Posts tonen met het label POD. Alle posts tonen
Posts tonen met het label POD. Alle posts tonen

zaterdag 5 april 2014

Positief Opvoeden Drenthe: procedures en de jeugd van tegenwoordig, deel 13

De afgelopen maanden heb ik geschreven over een hele serie folders die het opvoedingsprogramma TripleP als basis hebben. De laatste aflevering ging over huiswerk. Toen ik deze week wat zaken aan het archiveren was, kwam ik aantekeningen tegen op een stapel kopieën die ik al in 2010 kreeg van iemand die zich opwond over deze aanpak. Het betreft folders over een heel aantal onderwerpen:
Je kind voorbereiden op een nieuwe baby, Stress de baas blijven, Ouderschap, Slaappatronen (deze heb ik helemaal volgekladderd met commentaar…), Scheidingsangst, Huilen (vol met vreselijke uitspraken), Slaapproblemen (lijkt te gaan over hoe je die kunt creëren…), Zindelijk worden, Leren praten, Weglopen, Driftbuien, Ongehoorzaamheid, Zelf eten, Strijd aan de eettafel, Ruzie en agressie, Ongehoorzaamheid II, Angsten bij kinderen, Helpen in huis, Pesten, Gedrag op school, Huiswerk en Zelfbeeld.

Er lijkt, kortom, geen onderwerp te verzinnen of je kunt er TripleP op loslaten. Een deel van deze folders is na 2010 uitgewerkt als een POD-folder, Positief Opvoeden Drenthe, waarin bepaalde dingen hier en daar anders zijn omschreven, maar de strekking in grote lijnen dezelfde blijft. De rode draad in al deze folders is wat ik de afgelopen periode heb beschreven: de ouder is de baas en zet de lijnen uit en het kind moet zich aan de regels houden; het moet zo nodig met behulp van straffen en belonen zodanig worden gemanipuleerd dat de ouders hun zin krijgen.
Uiteraard is dit niet de beschrijving die de mensen van POD aan hun doelstellingen zullen hangen, maar gezien de formuleringen in de folders is dit wel waar het op neerkomt.
De fase 'onbewust onbekwaam', niet weten wat je niet weet, is de zorgelijkste.

Die focus op de machtsverhouding baart mij zorgen. Als je als volwassene kijkt naar de relaties waarin je je prettig en veilig voelt… is daarin sprake van machtsverhoudingen waarin jij de ondergeschikte bent en waarin je je gedrag moet afstemmen op de wensen of eisen van de ander? Of is er in zulke relaties sprake van vertrouwen en overleg, van het samen tot plannen en besluiten komen? En als we dat met kinderen niet bereid zijn te doen, waar zit ‘m dat dan in? Vertrouwen we het kind in essentie niet? Zijn we er niet van overtuigd dat een kind een innerlijke wijsheid heeft, ook als er nog kennis ontbreekt? (Onderscheidt een kind zich daarin trouwens wel wezenlijk van welke volwassene dan ook? De volwassene die denkt alles te weten, is pas echt gevaarlijk.) Hebben we het idee dat een kind zonder onze voortdurende aansporingen tot niets goeds en productiefs geneigd is, en al helemaal niet tot een coöperatieve opstelling in het gezin, waarbij taken ter hand worden genomen en er rekening wordt gehouden met ieders behoeften? Wie heeft ons dat wijsgemaakt, dat kinderen luie nietsnutten zijn die het liefst de boel verstieren als je de teugels niet strak in handen houdt?
Als dat werkelijk de overheersende opinie is, wordt het dan geen tijd die drastisch te herzien?

Vandaag las ik het bovenstaande artikel in het ‘Dagblad van het Noorden’; op de voorpagina luidde de kop: “Jeugd psychisch ziek”…! Dat is nogal een bewering. En als je kijkt naar de cijfers in het overzichtje… zo’n 25 tot bijna 40% van de jongeren tot 19 jaar heeft psychische zorg nodig! Hoe kunnen we dan met z’n allen blijven beweren dat er niks mis is met de opvoedings- en verzorgingsmethoden in de vroege fase? Of willen we graag geloven dat een dergelijk groot aantal kinderen al psychisch ziek wordt geboren? Dat lijkt me wel al te kras. De conclusie ligt dus voor de hand: die psychische problematiek ontstaat in de baby- en/of kindertijd. Kijk naar de eerste balkjes: ook kinderen van 11 jaar zitten al in de statistieken, met cijfers van 17 à 22%. Wat gaat hier mis? Welke behoeften worden zozeer niet bevredigd dat er psychische nood ontstaat?
En als we deze cijfers combineren met de schattingen die aangeven dat zo’n 30 à 40% van de kinderen niet veilig gehecht is… hoe zien de verbanden er dan uit? Ik heb daarover geen ondubbelzinnige informatie beschikbaar, maar ik durf er zeker wel een slag naar te slaan. Ik vermoed een duidelijke overlap. Ik vrees zelfs dat er veel kinderen zijn die niet eens in die psychische begeleidingscijfers terechtkomen, terwijl ze toch niet goed functioneren, geen ontspannen, creatieve, gebalanceerde jonge mensen zijn die het leven met vertrouwen tegemoet zien.
Gezien alle zaken die de afgelopen weken in mijn blogs zijn gepasseerd, word ik dan ook niet blij van een nieuwsbrief als de onderstaande.

Het is ook wat je van zorgverleners in het veld hoort: er is geen ontkomen aan, aan dat hele TripleP. De overheid heeft er zo groots op ingezet en er zoveel geld in gestoken, dat werkelijk iedereen die met jongeren werkt, het als methodiek moet inzetten. Er zijn prestatie-afspraken gemaakt, wat zoveel wil zeggen als dat instellingen zich moeten verantwoorden voor de mate waarin ze TripleP (of in Drente POD) inzetten in de begeleiding van gezinnen. Het programma werkt met allerlei formulieren en evaluatiedocumenten. Wordt het traject met TripleP in gang gezet, dan moet er een formulier worden ingevuld. Wordt er tussendoor met de ouders over hun kind(eren) overlegd, dan moet er een formulier worden ingevuld. Wordt de zorg met het gezin afgesloten, dan moet er een formulier worden ingevuld. Alles moet worden opgestuurd naar een centraal orgaan, dat vervolgens kan zien hoeveel begeleiding er is geweest en in hoeveel gevallen daarbij van TripleP/POD gebruik is gemaakt. Er worden PLG’s ingesteld (‘professionele leergemeenschappen’), opgezet als intervisiegroepen, maar in de praktijk meer ervaren als een controlemiddel om te zien of iedereen wel met TripleP werkt, of men de formulieren wel begrijpt en invult en als men die niet instuurt, wat daarvoor de reden is. Wat je zelf in een bepaalde situatie met een gezin hebt gedaan, los van TripleP, valt buiten de kaders van het TripleP-programma en mag niet worden ingestuurd als materiaal waarmee de zorg kwalitatief wordt getoetst. Op basis van al deze teruggekoppelde informatie (waarbij in de praktijk blijkt dat ouders sociaal wenselijke antwoorden geven bij het afrondingsgesprek!) worden lovende verhalen geschreven over de effectiviteit van het programma, terwijl een groot deel van begeleidingen helemaal niet wordt geëvalueerd, omdat zorgverleners de formulieren niet invullen.

