Posts tonen met het label Darcia Narvaez. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Darcia Narvaez. Alle posts tonen

donderdag 18 december 2014

Zelfbeheersing

Wel, dat was even bikkelen de laatste weken… zozeer zelfs, dat het blog er vorige week bij in is geschoten! Dat gebeurt me niet vaak, maar vorige week lukte het werkelijk niet.
Ik had al mijn aandacht nodig voor een essay dat ik moest schrijven. Zowel bij het op papier zetten als bij het erover nadenken leverde me dat heel wat hoofdbrekens op. Kan het echt zo moeilijk zijn, dat ik er de woorden niet voor kan vinden…? Ja, ik raakte innerlijk in de knoop.

Het essay ging over het boek dat we met het schrijfpracticum hadden gelezen, getiteld ‘Veiled Sentiments’. Het gaat over een bedoeïenengemeenschap, de Awlad ‘Ali, in het noordwesten van Egypte. Deze samenleving is heel specifiek georganiseerd: overerving verloopt via de vaderlijke lijn (patri-lineair) en gehuwde paren wonen op de lokatie van de vader (patri-lokaal). In veel gevallen betekent dat dat vrouwen hun eigen bloedverwanten moeten verlaten bij hun huwelijk, omdat ze vanaf dat moment horen bij de lijn van (de vader van) hun echtgenoot. De organisatiestructuur is zo strikt, dat wanneer een huwelijk spaak loopt en vrouwen weggaan, ze hun kinderen min of meer ‘kwijtraken’, want die behoren aan de lijn van hun eigen vader toe. De vrouw kan dan teruggaan naar haar eigen bloedverwanten, maar dan zal ze haar kinderen niet of nauwelijks meer zien. Dat is een heftige aangelegenheid en dus proberen vrouwen zo veel mogelijk hun huwelijk overeind te houden. Nou is dat op zich natuurlijk een goed idee, maar niet alleen voor vrouwen en ook niet om de reden dat ze anders hun kinderen niet meer mogen zien. Ook hier doemt weer de vraag op in hoeverre bepaalde regels ten dienste staan van het belang van de kinderen of dat ze vooral in het leven zijn geroepen om de belangen van de ouders, of in dit geval van de vaders, te behartigen. Ik vind dat lastige kwesties en al snel in het boek worstelde ik daarmee.

Het werd er met het vorderen van de pagina’s echter niet beter op. Een kernaspect van het boek is dat mannen en vrouwen op hun eigen manier aan hun eerbaarheid kunnen werken. Voor mannen kan dat door zelfbeheersing te ontwikkelen en door zo veel mogelijk autonomie te verwerven en dus te zorgen dat je vrij bent van de overheersing door anderen. Bij elkaar valt dit onder de term ‘agl en het creëert morele superioriteit. Daar voel ik dan al nattigheid, want het kan dan niet anders dan dat er vervolgens ook een groep is die moreel inferieur is (zonder het één kan immers het ander niet bestaan). En ja, dat is ook zo: vrouwen kunnen helaas zo’n staat van ‘agl niet bereiken. Zij zijn moreel inferieur, want het feit dat ze menstrueren en zwanger worden, laat zien dat ze geen zelfbeheersing hebben: “Women’s association with nature is seen as a handicap to their ability to attain the same level of moral worth as men” (p. 124), “Women’s monthly menstruation commemorates the fall into earthly sin” (p. 130) en “Childbirth (…) is considered polluting” (p. 132). Hun lichaam gaat met ze aan de haal en ze kunnen deze twee processen die zo nauw aan de voortplanting zijn verbonden, niet onder controle houden.

Toen had ik het even gehad met het boek. Het onderwerp dat voor mij bijna heilig is en zoveel ontzag en bewondering en respect afdwingt (namelijk het dragen, baren en zogen van een kind)… dat zou een bewijs zijn van gebrek aan zelfbeheersing en dus een rechtvaardiging inhouden voor het moreel inferieur verklaren?! Dat wil er bij mij niet in. Dat druist in tegen alles wat ik de voorbije twintig jaar heb geleerd over hoe een mens gelukkig wordt, wat een minimensje nodig heeft om tot een gebalanceerde volwassene uit te groeien, en hoe belangrijk daarbij de rol van het moederlichaam is als bron van troost en warmte en veiligheid en voeding.
De tranen sprongen me erbij in de ogen: zo wordt er dus gedacht in sommige samenlevingen. Wat betekent dat voor het opgroeien van de kinderen? Wat betekent dat voor het zelfbeeld en de autonomie en de gelijkwaardigheid van vrouwen? De kantlijnen van het boek staan bij bepaalde passages vol met boze bliksemschichten, chagrijnige smiley’s en uitgesproken uitroeptekens.

Maar ja… ik ben antropoloog (in wording) en ik mag daarover geen oordeel hebben. Ik moet, in ieder geval in deze fase, uitsluitend observeren, registreren, analyseren en beschrijven, zorgvuldig beschrijven en me van persoonlijk commentaar onthouden. Wie mij een beetje kent, weet dat dat voor mij als zorgprofessional met activistische trekjes niet meevalt. Bij het voorgaande essay waren er ook al dingen in beeld gekomen waarbij ik een link zag met de fysiologie, met het vroege begin, met de babytijd als oorzaak van latere ellende. Ik heb dat aspect ingevoegd in mijn tekst en… dat kostte punten. Ik moet me op dit moment gewoon echt nog beperken tot de stof en daar een goed samenhangend verhaal over schrijven. Ik voelde me met al mijn boosheid over zoveel gebrek aan respect voor het vrouwelijke dan ook zeer bewust zeer onbekwaam als antropoloog. “Ik wil hier niet over zwijgen! Ik wil er wat over zeggen! Ik vind hier iets van!” Nu is de kern van een studie natuurlijk dat je jezelf een leeropgave geeft. In leerprocessen is het lang niet altijd het verwerven van specifieke kennis wat de meeste moeite kost. Soms loop je vooral aan tegen je eigen houding of overtuigingen of manieren van aanpak. Ik was me daar wel van bewust en dus besloot ik aan mijn eigen ‘agl, mijn eigen zelfbeheersing te werken.

