Posts tonen met het label Linda Rikkers. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Linda Rikkers. Alle posts tonen

zaterdag 25 januari 2014

Gedraag je (naar je soort)!

Eerder deze week kreeg ik van een collega dit artikel toegestuurd. Er staan mooie dingen in, zoals dit: “The close contact between mother and young is a defining feature of mammals.” A defining feature… dat betekent zoveel als ‘een eigenschap die karakteristiek is voor de soort’.
“The mother’s physical presence and provision of species-typical postpartum behavior supports growth and thriving of mammalian young.” De moeder is dus dichtbij en laat gedrag zien dat bij haar soort hoort (en levert melk die bij haar soort hoort!), als gevolg waarvan de jongen groeien en gedijen.
© Anna Vanderveen

“Research in nonhuman mammals, mainly rodents, has shown that early maternal contact is accompanied by biobehavioral processes that promote physiologic and behavioral development and have an impact on the infants brain systems that manage stress and enhance social adaptation. Early maternal deprivation, on the other hand, exerts lifelong negative effects on offspring. Being
a mammal therefore implies that the brain is not fully formed at birth, and maturation of systems that enable adaptive functioning in the world are gradually acquired through close contact with an
alert, responsive mother, albeit to varying degrees across species.”
Dit zijn grote uitspraken: de biologische gedragspatronen die moeder en kind samen laten zien, zijn van invloed op de ontwikkeling van de fysiologie en het gedrag en ook op de hersensystemen die voor stressregulatie zorgen en die de sociale vorming ondersteunen. Een zoogdierbaby kan dus niet zonder haar moeder, want dat blijkt levenslange, negatieve gevolgen te hebben.

Dat is natuurlijk precies de reden waarom ik me zo druk maak over de richtlijn excessief huilen en het opvoedprogramma TripleP, dat in mijn provincie Positief Opvoeden Drenthe heet. Beide methodes doen namelijk allerlei aanbevelingen die erop gericht zijn het kind de zaken in haar eentje te laten opknappen. Ze moet zichzelf redden, moet bij huilen ‘tot zichzelf komen’ en mag niet ‘te afhankelijk’ zijn. Het zijn wonderlijke gedachtegangen en onlangs gaf ik aan iemand die mij allerlei vragen over mijn werk stelde, weer eens een paar analogieën ten beste.
Stel je voor… je hebt een kind van vier, vijf maanden en je zegt: “Nou, ik heb dit kind nu vier, vijf maanden steeds moeten dragen. Het zal tijd worden dat ze zelf gaat lopen.”
Stel je voor… je hebt een kind van zeven jaar en je zegt: “Nou, ik heb nu zeven jaar lang dit kind van eten en drinken en kleren voorzien. Het zal tijd worden dat ze het zelf regelt.”
Stel je voor… je hebt een kind van vijftien jaar en je zegt: “Nou ik heb nu vijftien jaar het schoolgeld betaald en kost en inwoning verschaft. Het zal tijd worden dat ze op zichzelf gaat wonen en in haar eigen onderhoud voorziet.”
Geen van deze scenario’s zal als realistisch worden beschouwd. De ouder die dit met klem poneert en met gretige inzet tracht te verwerkelijken en het kind bestraft als het in de gegeven opgave niet slaagt, zal vermoedelijk bij het AMK worden gemeld wegens mishandeling en geestelijke of fysieke verwaarlozing. De sociale omgeving zal er schande van spreken en er zullen maatregelen volgen. En volkomen terecht, mag ik wel zeggen.