TripleP werkt in heel veel gevallen echter niet (ouders en zorgverleners geven dat steeds meer aan), en het werkt in ieder geval niet als er sprake is van meervoudige opvoedproblematiek; dat is voor TripleP zelfs een contra-indicatie. En laat dat nu in heel veel gevallen aan de orde zijn. Dat ligt ook voor de hand: als dat niet zo was, zouden er niet zo waanzinnig veel kinderen psychische hulp nodig hebben; de problematiek is vaak complex. Toch moeten die prestatie-afspraken worden nagekomen. Het gevolg is dat de minder kritische zorgverleners zeggen: “Vul nu maar gewoon dat formuliertje in; zo ingewikkeld is dat toch niet?” Degenen die hun beroepseer hoog willen houden, de vaklieden die weten wat ze aan instrumenten in hun professionele bagage hebben om zorg op maat te leveren, verzetten zich daar gelukkig tegen, al is het voor hen zeker een risico om zich binnen de organisatie stevig uit te spreken tegen de TripleP-aanpak. Wie de cliënt op het eerste plan zet, zal zich echter niet willen verlagen tot het tevreden houden van de gemeente via het invullen van formulieren.

De zorg mag zich gelukkig prijzen met mensen die niet klakkeloos achter een door de overheid voor veel geld aangeschafte methode scharen. Waar komen we terecht, als de in jaren opgebouwde deskundigheid van zorgprofessionals in één zwaai van tafel wordt geveegd omdat een marketeer heeft bedacht dat iedereen met dezelfde methode moet werken, los van de vraag of die methode wel cliëntgericht en specifiek is? De gemeenten zijn inhoudelijk niet op de hoogte van wat cliënten nodig hebben, maar dringen tóch het TripleP-programma op. Iedereen moet TripleP-geschoold zijn of worden, zodat iedereen met cliënten dezelfde truc kan toepassen, ook als mensen geen hulpverlenersachtergrond hebben of als een dergelijke methodiek niet bij de beroepsidentiteit past. Jongerenwerkers, opbouwwerkers, maatschappelijk werkers… allemaal moeten ze het TripleP-harnas aantrekken, ook als ze daarin geen toegevoegde waarde zien voor de cliënt en als opvoedondersteuning niet hun ‘core business’ is. TripleP/POD is bovendien geen vraaggestuurde methode en is in essentie ook niet oplossingsgericht in de zin dat de kracht van zowel ouders als kind wordt aangesproken. Het is een zeer directief programma: het schrijft voor wat in welke situatie moet worden gedaan en hoe dat moet worden gehandhaafd. De indruk die wordt gewekt, is dat je vrijwel ieder probleem kunt aanpakken, als je de methode maar goed beheerst en allemaal hetzelfde doet, maar iedereen die met individuele cliënten werkt, weet dat de ‘one-size-fits-all’-benadering een illusie is. Iedereen heeft een eigen specialisme voor een eigen doelgroep.

Stel je voor… we gaan alle zorgverleners rondom de geboorte ‘perinatale werkers’ noemen en we geven ze allemaal één methodiek in handen, die ze allemaal moeten kunnen toepassen. Ouders weten dan dus niet meer of ze een vroedvrouw voor zich hebben, een kraamverzorgende, een gynaecoloog of een lactatiekundige. Iedereen moet in voorkomende gevallen ook het werk van de ander kunnen doen, want iedereen heeft toch die ene training gevolgd en kan toch de formulieren invullen…? Gekkenwerk. Wat voor fysieke zorg niet kan, dat kan voor psychische zorg evenmin.

Het is voor veel zorgverleners een grote frustratie dat ze zich met zo’n commercieel programma moeten inlaten. Een aantal gedachten van iemand die ik onlangs sprak: “Een term die circuleert, is de ‘Yorneonisering’ van de zorg in Drenthe. Yorneo heeft de gemeente volledig in de zak. Ze hebben een monopoliepositie gekregen en hebben een dikke vinger in de pap als het gaat om de vraag naar welke instanties er mag worden doorverwezen. Pas als Yorneo vindt dat ze bepaalde zorg niet zelf kan leveren, mogen zorgverleners doorverwijzen naar organisaties in bijvoorbeeld Groningen, ook als er met die organisaties voorheen een zeer prettige en voor de cliënt heilzame werkrelatie bestond. Verder is Yorneo een tweedelijns organisatie, die zich steeds meer in de eerstelijn dringt. De gemeente laat zich daardoor helemaal inpakken. Cliënten die via een verwijzing van de schoolarts of de huisarts zorg zouden kunnen krijgen die uit de AWBZ kan worden betaald, worden via omwegen en interne afspraken soms rechtstreeks naar Yorneo verwezen voor de duurdere POD4-trajecten. De gemeente neemt vervolgens die kosten op zich, allemaal om te zorgen dat er maar TripleP/POD wordt losgelaten op zorgvragers. Heeft de gemeente niet al genoeg taken en financiële verantwoordelijkheden? Moet ze ook nog commerciële programma’s in de benen houden, in plaats van die kosten via de normale kanalen uit de AWBZ te laten betalen?