Toen ons in de werkgroep werd gevraagd wat we van het boek vonden, was bijna iedereen lovend over de eerste helft die gelezen moest zijn: “Heel mooi, heel goed geschreven, heel interessant!” “Marianne, hoe ver ben jij en wat vind jij ervan?” Ik had de vraag verwacht en had me thuis voorgenomen dat ik er niets over zou zeggen: “Ik heb het boek uit en ik laat het op me inwerken; ik wil er nog niets over kwijt nu.” De docent kende me inmiddels goed genoeg en was verrast: “Oh? En euh… de schrijfstijl of de strekking?” “Nee, ik zeg er nog even niks over.” “Okay, prima”, zei ze, en ik voelde dat ze me oprecht ruimte liet voor deze keuze, al vermoedde ik ook dat een uitspraak met een stevige mening vermoedelijk minder verrassing had opgeleverd.

De week erna moest iedereen het boek uit hebben en ging de analyse verder. Op een gegeven moment kreeg iedereen bijna op rij de beurt voor input. Ik was de allerlaatste… “En, Marianne, wil je inmiddels wél met ons delen wat je ervan vindt?” zei de docent lachend. Tussen de beide werkgroepen in had ik een reflectieverslag moeten schrijven over waar ik knelpunten zag in mijn schrijfproces. Ik had daarin uitgebreid aandacht besteed aan mijn ongeduld, aan mijn ‘sense of urgency’ over alles wat broodnodig moet veranderen in de wereld en dus in de zorg voor jonge kinderen. De docent had me per mail bedankt voor mijn openhartige reflectie en luisterde in die laatste werkgroep denk ik anders naar wat ik te melden had. Bovendien merkte ik zelf dat ik ook wat anders te melden had! Ik kon nu genuanceerd onder woorden brengen wat ik bedoelde, omdat ik mezelf meer tijd had gegund. Ik begon met me aan te sluiten bij sommige uitspraken van medestudenten (als laatste had ik iedereen kunnen beluisteren). Vervolgens kon ik aangeven dat we weliswaar theoretische kaders aangeleerd krijgen, maar dat ik ook al een theoretisch kader héb en dat ik al die kennis over mijn eigen vakgebied niet zomaar aan de kant kan gooien, dat ik die geïnternaliseerd heb en dat die het fundament vormt van waaruit ik werk met en voor baby’s en moeders, en dat het lastig voor me is als die kaders botsen. Dat leek ze heel goed te begrijpen en dat voelde voor mijzelf ook prettig.

Nu is het afwachten of het is gelukt om ‘binnen de lijntjes te kleuren’, zoals ik het gekscherend noemde in het reflectieverslag, want het cijfer is nog niet binnen. Met mijn themakeuze heb ik geprobeerd toch een beetje zichtbaar te maken van waar mijn pijn zit, maar ik heb me echt tot de thema’s in het boek beperkt. Eén uitstapje heb ik gemaakt, namelijk naar Sarah Blaffer Hrdy (een antropoloog, dus beter verantwoord dan de psycholoog Darcia Narvaez die ik de vorige keer aanhaalde…); zij zegt in haar boek ‘Mothers and Others’: “Primate social organization is famously variable. But ... females who live among kin are better able to defend their interests than those who leave their natal groups to forage and breed among nonkin.” En dan moet ik ook meteen denken aan Robin Grille, die heeft vastgesteld dat hoe patriarchaler een samenleving is, hoe meer er vaak met sancties wordt gewerkt en hoe groter ook de kans dat agressie en gebrek aan empathie een rol spelen. Maar ja, Robin Grille is dan weer geen antropoloog, dus die bewaar ik voor een later essay! :-)

dinsdag 8 april 2014

De wetenschap over coslapen

Sinds een ruim aantal jaren koester ik een warme belangstelling voor het onderwerp ‘slapen’ in combinatie met borstvoeding en ouderlijke zorg in de nachtelijke uren. In 2011 resulteerde dat in de publicatie in eigen beheer van mijn vertaling van ‘Sleeping With Your Baby’, geschreven door de wereldautoriteit op dit gebied, antropoloog James J. McKenna. En hoe gaat het met dat soort dingen… van het één komt het ander. De randen van het onderwerp dijen steeds verder uit en er komt alsmaar meer op je pad dat relevant is en waardevolle bagage vormt voor wat je aan ouders kunt aanreiken.

Eind januari 2014 hoorde ik de presentatie van Kathleen Kendall Tackett, waarover ze een interview geeft met Karyn-grace van GOLD Lactation Online Conference. In die presentatie kwam onder andere haar nieuwe boek ter sprake en ik wil daarvan graag mijn recensie met jullie delen.


Kathleen Kendall-Tackett, als één van de sprekers voor GOLD; het interview vind je verder naar onderen.
De titel van het boek is ‘The Science of Mother-Infant Sleep’, met als ondertitel ‘Current Findings on Bedsharing, Breastfeeding, Sleep Training, and Normal Infant Sleep’. De eindredacteuren (en co-auteurs) zijn Wendy Middlemiss, Ph.D., en Kathleen Kendall-Tackett, Ph.D, IBCLC, en er zijn bijdragen van belangrijke wetenschappers in het veld, zoals James J. McKenna, Helen Ball en Darcia Narvaez.
Science, dus: wetenschap. Da’s een hele vooruitgang ten opzichte van de vaak dwingende adviezen en de bangmakerij waarmee veel ouders te maken krijgen als ze aangeven dat ze hun kind in de nacht dicht bij zich willen houden. Dit boek bevat heel veel referenties van onderzoeken die hebben gekeken naar hoe moe of ouders er nu werkelijk van worden dat hun kind dichtbij slaapt. Dat daarbij de behoeften van het kind als belangrijkste leidraad worden genomen, is op zich al een verademing.
Mijn lange, zaterdag afgesloten blogserie over TripleP liet zien hoe vaak opvoedingsadviezen uitgaan van wat de ouders willen in plaats van te beginnen bij hetgeen de baby of het jonge kind nodig heeft.

