een hypothese: stel dat er 15 kinderen bij de ouders in bed slapen en er zijn 15 gevallen van wiegendood (dit is ongeveer het jaarlijkse aantal in Nederland). Als er geen verklaringen worden gevonden voor hun overlijden, dan zou je kunnen stellen dat het sterftecijfer of de kans op wiegendood bij het slapen in één bed 100% is.
(Dit is trouwens niet zeker: de essentie van wiegendood (vanwaar die naam?!) is dat er *geen* oorzaak voor het overlijden wordt gevonden. Als het kind dus door verstikking zou zijn overleden, is het *wel* babysterfte, maar *geen* wiegendood. Voor de realiteit maakt het geen verschil, want het kind is gestorven en dat is een tragedie, hoe het overlijden ook wordt genoemd. Voor de wetenschap en de voorlichting maakt het echter wél verschil, omdat sterfte door wiegendood en sterfte door een bekende oorzaak verschillende grootheden zijn, die een andere aanpak vereisen.)
Nu een andere hypothese: stel dat er 15.000 kinderen bij de ouders in bed slapen en er zijn 15 gevallen van wiegendood, overlijdens waarbij geen andere oorzaak wordt gevonden. In dat geval is de kans op wiegendood door samen slapen maximaal 0,001% (want er kunnen nog steeds andere oorzaken zijn, maar we weten het niet: dat is immers de essentie van wiegendood, een *niet bekende oorzaak*). En zo kunnen we doorgaan: nemen 100.000 ouders hun kinderen bij zich in bed en sterven er 15 waarvoor geen andere oorzaak kan worden gevonden, dan is het risico 0,00015%.
Het verschil tussen beredeneren en ervaren, tussen analyseren en voelen
Mijn punt: hoe gevaarlijk het is om baby’s bij de ouders in bed te laten samen, weet je pas als je *exact* weet hoeveel kinderen dat doen en hoeveel kinderen *daardoor* sterven. Je moet zeer zorgvuldig alle mogelijk relevante factoren in beeld hebben, anders kun je er geen zinnige uitspraak over doen. Als je niet helder hebt om hoeveel baby’s het gaat en of de baby kunstvoeding kreeg, of de ouders hadden gerookt, gedronken, medicijnen hadden genomen, hadden geblowd of onveilig beddengoed hadden gebruikt… dan weet je simpelweg niet wat de grootste factor was in het sterven van het kind. En met al dat dreigen kun je er vanuit gaan dat veel ouders niet heel enthousiast zijn om te vertellen dat hun kind (al dan niet regelmatig) bij hen in bed slaapt. Ze zullen bij vragen daarover gemakkelijk geneigd zijn een sociaal wenselijk antwoord te geven: ‘Baby slaapt in eigen bed.’

Overigens werd in het NOS-item van een aantal maanden geleden betoogd dat 25% van de gevallen van wiegendood kinderen betreft die bij de ouders in bed lagen (zie dit blog). Het blijft verbazingwekkend dat *niemand* op het idee komt om te vragen waar die andere 75% dan liggen. Als dat kinderbedden zijn… zijn die dan niet véél gevaarlijker dan het ouderlijk bed? En als er een trend wordt benoemd dat kinderen steeds vaker bij de ouders in bed liggen, terwijl er tegelijkertijd wordt gesignaleerd dat de wiegendoodcijfers dalen… wat moet daarvan dan de conclusie zijn? Kan het zijn dat ouders steeds beter in staat zijn om zich goed te laten informeren over hoe ze veilig met hun kind samen kunnen slapen, zodat ze ook in de nachtelijke uren het kind zowel fysiek een veilige plek kunnen geven als psychisch en emotioneel een gevoel van veiligheid kunnen bieden? Dat laatste, zo heeft de wetenschap inmiddels onomstotelijk aangetoond, is namelijk cruciaal voor hoe een kind opgroeit tot volwassene, voor de mate waarin een mens de eigen stress kan reguleren, zichzelf kan beheersen en empathie voor een ander kan opbrengen. Zonder een diepgeworteld gevoel van veiligheid en eigenwaarde zijn deze laatste dingen heel moeilijk. De kans is dan veel groter dat mensen hun frustraties afreageren op een ander, dat ze anderen agressief tegemoet treden, dat ze niet goed tot rustig overleg in staat zijn, dat ze hun emoties niet kunnen beheersen.