Yorneo is bovendien de club die de mensen schoolt die volgens het programma POD-geschoold moeten worden en Yorneo ziet toe op het verloop in de PLG’s. Ze bepalen mede de instrumenten die zorgverleners mogen hanteren; zo zit VideoHomeTraining (VHT) niet meer in het aanbodpakket van Yorneo, terwijl dit altijd een effectieve en evidence-based methode was. Wat is daarvoor de reden? Waarom moeten goed werkende methodes van tafel? Dat kun je toch niet ‘oplossingsgericht werken’ noemen? Bij POD prevaleert de methode boven de klant, maar het moet andersom zijn. Je moet methodes opzij durven schuiven als ze niet werken voor de cliënt. Het is ook kortzichtig, want onderzoek laat zien dat de afstemming en het vertrouwen, de klik, tussen de cliënt en de hulpverlener doorslaggevend zijn voor de effectiviteit, niet de methode. En daarbij moet je natuurlijk ook nog kijken naar het verschil tussen de korte en de lange termijn. Ik verwacht dat deze methode vanzelf zal verdwijnen, omdat de praktijk laat zien dat het niet werkt. Omdat er zo ongelooflijk veel geld in is geïnvesteerd, zal die natuurlijke dood helaas wel langer op zich laten wachten dan voor de cliënt wenselijk is. Dat is kwalijk, want de methode is veel te veel op de wensen van de ouder gericht in plaats van op het kind. Veel problemen zijn secundair; aan boosheid of niet willen luisteren ligt bijna altijd een ander, dieper liggend probleem ten grondslag. POD gaat echter sterk over gezagsverhoudingen in plaats van over werkelijk contact tussen ouder en kind. Het idee lijkt soms: ‘Zorgverlener, repareer mijn kind’, maar zo zit het leven niet in elkaar. Ik zie dan veel meer waarde in de Present Child-methodiek (voorheen Fluisterkind), ontwikkeld door Janita Venema. Het is niet eenvoudig om te aanvaarden dat je kind jou spiegelt, dat de problemen die je in je kind ervaart, in wezen je eigen problemen zijn. Toch is dat de weg en ik blijf mijn best doen om dat inzicht in mijn werk met ouders tot stand te brengen, zonder de dwang die TripleP oplegt.”

Wat een mooi betoog! Ik kan me er helemaal in vinden en ik hoop dat we het tempo waarin we die kant op gaan, drastisch kunnen opvoeren!

woensdag 19 februari 2014

Positief Opvoeden Drenthe, deel 7

Baby’s en slapen… Ouders met baby’s en slapen… het is en blijft een hot topic in de wereld van opvoeding en ouderschapsadviezen. Afgelopen zaterdag heb ik daar al het één en ander over gezegd in mijn blog en vandaag pak ik één van de folders erbij die door Positief Opvoeden Drenthe zijn uitgegeven over dit onderwerp. De titel is ‘Slaap kindje slaap’ met als ondertitel ‘Lekker slapen bij baby’s’. Hé… nu ik naar die ondertitel kijk, moet ik eigenlijk wel glimlachen… ‘slapen bij baby’s’… dat is een goed idee! Eens kijken of de strekking van de folder daadwerkelijk een aanbeveling is om lekker bij je baby te slapen. Ik heb zo’n idee dat we bedrogen gaan uitkomen…

De meeste kinderen zijn nog maar net geboren of ze vallen alweer in slaap. Het is een belangrijk onderdeel in hun jonge leventje en als ouder wil je niets liever dan je kindje lekker te laten slapen. Daarvoor is het belangrijk dat je baby een vast slaapritme ontwikkelt. Makkelijk inslapen, ’s nachts verder slapen na het wakker worden, het is het eerste leerproces in een mensenleven. Deze folder helpt je bij het ontwikkelen van dat slaapritme en zorgt ervoor dat je zoveel mogelijk kunt genieten van je baby, ondanks dat jouw slaapritme ook verandert.

Wel, het begint weer gezellig, met een opeenstapeling van misvattingen, mag ik wel zeggen.
Willen ouders niets liever dan dat kun kind lekker slaapt? Of willen ouders dat hun kind zich prettig voelt bij alle activiteiten, waarvan slapen er één is?
Wie zegt (en toont aan!) dat het ontwikkelen van een vast slaapritme heel belangrijk is in de vroege levensfase? En voor wie is dat belangrijk… voor de baby of voor het dag- en nachtritme van de ouders, dat door de komst van de baby liefst niet verstoord moet raken?
Inslapen en ‘doorslapen’ zijn NIET, ik herhaal NIET de eerste leerprocessen in het leven. Het eerste leerproces van een baby om te overleven is het maken van sociaal contact met de primaire verzorgers en vervolgens het leren drinken aan de borst. Inslapen is überhaupt geen leerproces; inslapen is iets wat gebeurt als een baby moe is en zich veilig voelt. Ook ’s nachts verder slapen na wakker worden gaat vanzelf als een kind zich gekoesterd en geborgen weet.

Baby’s zijn net volwassenen.
Dit is een denkfout. Baby’s zijn volwaardige mensjes en ze kennen emoties die inderdaad een zelfde soort uitwerking op hen hebben als die emoties hebben op een volwassene (zoals angst, geluk en tevredenheid). Met hun onrijpe brein zijn ze echter bepaald niet vergelijkbaar met een volwassene. Het cruciale feit dat het cognitieve deel van het brein nog lang en lang niet is volgroeid, maakt dat baby’s een wezenlijk andere behoefte hebben aan troost en bevestiging van hun veiligheid dan grotere kinderen en volwassenen. Ze zijn nog niet tot zelfregulatie in staat en hebben dus de coregulatie van een groter lichaam nodig. Dit heeft grote consequenties voor hoe we ze verzorgen en wat we ze bieden ten aanzien van hun slaap.
Geconstateerd wordt in de folder dat kinderen heel verschillend zijn. Het is dan ook moeilijk om hier richtlijnen voor te geven. Zo is dat, dus laten we dat dan ook maar niet doen.
Ieder kind heeft zijn eigen leerproces, maar ze hebben allemaal wel hetzelfde doel: langer slapen ’s nachts, en minder overdag.
Dit is helemaal geen doel; het is misschien het doel van de ouders (of van de schrijvers van deze folder), maar het is niet het doel van het kind. Dit is gewoon wat er gebeurt, als een kind de kans krijgt zich overeenkomstig het normale patroon te ontwikkelen; het is geen doel.

Vanaf drie maanden zien we steeds meer baby’s zes uur achter elkaar doorslapen en rond een half jaar slapen de meeste baby’s de hele nacht door.
Gewoontegetrouw stel ik de definitievraag: wat is ‘de hele nacht’ en wat is ‘doorslapen’? Vrijwel geen volwassene ‘slaapt de hele nacht door’. Of is de definitie: ‘gedraagt zich zodanig dat de ouders er niet door gestoord worden’?
Dan een bijzondere tussenkop op pagina 03, ook al is al gesteld dat je voor het slapen geen richtlijnen kunt geven:
Lekker slapen doe je zo
Er lijkt dus een truc te zijn die je kunt toepassen.

Je wilt genieten van je kind. En genieten doe je het meest als jezelf ook uitgerust bent.
(De spelfout is niet van mij.)
Ik krijg de kriebels van dit soort formuleringen: een kind is geen gadget dat jou vermaak biedt. Daarnaast proef ik polarisatie in deze zin, een ‘jij vs. ik’-sfeer. Waarom staat hier niet iets als: “Om goed te functioneren en om de onderlinge communicatie gedurende de dag prettig en geduldig te laten verlopen, heb je allemaal je rust nodig.”
Genieten van je kind doe je het meest als jezelf ook blijft genieten van het leven. Neem daar dus gewoon de tijd voor.
Blijkbaar is ‘genieten van het leven’ gedefinieerd als ‘dingen zonder je baby doen’.