Het boek is onderverdeeld in drie delen:
Section I: Bedsharing, Breastfeeding, and SIDS
Sectioin II: The Impact of Sleep Training and Cry-It-Out Techniques
Section III: Working With Parents around Sleep Issues
Alle veertien hoofdstukken geven tekst die uitleg verschaft, afgewisseld met citaten van wetenschappers, en sluiten af met een lijst gedetailleerd uitgewerkte referenties. Wie er na het lezen van het boek nog geen genoeg van heeft en er dieper in wil duiken, kan dus naar hartenlust op zoek naar de artikelen en daar verder lezen om te ontdekken dat de schrijvers geen meningen gaven, maar fysiologische onderzoeksresultaten presenteerden.

Ouders krijgen bij voorlichting over slapen vaak te maken met heftige waarschuwingen. Het uitlokken van angst en schuldgevoel over één van de vormen van coslapen (bedding-in of bedsharing) lijkt het doel van de zorgverleners die zo afwijzend zijn over dit antropologisch gezien volstrekt normale verschijnsel. Tegenwoordig worden rooming-in en het gebruik van een cosleeper (bedje aan het ouderlijk bed) met een stuk meer welwillendheid benaderd dan eerder het geval was, dus in die zin is er vooruitgang. Blijkbaar beginnen de conclusies uit onderzoek dat het belang van ouderlijke nabijheid in de nacht laat zien, toch door te druppelen naar het grote publiek en naar beleidsmakers. Dat is hoopvol, maar we zijn er nog niet.
Het boek noemt bijvoorbeeld de campagne die in Milwaukee werd gevoerd tegen bedding-in, waarvan je onderstaand een paar afbeeldingen ziet. Er wordt in deze beelden met geen woord gerept over de werkelijke risicofactoren: gebrek aan borstvoeding en gebruik van verdovende middelen als sigaretten, drugs en medicijnen. Het boek zegt op pagina 24: “(…) very little research into bedsharing risks considers breastfed and non-breastfed infants separately.” Dan is het lastig conclusies trekken, maar dat is wel wat er vaak gebeurt. Op basis van de culturele gewoonte die in de westerse wereld is ontstaan om baby’s apart te slapen te leggen (toegenomen welvaart en grotere huizen spelen een rol), worden morele oordelen geveld over de slaapplaats van baby’s, zonder dat alle relevante factoren daarbij in overweging worden genomen. “These influences have resulted in culturally-derived infant-sleep practices in many post-industrial nations that are now out of step with mother-infant evolved biology.”
Beelden om ouders bang te maken, zonder de échte risicofactoren van bedding-in te benoemen
Wiegendood of SIDS is de term die ouders om de oren krijgen als de risico’s van coslapen in de vorm van bedding-in aan de orde komen. SIDS is echter een ‘diagnose by exclusion’: “SIDS, therefore, is not a cause from which babies die, but a category to which they are assigned if no cause can  be found for their death.” De omstandigheden spelen een grote rol bij de oorzaak van overlijden en de term is niet voor niets ‘wiegendood’: ook in Nederland laten de cijfers zien dat er royaal meer kinderen aan wiegendood sterven wanneer ze alleen liggen dan wanneer ze bij de ouders in bed slapen. Toch wordt het gebruik van een wieg niet met klem ontraden.
(Ook hier vind je trouwens een mooi blog met interessante vergelijkingen.)

Ook het gebrek aan borstvoeding wordt lang niet altijd expliciet genoemd als risicofactor voor wiegendood, terwijl onderzoek naar de cijfers wel zichtbaar maakt dat borstgevoede baby’s ruim zijn ondervertegenwoordigd in de SIDS-statistieken. De Nederlandse Stichting Wiegedood is echter niet scheutig met informatie over individuele casuïstiek; ik zou die graag eens onder ogen krijgen. Het boek noemt een studie van Ruys, de Jonge, Brand, Engelberts en Semmekrot uit 2007 (hé, Stichting Wiegedood-namen!) dat van een meta-analyse is uitgesloten, omdat de onderzoekspopulatie te klein was, er niet was uitgesplitst naar de borstvoedingsstatus en er geen data werden verstrekt over andere, welbekende risicofactoren. Uit andere onderzoeken blijkt echter telkens een verhoogd risico op wiegendood voor kinderen die geen borstvoeding krijgen. De sensitiviteit van borstvoedende moeders voor het naast hen slapende kind speelt daarbij zeker ook een rol. Professor Helen Ball beschrijft deze groep heel fraai: “We include breastfeeding mothers as a particular subcultural group who reject many of the dominant ideiologies regarding infant care, particularly mother-infant separation, and we call for (…) more nuanced guidance regarding bedsharing.” Ze noemt het brede wetenschappelijke podium dat daarvoor is gecreëerd: www.isisonline.org.uk, een website vol informatie over “normal infant sleep, what is biologically expected for humans”.

Kathleen Kendall-Tackett rapporteert ook uit een eigen studie: “Our findings indicate that bedsharing rates persist throughout the first year, and were as high as 62%. These figures also indicate that infant sleep locations are fluid and change over the course of the night.” Ze laat zien hoe baby’s niet altijd op dezelfde plaats aan de nacht beginnen als waar ze die eindigen. De leeftijd van de baby speelt daarbij een rol, net als bepaalde economische factoren. Een ander onderzoek vroeg aan binnenstadsmoeders wat hun overwegingen waren voor bedding-in. Ze noemden betere slaap voor beiden, gemak, traditie, veiligheid van het kind en emotionele behoeften binnen de ouder-kindrelatie. Ze gaven aan dat het advies van een arts op deze overwegingen geen invloed had, maar dat ze desondanks informatie over veilige vormen van bedding-in op prijs zouden stellen.
Kendall-Tackett concludeert dan ook dat gezinnen die voor bedding-in kiezen, dat zowel uit pragmatische als uit ideële overtuigingen doen. Ze laten zich er niet van weerhouden, maar soms leiden waarschuwingen uit de sociale omgeving wel tot onveilige praktijken, zoals het slapen op een bank of in een ligstoel, waarvan bekend is dat het locaties zijn die de risico’s sterk verhogen.