Daar ligt ook een deel van de basis van de controverse over dit onderwerp. Het zou interessant zijn uit te zoeken hoe felle tegenstanders van samen slapen zélf sliepen toen ze kind waren. Hoe hebben hún ouders het nachtelijk ouderschap vormgegeven? Mochten ze bij bange dromen bij papa en mama in bed kruipen? Werden ze opgepakt en gevoed en getroost toen ze als baby huilmomenten hadden? Moesten ze al snel ‘zelfredzaam’ zijn of mochten ze uitproberen en falen, zonder dreiging en chantage? Werd gehoorzaamheid afgedwongen of werd zelfstandigheid gekoesterd, zodat ze stapsgewijs kon groeien? Was het genot van lichamelijk contact een moeilijk onderwerp, voorbehouden aan bepaalde relaties, of een vanzelfsprekendheid, geuit met knuffels en omhelzingen en samen tot rust komen? Er zijn zooooo veel vragen denkbaar en een goed begin erbij is reflectie: “Hoe ben ik groot geworden? Hoe gingen de belangrijke volwassenen in mijn omgeving met mij om? Hoeveel veiligheid heb ik als kind ervaren en hoe veilig voel ik mij nu bij mijn naasten? Hoe werd er macht uitgeoefend en hoe tracht ik zelf macht uit te oefenen? Werd ik gezien en gehoord toen ik klein was? Word ik gezien en gehoord nu ik volwassen ben? Hoe is mijn zelfbeeld?” Wanneer je onder ogen moet zien dat je deze vragen op een verdrietige wijze moet beantwoorden, volgt vaak een periode van rouw. Als je nu wél een veilige sociale omgeving hebt, kun je die rouw een plaats geven en werken aan je herstel en aan je vaardigheden om empathisch en geduldig met anderen om te gaan.

Daarmee is de cirkel rond. Ik stond in Amsterdam ‘Slapen met je baby’ uit te delen omdat eerlijke en empathische informatievoorziening belangrijk is, omdat kraamverzorgenden daarin aan het begin van een nieuw mensenleven een waardevolle rol kunnen spelen, én omdat de praktijk heeft uitgewezen dat ze vaak niet breed worden geschoold op dit punt van samen slapen. De meneer van de organisatie die mij belaagde, was een voorbeeld van hoe zaken uit de hand kunnen lopen als je jezelf niet in de hand hebt.
Behalve veel vragen zijn er ook veel oorzaken van het agressieve gedrag denkbaar; dat neemt echter niet weg dat je als volwassene verantwoordelijk bent voor je eigen gedrag. Ik ben daarom vandaag bij het politiebureau geweest om met de dienstdoende agent te overleggen over wat de beste aanpak is van deze gebeurtenis, aangezien ik van anderen hoorde dat deze man zich vaker zo gedraagt. De wijkagent zal bij hem langs gaan en nogmaals laten weten dat zijn handelwijze verwerpelijk is, hoe irritant hij het ook moge vinden dat ik daar sta. Dat is nu eenmaal een vrijheid die we hebben in een democratische samenleving, dat je een ander geluid mag laten horen dan het dominante of meest gepraktiseerde, en dat je daarvoor mag demonstreren. (En een eventuele volgende keer zal ik zorgen dat ik precies dáárvoor, voor een demonstratie, de juiste procedures doorloop!) Ik hoop dat een bezoek van de wijkagent hem op de één of andere manier tot reflectie zal brengen, dat hij anderen in zijn omgeving heeft met wie hij kan overleggen, die hem kunnen bereiken en die hem kunnen laten zien dat er betere manieren zijn om met andere meningen en tegenslagen om te gaan dan schreeuwen en schelden, razen en tieren en andermans spullen beschadigen.
Ik zei tegen iedereen aan wie ik een boek gaf: ‘Ik heb een cadeautje voor je; veel plezier ervan in je werk!’ Dat hoop ik oprecht, dat kraamverzorgenden ouders ondersteunen bij alles wat nieuw is in het leven met een pasgeboren baby, zeker ook bij het nachtelijk ouderschap. Voor velen is dat immers een intense uitdaging en tegelijkertijd zó belangrijk voor hoe een baby de wereld ervaart. Wanneer we leren wat een baby voor die veiligheid nodig heeft, zullen we beter in staat zijn ons eigen gemis te herkennen. Als we die rouw verwerken, hoeven we de boosheid erover niet door te geven en dáárvan wordt de wereld dan écht een stuk veiliger!