Pagina 04:
Je kindje slaapt het lekkerst op zijn rug en op een stevig matras.
Kan dat worden onderbouwd? Is dat aan baby’s gevraagd?

Bij jou in bed laten slapen, heeft een aantal nadelen. Je baby kan onder het dekbed terecht komen, tussen jullie in bekneld raken, en er is een grotere kans op wiegendood. Verder slapen kinderen onrustiger bij hun ouders in bed en loop je de kans dat je baby na verloop van tijd niet meer terug in de eigen wieg wil.

Tsja… waar zal ik beginnen?

In de eerste paar maanden na de geboorte is het goed om regelmaat aan te brengen in de eet- en slaaptijden.
Weer: wie zegt dat, dat dat belangrijk is? En vanaf welk moment gaan we baby’s in dat ritme persen?
Pagina 05: Na het wakker worden de voeding, spelen en rondkijken, en vervolgens weer op bed leggen bij de eerste tekenen van vermoeidheid. Zo leert je baby dat hij wakker op bed wordt gelegd en zelf in slaap moet vallen.
Wakker in bed leggen… dat is in veel methodes helemaal ‘in’ tegenwoordig. Dus als je van de voeding bij mama aan de borst heerlijk bedwelmd bent geraakt, moet je eerst weer wakker worden? Je mag niet in haar armen of aan haar borst verder slapen? Je *moet* in je eigen bed? En als iedereen het nou heerlijk vindt, al die lichamelijke nabijheid… wat zijn dan de goed onderbouwde bezwaren?
En dat ‘zelf in slaap vallen’, dat is ook zo wat… je valt toch altijd zelf in slaap? Dat kun je niet uitbesteden!

Je baby gaat langer slapen en je kunt na verloop van tijd de nachtvoeding afbouwen. Houd dit ritme vast en probeer te voorkomen dat de slaaptijden van je baby worden verstoord.
Na verloop van hoeveel tijd? Het is heel normaal als een baby nog lange tijd, tot een jaar of anderhalf of langer zelfs, ’s nachts wat bevestiging nodig heeft. Borstvoeding kan die prachtig en snel bieden.
Hoe de fysiologie van voeden, veiligheidsbeleving en slaap in elkaar zit… daarover ontbreekt behoorlijk wat kennis, zo laat de volgende alinea op pagina 05 zien:
Veel ouders wiegen hun kindje in slaap en leggen hem dan in bed. Dat klinkt vertederend, maar kun je beter niet doen. Is je kindje erg overstuur of huilerig, dan kun je een beetje wiegen of schommelen om het in slaap vallen makkelijker te maken. Maar in slaap vallen is in principe iets dat hij zelf moet leren. Leg hem daarom het liefst wakker in bed, en verlaat de kamer. Valt je baby in slaap tijdens het voeden, ga dan niet door maar leg je kindje op bed. Als dit vaker gebeurt, vervroeg dan de eettijden om in slaap vallen te voorkomen.

Ook op pagina 06 staat nog allerlei droevigs, maar mijn blog is alweer aardig lang, dus nog even naar pagina 07 en 08.

Na zijn voeding gaat hij meestal weer rustig slapen. Zo niet, dan kun jij of je partner hem een beetje wiegen, een speentje geven, hem strelen of zachtjes tegen ‘m praten om hem kalm te krijgen.
Waarom wordt hier niet geopperd om nog weer of gewoon wat langer te voeden? Dát biedt een baby wat hij nodig heeft: voeding, warmte, troost, veiligheid. Een speen is daarvoor een inferieur alternatief en kan in de vroege fase de borstvoeding verstoren. Bovendien kosten al deze technieken vaak veel meer energie en tijd van de ouders; die moesten toch zorgen zelf zo goed mogelijk uitgerust te zijn…?

Bij de tips:
Probeer je kindje altijd wakker in bed te leggen en voorkom dat hij in jouw aanwezigheid in slaap valt.
(…) Ga daarom ook nooit te snel naar je kindje toe als hij ‘s nachts wakker wordt, maar geef hem even de ruimte om zelf weer in slaap te vallen.
Betekent dit dat je een baby moet laten huilen…? Ik kan het niet opmaken uit de tekst en vind er ook geen waarschuwing in tégen laten huilen.

Tot slot, op pagina 08:
Het is van belang dat ze dit [zelf in slaap vallen] zelf aanleren. Na drie tot zes maanden is de nachtvoeding niet echt meer nodig en kun je ermee stoppen. Je kindje kan nog wel wakker worden, maar hij wil dan eerder aandacht dan voeding. Het is dan aan jou om te beslissen wat je doet. Ga je nog even door met de nachtvoeding of niet.
Dit klinkt mij niet in de oren als een warm pleidooi voor borstvoeding in de nacht, terwijl dat ook de aandacht en troost geeft die je kind nodig heeft.

De sfeer van de folder is andermaal dat je ervoor moet zorgen dat je kind je zo snel mogelijk niet meer nodig heeft en zich behoorlijk gedraagt, want anders roep je allerlei ellende over jezelf af.
Lees dit eens en luister ook naar wat Darcia Narvaez te zeggen heeft over de zorg voor baby’s (vooral 2.50-3.52 minuten), ook in de nacht. Of doet wetenschappelijk inzicht er niet toe en is de behavioristische visie leidend…?

woensdag 12 februari 2014

Positief Opvoeden Drenthe, deel 6

In vrijwel alle culturen ter wereld neemt samen eten een belangrijke plaats in in het sociale leven. Het is onderdeel van rituelen, van inwijdingen, van memorabele momenten, van het welkom heten van gasten en nieuwe leden van de leefgemeenschap.
Tegelijkertijd weten we dat eten ook een uitlaatklep voor emoties kan zijn. Het zogenaamde ‘emotie-eten’ (eten om bepaalde onaangename gevoelens de kop in te drukken) kan volledig uit de hand lopen en tot allerlei ongezonde gevolgen leiden, zowel lichamelijk als geestelijk. En natuurlijk is het ook vaak zo dat deze vorm van eten een ongezonde geestelijke toestand als oorzaak heeft. Hoe zorgen we er nu voor dat eten van jongs af aan een gezond en sociaal karakter heeft, dat kinderen zich niet overeten en niet ondervoeden?