Het hele boek benadrukt dit belang van het minimaliseren van de risicofactoren. In de onderzoeken die worden gedaan, blijkt namelijk telkens opnieuw dat er bij SIDS-gevallen waarbij sprake was van bedding-in, vrijwel altijd ook sprake is van minstens één van de bekende risicofactoren: roken, drugsgebruik, alcoholconsumptie, gebruik van kunstmatige zuigelingenvoeding, prematuriteit, obesitas, uitputting (van één) van de ouders, locatie van de ouders ten opzichte van het kind en de vraag of er weloverwogen of per ongeluk aan bedding-in werd gedaan.

Zelf was ik erg gecharmeerd van Section II, gewijd aan de effecten van slaaptraining en crying-it-out-methodes. Die blijken in de praktijk zo hardnekkig, dat het goed is te zien dat er gefundeerd bezwaar tegen wordt uitgesproken. Een belangrijke kern van de boodschap: “(…) chronic stress was bad for the brain.” Vanuit dat gegeven stelt Kendall-Tackett zich min of meer geschokt de vraag: “However, if you understand the physiology, how could chronically raising babies’ cortisol levels by not responding to them possibly be the right thing?” Ze voorziet problemen als gevolg hiervan: “Mothers who are told to ignore their babies’ cries in some instances will find it more difficult to be responsive to their infants in other instances. This is a case of culture overriding a mother’s hard-wired response to her baby.”

Daar kan ook Darcia Narvaez zich in vinden en zij belicht nog een ander aspect van het omgaan met de behoeften van baby’s: de ethische kant van het geheel. Zij maakt zich grote zorgen over de maatschappelijke druk die op ouders en kinderen wordt gelegd om tot ‘onafhankelijkheid’ te komen, terwijl een baby dat simpelweg niet kan gezien alle onrijpheid: “It’s a dangerous state of affairs.”
Ze vertelt over hoe zich de menselijke zorg door de millennia heen heeft ontwikkeld; naar kinderen toe bestaat er een verantwoordelijkheid om die zorg te bieden. Ethisch gezien spelen vier kernbegrippen daarbij een rol: autonomie, weldoen, rechtvaardigheid en geen schade veroorzaken. Ze ziet de vele aanbevelingen voor ‘slaaptraining’ en laten huilen als een bewijs van grote onwetendheid over en minachting voor baby’s. Zolang baby’s niet als gelijkwaardige menselijke wezens worden bezien, worden ethische principes geschonden. Ze zegt: “(…) all adults have an ethical responsibility to facilitate children’s optimal development. The professionals with first contact of baby and mother may be the most important to lead the way to a cultural change of putting babies first.”

Ik sluit af met woorden uit één van de laatste hoofdstukken, een prachtig citaat van professor Helen Ball, die in Durham, Engeland, actief betrokken is bij het slaaplaboratorium: “100 years of rapidly changing infant-care fashions cannot alter several million years of evolutionarily derived infant physiology.”
Wat een voorrecht, haar aanstaande vrijdag weer te mogen horen spreken, als ik met vijf collega’s het jaarlijkse congres van de Engelse lactatiekundigen in Portsmouth zal bijwonen! Over de inspiratie die we daar opdoen volgende week meer.

woensdag 19 februari 2014

Positief Opvoeden Drenthe, deel 7

Baby’s en slapen… Ouders met baby’s en slapen… het is en blijft een hot topic in de wereld van opvoeding en ouderschapsadviezen. Afgelopen zaterdag heb ik daar al het één en ander over gezegd in mijn blog en vandaag pak ik één van de folders erbij die door Positief Opvoeden Drenthe zijn uitgegeven over dit onderwerp. De titel is ‘Slaap kindje slaap’ met als ondertitel ‘Lekker slapen bij baby’s’. Hé… nu ik naar die ondertitel kijk, moet ik eigenlijk wel glimlachen… ‘slapen bij baby’s’… dat is een goed idee! Eens kijken of de strekking van de folder daadwerkelijk een aanbeveling is om lekker bij je baby te slapen. Ik heb zo’n idee dat we bedrogen gaan uitkomen…

De meeste kinderen zijn nog maar net geboren of ze vallen alweer in slaap. Het is een belangrijk onderdeel in hun jonge leventje en als ouder wil je niets liever dan je kindje lekker te laten slapen. Daarvoor is het belangrijk dat je baby een vast slaapritme ontwikkelt. Makkelijk inslapen, ’s nachts verder slapen na het wakker worden, het is het eerste leerproces in een mensenleven. Deze folder helpt je bij het ontwikkelen van dat slaapritme en zorgt ervoor dat je zoveel mogelijk kunt genieten van je baby, ondanks dat jouw slaapritme ook verandert.

Wel, het begint weer gezellig, met een opeenstapeling van misvattingen, mag ik wel zeggen.
Willen ouders niets liever dan dat kun kind lekker slaapt? Of willen ouders dat hun kind zich prettig voelt bij alle activiteiten, waarvan slapen er één is?
Wie zegt (en toont aan!) dat het ontwikkelen van een vast slaapritme heel belangrijk is in de vroege levensfase? En voor wie is dat belangrijk… voor de baby of voor het dag- en nachtritme van de ouders, dat door de komst van de baby liefst niet verstoord moet raken?
Inslapen en ‘doorslapen’ zijn NIET, ik herhaal NIET de eerste leerprocessen in het leven. Het eerste leerproces van een baby om te overleven is het maken van sociaal contact met de primaire verzorgers en vervolgens het leren drinken aan de borst. Inslapen is überhaupt geen leerproces; inslapen is iets wat gebeurt als een baby moe is en zich veilig voelt. Ook ’s nachts verder slapen na wakker worden gaat vanzelf als een kind zich gekoesterd en geborgen weet.