Wat is in dezen nu het wezenlijke verschil met de ‘eisen’ die door veel zorgverleners en ouders worden gesteld aan pasgeboren baby’s die op tijd worden geboren of nog indringender… die veel te vroeg worden geboren? Waarom moeten die zelfredzaam zijn, acht of tien uur aan een stuk doorslapen, zonder borstvoeding kunnen en zichzelf kunnen vermaken, op een leeftijd waarop ze daar fysiek, psychisch en neurologisch nog niet aan toen zijn?
Zoals het onderzoek zegt (en zoals veel meer literatuur aangeeft): Being a mammal therefore implies that the brain is not fully formed at birth, and maturation of systems that enable adaptive functioning in the world are gradually acquired through close contact with an alert, responsive mother, albeit to varying degrees across species.
Niet ieder zoogdierjong heeft haar moeder even hard nodig, maar de mens is een draagzoogdier en mensenbaby’s vallen dus in de categorie waarin de jongen echt niet zonder hun moeder kunnen (ik ga er daarbij vanuit dat de baby bij de eigen moeder drinkt) en in ieder geval niet zonder volwassene die lichaamscontact en geruststelling biedt.
Dat betekent dat baby’s in een couveuse niet zo goed af zijn, in tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd: “Je kunt gerust naar huis gaan; je kind is hier in de couveuse met alle apparatuur op de beste plek.” Dat is niet het geval, hoe pijnlijk dat wellicht ook is om te horen. De beste plek is het moederlichaam (primaire hechtingsfiguur, met borsten en melk) of het partner-/vaderlichaam (secundaire hechtingsfiguur).

Ik wil in die context graag een mogelijk controversiële stellingname poneren: in je rol als ouder heb je naar je kind toe voornamelijk plichten en veel minder rechten, met name in de eerste jaren van het leven van je kind. De geboorte van zo’n afhankelijk mensje vergt donders veel van ouders. De tijden van zomaar de deur uitlopen en met niemand rekening hoeven houden, zijn voorbij. En zelfs als je thuis bent met je baby, kun je niet ongestoord van alles en nog wat doen zoals je dat gewend was. Je zult een ander ritme moeten vinden.
In extreme mate geldt dat wanneer een baby veel te vroeg wordt geboren. Het beroep van je kind op jou is dan niet minder (omdat het in het ziekenhuis ligt), maar gróter (omdat het zo ongelooflijk kwetsbaar is). Je kind leeft niet meer aan de goede kant van je buikwand (binnenin), maar aan de buitenkant. De afstand zou echter nog steeds minimaal moeten zijn, oftewel: creëer huid-op-huidcontact en geef je eigen melk, want kunstmatige zuigelingenvoeding is een risico voor je kind. Lees dit blog van collega Linda Rikkers maar eens voor een aantal ontluisterende praktijken.
Het belang van die non-stop beschikbaarheid van primaire en secundaire hechtingsfiguren, het belang van borstvoeding, het belang van een autonome aanpak door de ouders die zich niet laten vangen in de protocollen van het ziekenhuis, maar in het belang van hun kind de grenzen opzoeken en verleggen… ze vormen samen vaak geen gemakkelijke weg. De boodschap van ‘Koester je kleintje’ roept soms dan ook verzet op, zoals onderstaand citaat laat zien:
Er staan ook dingen in die me tegen de borst stuiten. Niet alleen over borstvoeding (ik ben het absoluut met je eens dat borstvoeding de eerste keus is voor elke pasgeborene, maar het is niet de enige mogelijkheid. Ik ben van mening dat je een ouder ook moet steunen als het kind flesvoeding krijgt: als er geen borstvoeding is of als je het niet kunt opbrengen om te kolven, is er gelukkig een alternatief: flesvoeding. Donormelk is ook niet altijd het juiste alternatief: een baby van 30 (zwangerschaps)weken verdraagt misschien de melk van een moeder van een kindje van een half jaar helemaal niet: moedermelk past zich immers aan aan de behoefte van het kind? Dat staat tenminste ook in je boek: ”Moedermelk is dynamisch, want je lichaam maakt het aan voor precies jouw baby in precies die fase van haar ontwikkeling.”  Daarnaast denk ik niet dat kunstvoeding risicovol is, het is natuurlijk wél dat moedermelk bescherming biedt en dat een kind immuniteit kan opbouwen door het drinken van moedermelk en die beschermende stoffen mist een kunstgevoed kind. Maar dat wil niet zeggen dat er in de kunstvoeding risicovolle stoffen zitten.
Ik zal je een ander voorbeeld geven. Op pagina 24 staat dat je je kind tenminste een uur op de borst moet houden, dat het mondje niet mag worden uitgezogen… Prachtig, een ideaal. Maar bij (extreem) prematuren lang niet altijd mogelijk: hoe vaak moet een kind niet meteen worden geïntubeerd? En ja, het zou mooi zijn als dat op de borst van het de moeder zou kunnen gebeuren, maar dat is lang niet altijd mogelijk en tijd om in discussie met je arts te gaan is er niet (als je daar emotioneel gesproken al toe in staat zou zijn).