Wel, het zal geen verbazing wekken als ik zeg dat borstvoeding (dus voeden aan de borst) daarvoor de normale start is. De moeder biedt voeding en de baby neemt wat ze nodig heeft en stopt als ze genoeg heeft gehad. De baby weet dat ze weer mag drinken als de honger opduikt en dat er genoeg voeding voor haar is. Ze hoeft niet te wachten tot de klok een bepaalde tijd aangeeft, want mama is beschikbaar en weet dat de fysiologie van haar baby geen lange wachttijden toestaat.
Naarmate de baby groter wordt, komt er, zo vanaf een half jaar, ook vaste voeding op het menu. Deel uitmaken van de gezinsmomenten aan tafel is tegen die tijd waarschijnlijk allang gewoonte geworden, want de meeste baby’s willen graag aan de borst als de rest van het gezin gezellig zit te eten. Die aangeboren neiging om prosociaal gedrag te vertonen zit in ieder kind. Antisociaal gedrag dient immers de overleving niet, dus waarom zou een kind de boel verstieren? En als iedereen lief voor je is en je je plekje in de sociale kring gunt… waarom zou je dan rottig doen?

Wanneer we dit alles als uitgangspunt nemen, roept de folder ‘Gezellig samen eten’ (ondertitel: Genieten van het eten en genieten van elkaar’) heel wat vraagtekens op.
Op pagina 02 lezen we: Samen eten is het gezinsmoment bij uitstek. Genieten van het eten en genieten van elkaar. Maar een kind aan tafel die niet wil eten of vervelend is, maakt het een stuk minder gezellig.(…) Met deze folder leer je het jouw peuter of kleuter ook, en breng je de goede sfeer aan tafel weer terug.
(De taalfout is niet van mij.)
De inleiding van de folder neemt, zo lijkt het, alvast een voorschot op de verwachting dat je kind de stemming zal bederven. Het startpunt van de folder is dus dat het niet gezellig is aan tafel. Is dat ‘positief’ opvoeden…?

Na een jaar beginnen de meeste peuters met hun handen te eten en leren ze om een lepel vast te houden.
Het gezonde advies is om een kind tot en met zes maanden uitsluitend borstvoeding te geven en vanaf dan met vaste voeding te starten. De methode die daarvoor optimaal de zintuigen van het kind prikkelt en het kind regie geeft over zijn eigen voedingsgedrag, zonder dwang, is de Kleintjes-methode. De baby doet mee met de rest van het gezin, omdat ze van nature geneigd is de anderen na te doen. Dat is natuurlijk gedrag, net als ademhalen en om zich heen kijken. Wordt een kind daarvoor telkens geprezen (Prijs hem als hij het proeft.), dan ontstaat bij haar de indruk dat ze iets heel bijzonders doet. Eten verliest daarmee een deel van het ongedwongen karakter en dat is een hellend vlak.

Kinderen in de (fysieke en mentale) groei kunnen hun eigen honger niet altijd helemaal goed inschatten en bovendien varieert die honger nogal eens, afhankelijk van de geleverde inspanningen en opgedane ervaringen.
Pagina 03 zegt: Geef je peuter niet meer dan hij op kan, en laat hem geen grote hoeveelheden melk of vruchtensap drinken bij het eten. Even daarvoor is echter ook gesteld dat 20 tot 25 minuten lang genoeg [is] om zijn bord leeg te eten.
Dit maakt het wel wat lastig, want het veronderstelt dat jij als ouder wel altijd weet hoeveel honger je kind heeft. Jij bent immers degene die de hoeveelheid bepaalt en óók degene die zegt dat het bord leeg moet. We kennen dat vast allemaal wel, dat je ergens te gast bent en dat je niet zelf mag opscheppen, maar dat de gastheer of gastvrouw dat voor je doet. Hoe voelt dat, als je een hoeveelheid voedsel krijgt toebedeeld die je niet op kunt, gewoon omdat je normaal veel minder eet, of omdat je dit voedsel niet gewend bent? Het voelt meestal niet zo fijn, want dat idee dat het bord leeg moet, is er bij de meesten van ons stevig ingepeperd. Een klein beetje opscheppen en dan nóg een keer mogen toetasten… dat voelt een heel stuk prettiger. (Vanuit milieu-oogpunt is het een goed idee je bord niet halfvol te laten en de resten dan weg te gooien, maar vanuit gezondheidsoogpunt is het géén goed idee om meer te eten dan je nodig hebt, alleen maar omdat je bord leeg moet.)

Pagina 04: Prijs je kind als het hem lukt om eten op zijn lepel te doen, en helemaal als hij er ook nog in slaagt om het eten in zijn mond te krijgen. Ook hier geldt: oefening baart kunst en hoe vaker je hem helpt, hoe eerder hij het leert.
Het prijzen lijkt een onmisbaar onderdeel van het leren eten, zoals het ook in de andere folders een onmisbaar aspect lijkt. Het is een misverstand te denken dat prijzen de intrinsieke motivatie stimuleert en het is ook de vraag of het vele helpen het leerproces bevordert. Wat met name belangrijk is bij leerprocessen, is de kans en de ruimte die je krijgt om te oefenen en om hulp te vragen wanneer je die nodig hebt. Is het fijn om iets te leren, als iedere handeling die je verricht, met een regen aan complimenten en loftuitingen gepaard gaat…? Of voelen we ons dan vooral erg op de nek gezeten, zeker als het om normale sociale dingen gaat?

Niet willen eten, eten uitspugen of op de grond gooien, zeuren of jengelen, geef er geen aandacht aan en eet zelf gewoon rustig door. Blijft hij doorgaan, blijf hem dan negeren en wees erop voorbereid dat zijn gedrag erger wordt. Hij gaat op deze manier gewoon extra zijn best doen om je aandacht te krijgen. Eventueel kun je zijn eten weghalen. Stopt je peuter met zijn gedrag, geef hem dan zijn eten terug. Gaat hij weer rustig eten, geef hem dan alle aandacht en prijs hem voor zijn goede gedrag. Is de tijd voor de maaltijd voorbij, haal de borden dan van tafel, ook al is je kind nog niet klaar.

Tsja… ik vrees dat ik in herhaling ga vallen met mijn commentaar op deze alinea… Helaas wordt het op pagina 05 nog erger:
Gedraagt je kind zich voorbeeldig? Proeft hij voedsel dat nieuw voor hem is, eet hij met zijn lepel, blijft hij rustig zitten of eet hij zijn hele bord leeg? Prijs hem dan, lach naar hem, aai hem over zijn bol, zeg hem wat hij zo goed doet en vertel hoe trots je op hem bent.
Het kind moet, kortom, de liefde van de ouders verdienen door het gewenste gedrag te vertonen; dat is ver verwijderd van onvoorwaardelijk ouderschap.

Je kind dwingen om iets te eten dat hij niet lust, is nergens voor nodig en zorgt er ook niet voor dat hij het lekker gaat vinden. Niet doen, dus, net als in discussie gaan, dreigen met straf en maar blijven proberen om hem over te halen.
Nu wordt dreigen met straf als een slecht idee voorgesteld, maar er zijn al diverse maatregelen besproken die door een kind zeker als straf worden ervaren (zoals negeren en eten weghalen).