Baby’s zijn net volwassenen.
Dit is een denkfout. Baby’s zijn volwaardige mensjes en ze kennen emoties die inderdaad een zelfde soort uitwerking op hen hebben als die emoties hebben op een volwassene (zoals angst, geluk en tevredenheid). Met hun onrijpe brein zijn ze echter bepaald niet vergelijkbaar met een volwassene. Het cruciale feit dat het cognitieve deel van het brein nog lang en lang niet is volgroeid, maakt dat baby’s een wezenlijk andere behoefte hebben aan troost en bevestiging van hun veiligheid dan grotere kinderen en volwassenen. Ze zijn nog niet tot zelfregulatie in staat en hebben dus de coregulatie van een groter lichaam nodig. Dit heeft grote consequenties voor hoe we ze verzorgen en wat we ze bieden ten aanzien van hun slaap.
Geconstateerd wordt in de folder dat kinderen heel verschillend zijn. Het is dan ook moeilijk om hier richtlijnen voor te geven. Zo is dat, dus laten we dat dan ook maar niet doen.
Ieder kind heeft zijn eigen leerproces, maar ze hebben allemaal wel hetzelfde doel: langer slapen ’s nachts, en minder overdag.
Dit is helemaal geen doel; het is misschien het doel van de ouders (of van de schrijvers van deze folder), maar het is niet het doel van het kind. Dit is gewoon wat er gebeurt, als een kind de kans krijgt zich overeenkomstig het normale patroon te ontwikkelen; het is geen doel.

Vanaf drie maanden zien we steeds meer baby’s zes uur achter elkaar doorslapen en rond een half jaar slapen de meeste baby’s de hele nacht door.
Gewoontegetrouw stel ik de definitievraag: wat is ‘de hele nacht’ en wat is ‘doorslapen’? Vrijwel geen volwassene ‘slaapt de hele nacht door’. Of is de definitie: ‘gedraagt zich zodanig dat de ouders er niet door gestoord worden’?
Dan een bijzondere tussenkop op pagina 03, ook al is al gesteld dat je voor het slapen geen richtlijnen kunt geven:
Lekker slapen doe je zo
Er lijkt dus een truc te zijn die je kunt toepassen.

Je wilt genieten van je kind. En genieten doe je het meest als jezelf ook uitgerust bent.
(De spelfout is niet van mij.)
Ik krijg de kriebels van dit soort formuleringen: een kind is geen gadget dat jou vermaak biedt. Daarnaast proef ik polarisatie in deze zin, een ‘jij vs. ik’-sfeer. Waarom staat hier niet iets als: “Om goed te functioneren en om de onderlinge communicatie gedurende de dag prettig en geduldig te laten verlopen, heb je allemaal je rust nodig.”
Genieten van je kind doe je het meest als jezelf ook blijft genieten van het leven. Neem daar dus gewoon de tijd voor.
Blijkbaar is ‘genieten van het leven’ gedefinieerd als ‘dingen zonder je baby doen’.

Pagina 04:
Je kindje slaapt het lekkerst op zijn rug en op een stevig matras.
Kan dat worden onderbouwd? Is dat aan baby’s gevraagd?

Bij jou in bed laten slapen, heeft een aantal nadelen. Je baby kan onder het dekbed terecht komen, tussen jullie in bekneld raken, en er is een grotere kans op wiegendood. Verder slapen kinderen onrustiger bij hun ouders in bed en loop je de kans dat je baby na verloop van tijd niet meer terug in de eigen wieg wil.

Tsja… waar zal ik beginnen?

In de eerste paar maanden na de geboorte is het goed om regelmaat aan te brengen in de eet- en slaaptijden.
Weer: wie zegt dat, dat dat belangrijk is? En vanaf welk moment gaan we baby’s in dat ritme persen?
Pagina 05: Na het wakker worden de voeding, spelen en rondkijken, en vervolgens weer op bed leggen bij de eerste tekenen van vermoeidheid. Zo leert je baby dat hij wakker op bed wordt gelegd en zelf in slaap moet vallen.
Wakker in bed leggen… dat is in veel methodes helemaal ‘in’ tegenwoordig. Dus als je van de voeding bij mama aan de borst heerlijk bedwelmd bent geraakt, moet je eerst weer wakker worden? Je mag niet in haar armen of aan haar borst verder slapen? Je *moet* in je eigen bed? En als iedereen het nou heerlijk vindt, al die lichamelijke nabijheid… wat zijn dan de goed onderbouwde bezwaren?
En dat ‘zelf in slaap vallen’, dat is ook zo wat… je valt toch altijd zelf in slaap? Dat kun je niet uitbesteden!

Je baby gaat langer slapen en je kunt na verloop van tijd de nachtvoeding afbouwen. Houd dit ritme vast en probeer te voorkomen dat de slaaptijden van je baby worden verstoord.
Na verloop van hoeveel tijd? Het is heel normaal als een baby nog lange tijd, tot een jaar of anderhalf of langer zelfs, ’s nachts wat bevestiging nodig heeft. Borstvoeding kan die prachtig en snel bieden.
Hoe de fysiologie van voeden, veiligheidsbeleving en slaap in elkaar zit… daarover ontbreekt behoorlijk wat kennis, zo laat de volgende alinea op pagina 05 zien:
Veel ouders wiegen hun kindje in slaap en leggen hem dan in bed. Dat klinkt vertederend, maar kun je beter niet doen. Is je kindje erg overstuur of huilerig, dan kun je een beetje wiegen of schommelen om het in slaap vallen makkelijker te maken. Maar in slaap vallen is in principe iets dat hij zelf moet leren. Leg hem daarom het liefst wakker in bed, en verlaat de kamer. Valt je baby in slaap tijdens het voeden, ga dan niet door maar leg je kindje op bed. Als dit vaker gebeurt, vervroeg dan de eettijden om in slaap vallen te voorkomen.

Ook op pagina 06 staat nog allerlei droevigs, maar mijn blog is alweer aardig lang, dus nog even naar pagina 07 en 08.

Na zijn voeding gaat hij meestal weer rustig slapen. Zo niet, dan kun jij of je partner hem een beetje wiegen, een speentje geven, hem strelen of zachtjes tegen ‘m praten om hem kalm te krijgen.
Waarom wordt hier niet geopperd om nog weer of gewoon wat langer te voeden? Dát biedt een baby wat hij nodig heeft: voeding, warmte, troost, veiligheid. Een speen is daarvoor een inferieur alternatief en kan in de vroege fase de borstvoeding verstoren. Bovendien kosten al deze technieken vaak veel meer energie en tijd van de ouders; die moesten toch zorgen zelf zo goed mogelijk uitgerust te zijn…?