In deze hartenkreet lees en hoor ik verdriet en teleurstelling en opstandigheid, maar helaas hier en daar ook gebrek aan correcte informatie. Hopelijk kan het bovengenoemde artikel, net als ‘Koester je kleintje’, helpen om het tekort aan informatie op te heffen en misinformatie te voorkomen.
En als afsluiter wil ik jullie de slotopmerking van de onderzoekers niet onthouden:
Finally, it would be important to test whether for any human infantpremature or born at termif enhancing the mothers uninterrupted presence and full bodily contact during the neonatal period may help reduce the high levels of unregulated stress, sleep disturbances, and cognitive difficulties observed in so many of todays children.

Revolutie!

(Hoewel ‘Koester je kleintje’ primair is bedoeld voor ouders van een te vroeg geboren kind, kan ik het alle ouders en zorgverleners van harte aanbevelen voor een diepgaand begrip van de ontwikkeling van onze kinderen!)

zaterdag 21 december 2013

Huilbabygate... het vervolg

Op Kiind.nl verscheen in oktober 2013 een artikel van de hand van Gabriëlle Jurriaans over de richtlijn aangaande excessief huilen bij baby's. Op het artikel kwamen reacties, onder andere van twee zorgverleners. Zij stelden dat de richtlijn is gebaseerd op kennis. Deze stelling is strijdig met de wetenschappelijke realiteit van vandaag. Wij (Marianne Vanderveen-Kolkena IBCLC (destijds lid van de klankbordgroep voor de richtlijn) en Linda Rikkers) hebben daarom gemeend dat extra informatie op zijn plaats is over de schadelijke effecten van diverse aspecten van de aanpak zoals beschreven in de richtlijn. Margreet de Ruijter stelt in haar reactie dat gekeken wordt naar de specifieke wensen van ouders. Ouders worden aan de hand van de richtlijn echter onvolledig geïnformeerd; dan kan van een vrije of geïnformeerde keuze geen sprake zijn. Sterker nog, veel te vaak voelen goed geïnformeerde ouders zich gepusht om hun kind niet-responsief te benaderen. Het oorspronkelijke Kiind-artikel is hier te lezen.

Een ingekorte versie van onze reactie staat op de Kiind-website; hieronder volgt onze uitgebreidere argumentatie. De referenties bevatten ook boektitels, voor wie verder wil lezen.


In 1947, zo'n 65 jaar geleden, zei de Britse psycho-analist Donald Woods Winnicott (1896-1971): "There is no such thing as a baby, there is always a baby and someone." (1) Recent onderzoek op het gebied van epigenetica laat zien hoe juist dit vroeg geformuleerde standpunt is. Hoe een kind zich ontwikkelt, hoe haar brein groeit, hoe haar stressregulatie wordt afgestemd, hoe haar karakter tot uiting komt… het hangt allemaal af van de omgevingsinvloeden en hoe die inwerken op het aanwezige genetische materiaal. Richard Bowlby, zoon van John Bowlby (de grondlegger van de hechtingstheorie), gaf tijdens het jaarlijkse congres van de LCGB in Winchester in april 2009 antwoord op de vraag of we in het kader van ontwikkeling moeten denken aan ‘nature’ of aan ‘nurture’. Hij vatte het zo samen: “It’s a matter of nurturing nature.”

Om de natuur, de aanleg, van het kind te voeden en optimaal tot ontwikkeling te brengen, heeft de pasgeboren baby vrijwel constante nabijheid nodig. In lichaamscontact met een volwassene komen baby's tot rust. Dit paradigma, deze coherent samenhangende zienswijze op de zorg voor het nageslacht is gebaseerd op de huidige kennis rond de biologie van de mensenbaby. Hoogwaardig onderzoek op het gebied van hechting, hersenontwikkeling en gezondheid op de lange termijn onderstreept het belang van responsieve kindzorg. (2) De behoefte aan veel lichaamscontact (3) en veelvuldige voedingen (4) zien we terug bij alle draagzoogdieren.