Pagina 06: Geef je kind een paar duidelijke regels tijdens het eten en neem ze met hem door. (…) als hij zich aan de regels houdt, beloon hem dan en geef hem complimentjes. Ook kun je hem extra belonen met een speciaal toetje wat hij lekker vindt of door iets met hem te doen wat hij ontzettend leuk vindt. Zo stimuleer je het gedrag dat je graag ziet.
Dit grote misverstand is zeer hardnekkig. Wat hier in feite gebeurt, is dat er van het eten een machtsmiddel wordt gemaakt. Deze aanpak leidt uiteindelijk alleen maar tot verliezers. Je kunt een kind immers niet dwingen te eten, maar je kunt haar wel je liefde onthouden en zo je eigen macht (van ouder en groter zijn ten opzichte van een alleszins afhankelijk mensje) misbruiken.

Pagina 07/08:
Zijn jullie klaar met eten? Ga dan even rustig zitten met je kind en vertel wat je goed of niet goed vond gaan. Heeft je kleuter zich keurig aan de regels gehouden, geef hem dan de beloning die je voor hem in petto had. Natuurlijk moet je geen beloning geven als het niet goed ging, ook al vind je dat een beetje sneu. Neem rustig door wat er niet goed ging, en zeg hem dat hij de volgende keer de beloning wel krijgt als hij doet wat je zegt. Na verloop van tijd zijn de ‘nabesprekingen’ en de beloningen niet meer nodig. Je kleuter gaat, net zoals jij vroeger, goede eetmanieren ontwikkelen en zich keurig aan de regels houden.

Wie of wat is hier nu ‘sneu’…? Dit is je reinste traumatisering: van elke maaltijd een therapeutische sessie maken en zo het sociale karakter van dat moment totaal verstoren. Zou je zelf na iedere maaltijd zo geanalyseerd, bekritiseerd en gemanipuleerd willen worden? De chantage-elementen erin, de problematisering van het eten, de intimidatie… het mag een wonder heten als een kind dat aan een dergelijk beleid wordt blootgesteld, géén eetproblemen ontwikkelt, nu of later. In mijn terminologie mag dit absoluut geen ‘positief opvoeden’ heten.

woensdag 22 januari 2014

Positief Opvoeden Drenthe, deel 3


De brochure die ik vandaag wil doornemen, heet ‘Goed ouderschap’ (ondertitel ‘Positieve opvoedingsaanpak van je kind’) en borduurt door op de uitgangspunten in het blog van vorige week. Het resultaat van goed ouderschap wordt in de inleiding als volgt omschreven: een gelukkig kind dat de wereld onbevangen tegemoet treedt, later minder last heeft van gedragsproblemen en goed in de maatschappij kan functioneren.
Een gelukkig kind: check; mee eens. Dat vervolgens het functioneren in de maatschappij wordt genoemd ná het voorkomen van gedragsproblemen… dat vind ik merkwaardig. Waarom kunnen we die problemen niet gewoon weglaten uit deze doelstelling? Het is in feite immers een pleonasme: wie gedragsproblemen heeft, functioneert immers niet goed en is meestal ook niet gelukkig. Bovendien… waarom in die vroegste beginfase al zo de nadruk op problemen gelegd? Helemaal niet nodig; ga gewoon uit van vertrouwen, van het aangeboren (pro)sociaal gedrag van het kind. Een kind heeft er immers ook zelf een groot belang bij om niet uit de groep te worden verstoten, want dat vermindert de overlevingskansen.

Over de aanpak: Kies gewoon de aanpak waar jullie je als ouders prettig bij voelen en waarvan je denkt dat het voor jullie goed werkt.
Ik heb eerder aangegeven dat ik bij al mijn werk door de ogen van het kind kijk. Waar is in deze tekst dat perspectief? Moet de aanpak niet juist voor het kind prettig voelen en ‘werken’ op termijn?
Heb je een partner, dan is het belangrijk dat je er samen als één team in staat.
Dit advies wordt in veel methodes benadrukt en het is waar dat het waarschijnlijk moeilijk is om als partners aan je kinderen een harmonieuze leefomgeving te bieden, wanneer je voortdurend op wezenlijke punten met elkaar van mening verschilt. Het grootste risico van er totaal anders in staan is evenwel dat op den duur de relatie waarschijnlijk geen stand houdt en eindigt of tot zoveel ruzie leidt, dat de kinderen er ernstig de dupe van worden.
Strikt één lijn trekken bij alles, ook als ouders er niet hetzelfde over denken, zal in veel gevallen echter tot gevolg hebben dat het kind zich voor een front geplaatst ziet, een ondoordringbare muur waar ze in al haar afhankelijkheid van haar ouders niet doorheen kan breken. Dat maakt haar eenzaam en geeft haar een machteloos gevoel. Dat is bepaald geen goede basis voor veilige hechting en zelfvertrouwen.

Op pagina 03 komen we weer tegen wat al eerder is genoemd: Trouwens, het perfecte kind bestaat ook niet. Dit nastreven levert alleen maar frustratie en teleurstelling op.
Wat is de definitie van ‘perfect’?

Verderop op de bladzijde: Voor sommige kinderen is het reuze spannend om de grenzen op te zoeken van wat wel en niet mag, en gaan graag de machtsstrijd met je aan. (…) Hij weet dat dit gedrag veel aandacht oplevert en gaat er daarom maar wat graag mee door.
(De taalfout is niet van mij.)
Wat een negatieve benadering! Wie introduceert hier nu de machtsstrijd… het kind of de ‘professional’ die een ‘pedagogisch programma’ promoot? En wie zegt dat een kind er ‘graag mee door’ gaat? Ziet niemand de wanhoop van een kind dat niet wordt gehoord en begrepen?
Beter is het om dit gedrag [‘goed’ gedrag, ‘lief spelen’, MVK] te belonen met aandacht en complimenten. Hiermee stimuleer en bevorder je zijn goede gedrag.
Mijn samenvatting: het is manipulatie, het is africhten. Alfie Kohn stelt (ik herhaal het nog maar eens): “Hoe meer macht je uitoefent, hoe minder invloed je hebt.” En hoe meer je beloont, hoe sterker de intrinsieke motivatie afneemt. Collega Linda Rikkers schreef er een mooi verhaal over, met als motto: "Voed jezelf op en laat je kind met rust."