Bij de tips:
Probeer je kindje altijd wakker in bed te leggen en voorkom dat hij in jouw aanwezigheid in slaap valt.
(…) Ga daarom ook nooit te snel naar je kindje toe als hij ‘s nachts wakker wordt, maar geef hem even de ruimte om zelf weer in slaap te vallen.
Betekent dit dat je een baby moet laten huilen…? Ik kan het niet opmaken uit de tekst en vind er ook geen waarschuwing in tégen laten huilen.

Tot slot, op pagina 08:
Het is van belang dat ze dit [zelf in slaap vallen] zelf aanleren. Na drie tot zes maanden is de nachtvoeding niet echt meer nodig en kun je ermee stoppen. Je kindje kan nog wel wakker worden, maar hij wil dan eerder aandacht dan voeding. Het is dan aan jou om te beslissen wat je doet. Ga je nog even door met de nachtvoeding of niet.
Dit klinkt mij niet in de oren als een warm pleidooi voor borstvoeding in de nacht, terwijl dat ook de aandacht en troost geeft die je kind nodig heeft.

De sfeer van de folder is andermaal dat je ervoor moet zorgen dat je kind je zo snel mogelijk niet meer nodig heeft en zich behoorlijk gedraagt, want anders roep je allerlei ellende over jezelf af.
Lees dit eens en luister ook naar wat Darcia Narvaez te zeggen heeft over de zorg voor baby’s (vooral 2.50-3.52 minuten), ook in de nacht. Of doet wetenschappelijk inzicht er niet toe en is de behavioristische visie leidend…?

dinsdag 22 oktober 2013

Richtlijn excessief huilen, deel 7

Traditiegetrouw verblijf ik ook deze herfstvakantie weer een kleine week in mijn eentje op een mij zeer dierbaar geworden adres in het Loreley-gebied in Duitsland. Ik rouwde er om het verlies van mijn ouders in 2004 en 2006 en bracht er stille, contemplatieve dagen door. Ik las en studeerde er, wandelde uren door heuvels, dalen en bossen en realiseerde me hoe indringend alleen-zijn kan voelen. Bewust gekozen momenten in je eentje kunnen heilzaam zijn en uitnodigen tot reflectie; ze kunnen je dankbaar stemmen over alle dierbaren in je dagelijks bestaan. Opgedrongen of noodgedwongen eenzaamheid voelt daarentegen voor de meeste mensen als pijnlijk. Je mist het contact met de ander, loopt met je ziel onder de arm en raakt uit balans. In essentie is dat waarover deze blogserie gaat, het diepe gevoel van verward en verlaten zijn als je signalen niet worden opgevangen en je aanwezigheid er niet toe lijkt te doen.
Gelukkig kies ik mijn retraitedagen zelf en ik kijk uit naar de glooiende hellingen, de zon op het herfstlandschap, de intense kleuren en geuren van het platteland… en de wetenschap dat er een liefdevol thuis is dat mij bij terugkeer verwelkomt.  Ik vertrek aan het begin van de avond en post daarom dit blog een dag eerder dan de gewoonlijke woensdag.

Op pagina 69 van de ‘Multidisciplinaire richtlijn excessief huilen bij baby’s’ begint Hoofdstuk 9, getiteld ‘Beleid bij kwetsbare ouders en kinderen’. De inleiding bevat een aantal belangrijke aspecten:
Kwetsbare ouders krijgen het meestal niet gemakkelijker wanneer er een baby wordt geboren. Onder kwetsbare ouders wordt hier verstaan: ouders met psychische problemen/aandoeningen, ouders met een verstandelijke beperking, asielzoekers, tienermoeders, multi-probleem gezinnen, etc. Bestaande problemen verdwijnen niet door de geboorte en het is mogelijk dat, mede door moeheid kort na de bevalling, er problemen bijkomen.

Uiteraard zijn er gradaties te onderscheiden in de mate waarin ouders kwetsbaar zijn en sociale of persoonlijke problemen hebben. De ernstige situaties verdienen ook absoluut krachtige ondersteuning. Dat neemt niet weg dat bijna alle ouders in hun nieuwe rol kwetsbaar zijn en geacht worden vaardigheden te hebben en aan te wenden waarvoor ze niet specifiek zijn opgeleid. Veel beleid gaat uit van de vraag wat de ouders willen en nodig hebben om goed te functioneren. Wat ik over de hele linie mis, is de vraag: “Wat heeft de baby nodig en hoe kunnen we daar als ouders en verdere sociale omgeving zo goed mogelijk aan tegemoet komen?”

Zoals ik in mijn vorig blog heb aangegeven, is het ouderschap een totaal andere fase dan de kindertijd. Het ouderschap brengt, of we het nu leuk vinden of niet, vooral veel verantwoordelijkheden en taken met zich mee. Als ouder heb je ten opzichte van je kind meer plichten dan rechten. Ook het idee van ‘een eigen leven’ en ‘iets voor jezelf doen’ draagt een problematische aanname in zich. Het impliceert dat de zorg voor je kinderen niet tot je ‘eigen leven’ behoort en niet ‘iets voor jezelf’ is. Vanzelfsprekend kunnen de taken je soms zwaar vallen, ben je geregeld vermoeider dan je ooit dacht te kunnen zijn en lijkt er geen einde te komen aan het beroep dat op je wordt gedaan. In mijn beleving heb je dan echter niet zozeer ‘recht’ op ontspanning, maar de ‘verantwoordelijkheid’ om te zoeken naar steun en dingen waarmee je je energie kunt opladen, zodat je er weer kunt zijn voor je kind. Je kind heeft jou nodig om te leren op eigen benen te staan. Die keuze maakte je toen je besloot om een kind in je leven te laten komen en het is één van de weinig keuzes waarop je niet kunt terugkomen. Geen bonnetje… geen ruiling mogelijk!