Pagina 04: Als je kind fouten maakt, ongewenst gedrag vertoont of in de problemen komt, kun je dat jezelf niet aanrekenen.
Echt niet? Nooit? Is dat niet wat al te gemakkelijk en te zeer van zelfreflectie gespeend…?
Neem de verantwoordelijkheid dus niet op je, want dit belemmert je alleen maar bij een stabiele en consequente opvoeding van je kind.
Aha… Gelukkig legt de volgende paragraaf uit dat het ook niet fair [is] om een kind bij problemen en ongewenst gedrag altijd de schuld te geven. Met zulke uitspraken zou elke ouder echter het spoor bijster raken. Hoe kunnen we gedrag nu verklaren, als niemand er de oorzaak van is?

Je kind is je alles, maar daar moet je niet alles voor opofferen. Sommige ouders gaan daarin zo ver dat ze hun eigen behoefte aan rust, ontspanning, intimiteit en plezier opzij schuiven. Niet alleen kan dat de relatie met je partner schaden, het staat ook goed ouderschap in de weg. Streef daarom naar een goede balans tussen eigen tijd en ‘kinder’tijd.
Hieruit blijkt dat ‘kinder’tijd (wat is dat eigenlijk…?) dus geen ‘eigen tijd’ is en dat je tussen die twee een heldere scheiding kunt aanbrengen. Geen idee, hoe dat moet, eerlijk gezegd… Onze kinderen waren namelijk altijd een integraal onderdeel van ons leven. Ze doordrenkten de keuzes en afwegingen die we maakten, de wijze waarop we onze tijd indeelden en hoeveel tijd er voor andere zaken overbleef. Ik begrijp nu dat we met die leefwijze veel hebben ‘opgeofferd’ (wij zeggen altijd: geïnvesteerd) en dat we heel ver zijn gegaan omwille van het welzijn voor onze kinderen…? Vreemd misschien, maar het zijn juist die jaren en hoe we ze invulden, waarvan ik nooit spijt zal krijgen. Ze hebben de relatie met mijn partner én met onze kinderen juist geweldig sterk gemaakt.

Pagina 04/05: Er zijn ouders die ongewenst gedrag niet aanpakken omdat ze denken dat het gewoon een fase is die vanzelf wel over gaat. Deze ouders zoeken niet naar de oorzaak noch naar een oplossing en vergroten bij hun kind daarmee de kans op ernstig(r) gedragsproblemen.
Er zit een rare kronkel in deze tekst in relatie tot de rest van de folder. In de folder worden namelijk allerlei zaken aanbevolen (machtsstrijd, bepaalde vormen van gedrag negeren, prijzen en belonen), die niet het probleem, maar het symptoom bestrijden, die de intrinsieke motivatie van het kind ondermijnen en die daarmee juist gedragsproblemen in de hand werken. Het is me daarom niet duidelijk wat er met deze passage wordt bedoeld.

De rest van pagina 05 behandelt een aantal zaken waarop ik in het vorige blog al heb gereageerd, zoals dat opvoeden energie kost, dat je niet ‘teveel’ van jezelf moet eisen en dat de perfecte ouder en het perfecte kind niet bestaan.

Pagina 06 staat vol met aanmoedigingen om je kind te belonen, te prijzen en te complimenteren (laatste twee zijn verbaal belonen) wanneer het ‘doet wat je zegt’. Heel deze bladzijde, maar in feite de hele serie brochures, gaat over het bekrachtigen of uitdoven van gedrag. Er wordt niet of nauwelijks aandacht besteed aan de emotionele, psychologische of fysiologische oorzaken van het kinderlijk gedrag en evenmin aan de empathische en zodoende ook morele en ethische vorming van het kind. Ik vind dit uitermate zorgelijk, want juist die laatste twee aspecten bepalen voor een groot deel of het kind later als volwassene ‘goed in de maatschappij kan functioneren’, wat volgens de inleiding het resultaat van ‘goed ouderschap’ is.

Op pagina 07 lezen we: Probeer zoveel mogelijk met die ontwikkeling [van het opgroeiende kind] mee te groeien. Zorg dat je kennis altijd up-to-date is. Lees goede informatie over ouderschap en opvoeding en blijf praten en ideeën uitwisselen met familie, vrienden en andere ouders.
Ook deze alinea voelt weer zeer tegenstrijdig aan, want dat een behavioristische focus niet per se tot de meest empathische volwassene leidt… dat is wetenschappelijk bekend, maar wordt niet belicht en de folder biedt dus geen up-to-date informatie. De adviezen in de folders gaan juist sterk uit van het belonen bij gewenst en van ‘love withdrawal’ bij ongewenst gedrag. Je kind je liefde onthouden door bijvoorbeeld te negeren, is sociale uitsluiting; die geeft net zo veel pijnprikkels in het brein als fysieke pijn. Worden ouders daarover wel bijgepraat, als ze deze folders lezen…? Ik vrees van niet…

woensdag 15 januari 2014

Positief Opvoeden Drenthe, deel 2

Afgelopen week schreef ik de inleiding tot de blogserie over ‘Positief Opvoeden Drenthe’ met daarin een eerste analyse. Vandaag volgt deel 2 in de serie; daarin staat de brochure ‘Een leukere ouder in 10 stappen’ (ondertitel ‘De kracht van positief opvoeden’) centraal. Als altijd pak ik de meest opvallende punten eruit, waarmee niet gezegd wil zijn dat ik onverdeeld enthousiast ben over de rest van de tekst.

De folder is net als die van vorige week één A4 met aan de achterkant een opsomming van punten.
Punt 1.: Opvoeden kost veel energie. Zorg dus ook goed voor jezelf. Kun je rusten, doe het dan ook. Laat de boel de boel en doe iets wat je ontspant.
Kost opvoeden veel energie… of kost het zorgen voor een ander mens, zeker wanneer die volledig van jou afhankelijk is, veel energie? Ik zou zeggen: het laatste. Wanneer je in die eerste jaren goede zorg levert en een goed voorbeeld geeft, is daarmee een groot deel van de ‘opvoeding’ al gedaan.
Dat de folder begint met een beschrijving die de indruk wekt dat het primair een zware klus is, dat ‘opvoeden’ van je kinderen… dat vind ik niet geen al te bemoedigende formulering.
En nog veel treuriger vind ik dat in deze opsomming de ouder weer bovenaan staat; waar is de focus op de behoeften van het kind?

Punt 2. stelt: Prijs je kind zo vaak mogelijk bij goed gedrag. Je zult dan zien dat ze zich steeds vaker goed gaan gedragen.
Hier springt opnieuw de behavioristische aanpak in het oog. De opvoeding dient blijkbaar gericht te zijn op ‘goed gedrag’ (definitie ontbreekt…) en dat kun je bewerkstelligen door je kind te conditioneren. Leeft er onder dat vernislaagje bij je kind echter ook de overtuiging dat het ‘vereiste’ gedrag zinvol of wenselijk is? Is juist dát niet wat je kind nodig heeft om prosociaal gedrag te blijven vertonen, ook als er geen ouderlijk toezicht is? Dat vereist intrinsieke motivatie en die blijkt, zoals Alfie Kohn in zijn boek ‘Punished by Rewards’ laat zien, alleen maar af te nemen bij voortdurende materiële of verbale beloning.

Punt 3.: Een knuffel, een kus, op schoot een aai over de bol, je kind vindt het altijd fijn en kan er geen genoeg van krijgen.
Kinderen gedijen inderdaad op liefdevolle aanraking en het klopt dat je ze daarmee niet kunt verwennen. Elders in andere uitgaven wordt echter betoogd dat je het kind bij ‘ongewenst gedrag’ (definitie ontbreekt…) juist je liefde en aandacht moet onthouden. Dat schept verwarring; dat is niet ‘consequent’, zoals op andere plekken met klem wordt geadviseerd.

Punt 4., 5. en 6. en 10. zijn een herhaling van dezelfde punten op de vorige brochure (regels stellen, perfecte ouder en kind bestaan niet, aanmoedigen en complimenteren, ruimte in huis maken voor lekker spelen). Ten aanzien van ‘streng en consequent opvoeden’ is dit overigens een mooie link. Klik ook vooral door naar het stuk onder het woord ‘Vonk’.

Punt 7.: Blijf altijd rustig bij vervelend gedrag. Zeg dat je kind ermee moet stoppen en maak hem of haar duidelijk hoe het wel moet. Prijs je kind als het doet wat je zegt.
Hier lijkt geen twijfel te bestaan over de vraag of dat wat je als ouder zegt tegen of eist van je kind, boven elke discussie verheven is. Jouw wil is wet, blijkbaar, en tegen dat uitgangspunt maak ik bezwaar, want hier wordt geen enkele overlegmogelijkheid ingebouwd. Ook wordt hier niet onderzocht wat de oorzaak is van het gedrag dat de ouder niet bevalt. Er wordt aan symptoombestrijding gedaan (stoppen) in plaats van aan probleemonderzoek en -oplossing.
En nog een punt van belang: maakt het wat uit wat de opvoeder zegt over wat het kind moet doen? Of is het volstrekt irrelevant wat je verlangt en moet je kind je gewoon klakkeloos gehoorzamen? Dat idee van ‘Befehl ist Befehl’ heeft op vele momenten in de geschiedenis niet tot zulke goede resultaten geleid. Autonome denkers die vragen blijven stellen, zijn een uiterst noodzakelijke factor om een samenleving blijvend goed te laten functioneren. Onze kinderen worden, sneller dan we ons kunnen voorstellen als ze 0 of 3 of 10 zijn, een volwassen onderdeel van die samenleving. Wat verwachten we van hen? Welke eigenschappen zien we graag ontwikkeld in ons nageslacht? Kijk maar eens naar de derde slide van de presentatie van socioloog Henk de Vos, die hij op 13 januari in Eelde gaf. Daar zien we een rijtje eigenschappen die ouders als belangrijk opgeven; de bovenste drie, de drie die de hoogste prioriteit krijgen, zijn zo ongeveer precies het tegenovergestelde van wat met TripleP/POD wordt bepleit. Het voorbeeld van de ouders doet immers volgen? Wanneer zij worden aangemoedigd zeer beperkt rekening te houden met de behoeften van hun kind, maar haar afschilderen als een kleine machtswellusteling die je kort moet houden… wat kunnen ze dan verwachten van het verantwoordelijkheidsgevoel, de autonomie en de empathie van hun kroost?

Punt 8.: Maak tijd voor je zoon of dochter en geef je kind aandacht. Lees voor of doe samen wat leuks en leg daar je krantje of andere bezigheden even voor opzij.
Even…?  En wat is de definitie van ‘iets leuks’…? Is samen bezig zijn met van alles in de keuken of samen boodschappen doen niet net zo goed iets leuks als samen lezen of een spelletje doen? Heel veel hangt af van de wijze waarop de volwassene de activiteit aangaat en deelt met het kind.

Punt 9.: Vertel je kind hoe je dag was en vraag wat hij of zij allemaal heeft gedaan.
Begrijp ik hieruit dat het kind eerst moet luisteren naar wat *jij* als ouder hebt gedaan en pas dán zelf aan de beurt is…? Over welke leeftijdsgroep spreken we hier? Andermaal wordt de ouder op de eerste plaats gezet en moet het kind haar beurt afwachten. Hoe jonger het kind, hoe groter het belang om ruimte te bieden voor spontane ontboezemingen, waarin het kind niet hoeft te wachten tot de verhalen uit de wereld van de volwassene zijn verteld. Je bent als ouder in de beginjaren de coregulerende factor: je bevredigt de behoeften van je kind en je kind leert daardoor de eigen behoeften te reguleren (zelfregulatie). Dit fysiologische feit hoort basiskennis te zijn voor zorgverleners en opvoeders: stressregulatie begint met coregulatie. Dát is de manier waarop de HPA-as tot een juist afstelling kan komen en ook later in het leven adequaat kan werken. Lees hier maar eens (in het Engels, scroll bijvoorbeeld naar ‘Stress and Disease’), wat de HPA-as voor invloed kan hebben, of hier.
Naar mijn mening heb je als ouder ten opzichte van je kind primair plichten (of taken of verantwoordelijkheden, zo je wilt) en veel minder rechten, maar ik heb de indruk dat dit in veel settings en in veel ‘opvoedmethodes’ vloeken in de kerk is. Het blijkt een heel moeilijke uitspraak te zijn, want het motto is vaak: “Het moet wel leuk blijven”, “Ik wil ook tijd voor mezelf hebben”, “Ik heb zelf ook een leven!”. Dit is ook wat de folders ademen: “Hoe houd ik ondanks mijn kind, mijn eigen leven leefbaar?”
Lees voor de aardigheid dit stuk eens, getiteld ‘Apenkunstjes’. Of lees dit artikel, eveneens van de hand van Gabriëlle Jurriaans, over de miljoenen die met het opvoedprogramma gemoeid zijn. Is dat wat we willen met onze kinderen, dat ze opzitten en pootjes geven om het ons gemakkelijk te maken? Willen we hun voorleven dat onvoorwaardelijkheid niet bestaat en dat ze zich overeenkomstig onze eisen moeten gedragen om onze liefde te verdienen? Mijn antwoord daarop is een helder ‘nee’. Nu nog kijken hoe we deze methode de wereld uit krijgen. Dat is een hele kluif, want ik heb nóg elf folders liggen en het schijnt dat er op de cb’s binnenkort alléén nog maar deze folders mogen liggen… zucht. Arme kinderen, arme ouders, arme samenleving…

Zo dadelijk heb ik een gesprek met iemand van de organisatie die deze folders mede uitgeeft. Ik ben benieuwd waar we op uitkomen!