Al deze behoefte aan zorg van een jonge baby geldt nog sterker als het kind te vroeg is geboren. Dat prematuur geboren baby’s meer huilen, is dus niet alleen maar een kwestie van een verlate huilpiek (pagina 66), maar is met name een signaal van grotere behoefte aan nabijheid en zorg. Pagina 69 geeft daarvoor een aantal goede aanbevelingen en ook pagina 74 geeft een prachtige beschrijving van waarom het gaat:
In de infant mental health wordt er nadrukkelijk van uit gegaan dat een baby nooit op zichzelf geobserveerd, gediagnosticeerd, behandeld of bestudeerd kan worden. Dit moet altijd gebeuren vanuit de relatie van de baby met de ouder/verzorger die met hem bezig is. Men spreekt dan van een two-and-three-person-psychology in plaats van een one-person-psychology (Weatherston, 2000; Rexwinkel and others, 2011). Men denkt dan ook minder in termen van “zorg voor de baby” maar over het aangaan van een relatie met de baby. De meeste gedachtes over de baby zijn niet uitsluitend gebaseerd op gedragingen of cognities, maar worden bezien vanuit het perspectief van het (meer of minder) kunnen mentaliseren door de ouder: denken en voelen over het denken en voelen van de baby en het eigen denken en voelen. Een term die daarbij o.a. veel gebruikt wordt is: “keeping the baby in mind” (Weahterston, 2000; Rexwinkel and others, 2011).

Hoofdstuk 12 op pagina 79 behandelt de volgende vraag: Welke anticiperende voorlichting tijdens zwangerschap en kraambed is van invloed op de preventie en behandeling van excessief huilen?
Het zou mooi zijn als we in zo’n kort tijdsbestek alle problemen konden voorkomen. Ik vrees dat het niet zo eenvoudig is. Wat we normaal vinden in kindgedrag en wat we verwachten dat we als ouders moeten doen om een goed begin te waarborgen… dat moeten we van onze ouders en buren en ooms en tantes en docenten voorgeleefd krijgen. ‘Goed voorbeeld doet goed volgen’ en kinderen doen niet wat je zegt, maar wat je doet. Van harte aanbevolen: het werk van Alfie Kohn en Thomas Gordon aangaande respectievelijk de destructieve effecten van straffen en belonen en de positieve effecten van actief luisteren.
Wanneer je hun werk leest, blijft er in essentie maar één conclusie over: de periode waarin je het huilen kunt voorkomen, begint veel eerder dan in de zwangerschap of de kraamtijd. Die begint in je eigen jeugd. Nog een goede literatuurtip voor enorm veel meer achtergrondinformatie over dit onderwerp: ‘Evolution, Early Experience and Human Development’ waarvan Darcia Narvaez, Jaak Panksepp en Allan Schore de redacteuren zijn. Saillant citaat: Asserts that human development is being misshaped by government policies, social practices, and public beliefs that fail to consider basic human needs (...!)


Pagina 81 van de richtlijn noemt twee belangrijke dingen:
- Goed geïnformeerde ouders hebben meer kans om reële verwachtingen te ontwikkelen.

- Het kan ouders helpen als zij het huilen van hun baby kunnen interpreteren en accepteren als een uiting van ongenoegen of stress. Troosten hoeft dan niet gericht te zijn op het stoppen van het huilen, maar op de behoefte van het kind.

Dat is de essentie: het huilen is een uiting van ongenoegen of stress en de onderliggende behoefte moet inderdaad het uitgangspunt zijn als er voor een bepaalde aanpak wordt gekozen.
Opdat men mij niet verkeerd begrijpt, wil ik nogmaals benadrukken dat ik me er dondersgoed van bewust ben dat dit allemaal niet eenvoudig is! Ouderschap is immers niet iets voor watjes, zoals dit artikel in Kiind Magazine zo treffend beschrijft.
Welke zorgverlener de ouders daarbij als ondersteunend ervaren, is uiteindelijk aan hen zelf om te bepalen. De richtlijn noemt dat ook op pagina 63, dus in die zin is de aanbeveling op pagina 89 de coördinatie in handen te geven van één professional (bv vanuit de JGZ of het Centrum voor Jeugd en Gezin), om ‘shoppen’ en langs elkaar heen werken te voorkomen wat merkwaardig.

Tot slot voor vandaag een opmerking over deze aanbeveling: Het verdient aanbeveling de JGZ-richtlijn ‘Aanpak van excessief huilen bij zuigelingen’ te vervangen door deze richtlijn.
Mag ik een hartstochtelijk pleidooi houden voor onmiddellijke, krachtige afschaffing en verwijdering van deze oude versie uit de dagelijkse praktijk van de JGZ? Die versie brengt veel te veel schade toe aan de relatie tussen ouders en kinderen, zoals mijn blog van zaterdag 19 oktober en de vele reacties erop duidelijk mogen maken.

woensdag 19 juni 2013

Boekenjunkie

Vorig jaar in september, na afloop van het SBO-congres in Ede, vroeg ik aan Nils Bergman, die uitgebreid over neuroscience en hersenontwikkeling had verteld: “Is het een goed idee om werk van Allan Schore aan te schaffen?” Allan Schore is wereldwijd één van de grote namen op het gebied van de neuropsychologie, een vakgebied dat allerlei andere disciplines krachtig beïnvloedt, maar deels ook de eigen wortels in die vakgebieden vindt. (En lees vooral ook door op zijn eigen website, waarheen je onderaan de Wiki-pagina een link vindt. Je leest hier en hier over de risico’s die hij ziet aan de heel vroege kinderopvang.)

Gezien alles wat Nils Bergman aanreikt in zijn presentaties over de aanleg van het brein in de vroege levensfase, leek het me zinvol een stap dieper te gaan en Schore te lezen. “Doe maar niet”, zei Nils, “want dat is zó moeilijk lezen; daar kom je niet doorheen.” Dat was een onverwachte reactie, maar wel een die ik serieus nam, zeker ook omdat hij gelukkig wel een andere suggestie had. “Lees liever ‘Affective Neuroscience’ van Jaak Panksepp”, was de tip van Nils; “dat is deels een samenvatting van het werk van Schore en deels eigen werk van Panksepp.” Boekenjunkie als ik ben, altijd in voor goede leesideeën, ging ik op zoek naar het boek. Dat soort lijvige, ‘groundbreaking’ boeken zijn altijd duur, maar ik vond een tweedehands exemplaar en begon er gretig in te lezen. Poeh… als dit prettig leesbaar was in vergelijking met Allan Schore, dan kon ik niet anders dan Nils gelijk geven, want ‘Affective Neuroscience’, over de neurologische mechanismes achter emotie, was ook nog een hele kluif. Tijdens een twee uur durende treinreis kwam ik maar tien bladzijden verder; razend boeiende, maar ook razend ingewikkelde materie behandelt het boek. Ik legde het op de stapel ‘nog te lezen’; misschien moest ik eerst nog andere dingen beter begrijpen.


Ik pakte dus iets anders en de afgelopen weken heb ik drie titels gelezen die ik kocht tijdens het congres dat ik in april in Manchester bezocht: ‘The Red Tent’ (Anita Diamant), ‘The Hormone of Closeness (Kerstin Unväs Moberg) en ‘Birth and Sex’ (Sheila Kitzinger). Als de andere twee die ik daar kocht (‘Childbirth in the Age of Plastics’ van Michel Odent en ‘Childbirth Without Fear’ van Grantly Dick-Read) net zulke page-turners zijn, dan heb ik nog heel wat moois tegoed. Het is ongelooflijk inspirerend en ongelooflijk knap, wat al deze mensen op hun eigen vakgebied hebben gedaan om onze ontwikkeling als mens te beschrijven en te plaatsen in een neurobiologische en psychosociale context. Het is waarachtig niet niks, wat die vroege fase betekent voor de rest van ons leven.

Dat maakt dat je sommige ontwikkelingen met grote zorgen gadeslaat. Er zijn twee gewaardeerde collega’s met wie ik geregeld over deze materie van gedachten wissel: Gabriëlle Jurriaans en Linda Rikkers. De afgelopen dagen hebben we veel gesproken over de methode van Harvey Karp, ‘The Happiest Baby on the Block’. We keken alle drie met afgrijzen naar dit filmpje.

Daarin zie je naar ons idee overduidelijk een baby die, zoals Nils Bergman en Allan Schore zouden beschrijven, in een staat van ‘freezing’ is: doen alsof je dood bent, niet meer bewegen, niet meer communiceren, opdat je het gevaar kunt afwenden. Dit wordt ook wel dissociatie genoemd, je onttrekken aan de ondraaglijke realiteit. Wanneer een kind dit regelmatig moet doen, heeft dat een heftige, negatieve invloed op de hersenontwikkeling en de sociale vaardigheden.

Tijdens ons gesprek erover kwam Linda met een boekenwens die zij nog had: ‘Evolution, Early Experience and Human Development’, geschreven door vele grote namen, waaronder… Darcia Narvaez, Jaak Panksepp en Allan Schore! Dat was wel een heel mooi stel namen! Ik kon me niet bedwingen en ging op zoek. Het duurde niet lang voor ik het had gevonden en al de volgende dag arriveerde het per post. Wat een traktatie, zoveel experts in één boek bij elkaar, met zulke indrukwekkende uitspraken op basis van zoveel onderzoek! Ik lees dit soort boeken altijd met een potlood in de hand om aan te strepen wat ik belangrijk vind en… ik kan wel aan de gang blijven! Deze paragraaf, al aan het begin van het eerste hoofdstuk, bezorgde me kippenvel: "The evidence across animal, human psychological, neurobiological, and anthropological research is increasing and converging to demonstrate lifetime vulnerability of brain and body systems among those with poor early care. Even when medicines are available to alleviate symptoms of dysfunction, the underlying suboptimal structures remain. This problem may be particularly true for emotional and moral functioning."
Dan volgt een indrukwekkend rijtje problemen die kunnen voortvloeien uit die levenslange kwetsbaarheid: ADHD, autisme, angst, depressie, diabetes, hypertensie, obesitas en diverse auto-immuunziektes.

Wat ik in dit alles evenzeer indrukwekkend vind, is de mate waarin de hechtingstheorie van John Bowlby nog steeds als fundament onder al dit werk ligt. Natuurlijk is erop doorgebouwd, maar een bouwsel zonder krachtige basis… dat stort in. En dat doet het huis van de veilige hechting niet. Het staat, na al die jaren, nog fier overeind en Allan Schore geeft Bowlby de eer die hem toekomt, bijvoorbeeld in dit artikel. Ook dat toont aan dat je een echte kei in je vak bent: weten waar je vandaan komt, erkennen dat je veel te danken hebt aan je voorgangers en vaststellen dat jouw prestaties een onderdeel vormen van een zich telkens verder uitbreidend inzicht in de menselijke ontwikkeling. Ik kan tot tranen geroerd raken door dat soort mensen, die van een onderwerp niet alleen hun passie, maar een levenslange carrière hebben gemaakt, mensen die je in één adem associeert met het onderwerp waarvoor ze steeds opnieuw hun nek uitsteken, ook als dat niet altijd even goed valt in de sociale omgeving en het heersende tijdsgewricht.

Bij zulke toppers voel ik mij weliswaar heel klein worden, als een kind dat aan het begin staat, maar niet onveilig of onzeker. Ik voel me, al lezend, aan de hand genomen door de onderzoekers, die mij niet commanderen, mijn denkruimte niet inperken (inbakeren…), en mij niet volstoppen met woorden waarvoor ik me moet afsluiten (dissociatie...), maar die mij wijzen op alles wat zij om zich heen waarnemen. Als wakkere, wijze, oplettende ouders reiken ze me dingen aan waarmee ik mijn gedachten kan vormen en waarmee ik kan leren hoe de wereld in elkaar zit. En weet je wat… dat is een heerlijke wandeling, wanneer je die met redelijk ontbloot lijf, vitamine D tankend op een stretcher in de zomerzon, kunt afleggen!