Vanuit de antropologische visie zegt Sarah Blaffer Hrdy in haar boek ‘Mothers and Others’ (in het Nederlands vertaald als ‘Een kind heeft vele moeders’) het volgende over sensitieve zorg: “but regardless of language or custom, the message conveyed by such administrations is equivalent: you are cared for and will continue to be. Love is a message that all babies are all too eager to receive, and small wonder. How secure an infant feels depends on how responsive the mother is to his physical and emotional needs.” Ze houdt een warm pleidooi voor afschaffing van het behaviorisme, dat zo sterk is gericht op het ‘africhten’ van het kind en het bewerkstelligen van gedrag dat de verzorgers past.

Ook Sue Gerhardt schrijft over de gevolgen van gescheiden zijn van het moederlichaam in haar boek ‘Why Love Matters’ (in het Nederlands vertaald als ‘Waarom liefde zo belangrijk is’): “Probably the most stressful experience of all for a baby or toddler is to be separated from his or her mother or caregiver, the person who is supposed to keep him or her alive. Early separation from the mother increases corticotropinreleasing factor (CRF) in the amygdala. This is thougt, by some, to be the biochemical of fear, suggesting that even short separations from the source of food and protection are very frightening for any breastfed young mammals, including humans.”

Er is, kortom, brede consensus over het idee dat baby’s in essentie allemaal gevoelig zijn voor prikkels en dat die prikkels voorwaarde zijn voor een kind om te groeien. Belangrijk is echter dat een baby de júiste prikkels ontvangt, namelijk die van menselijke interactie. Het volwassen lichaam biedt met de geruststellende aanwezigheid rust en ontspanning en ouderlijke sensitiviteit zorgt voor het bevredigen van de biologische behoeften van een kind.

Dat is een heel ander uitgangspunt dan wat we in de richtlijn vinden; daar is de essentie dat een kind pas tot rust komt en goed kan slapen als het alleen is en aan een strakke structuur blootstaat. Dit idee is strijdig met alle recente wetenschappelijke inzichten; de stelling dat de richtlijn is gebaseerd op de laatste wetenschappelijke stand van zaken is dan ook onjuist. Alleen zijn geeft geen rust; het is juist een enorme stressfactor voor een baby of jong kind. Er is enorm veel onderzoek dat zicht biedt op de behoeften van jonge kinderen en dat in de richtlijn niet is terug te vinden. Uit de hoofdtekst van de richtlijn is de kookwekker weliswaar verdwenen, maar met de verwijzing in Bijlage 4 naar het boekje van Ria Blom (versie 2011), waarin de kookwekker nog steeds wordt genoemd, is deze vorm van negeren van het hulpgeroep van de baby nog steeds een integraal onderdeel van de richtlijn. De adviezen om het huilen te negeren, zijn apert strijdig met sensitief ouderschap. Negeren van onder de term 'love withdrawal' en wordt door onderzoekers als mishandeling betiteld. (5)

Het grootste doel van de richtlijn lijkt te zijn: het huilen doen stoppen. Er zijn methodes (inbakeren en laten huilen) die daarvoor redelijk effectief kunnen zijn, in ieder geval voor de korte termijn. Of een bepaalde aanpak ook op de langer termijn en in brede zin effectief is, hangt af van wat je met een kind tot stand wilt brengen. Kijk je vanuit het behaviorisme, de studie van het gedrag, en ben je gefocust op het bijsturen en beheersen van het gedrag van een kind, dan kun je bepaalde strategieën succesvol noemen. Daarmee ga je echter voorbij aan wat het emotioneel en fysiologisch voor een kind betekent om niet gehoord en verzorgd, maar alleen gelaten en genegeerd te worden. Dit veroorzaak schade, waarvan de omvang de laatste jaren steeds duidelijker wordt. (6) Overigens betreft het hier deel ook zeer basale kennis die al decennialang bekend is. (7). Dat dissociatie en ‘freezing’ voor rust worden aangezien en voor effectief resultaat van de aanpak, is dan ook verontrustend.


En natuurlijk is het jonge ouderschap een indrukwekkende taak. De (verdrietige) ironie is, dat ouders zélf moeite kunnen hebben met stressregulatie doordat zij als baby zijn blootgesteld aan stress omdat hun behoeften niet (voldoende) werden bevredigd. Daardoor zijn ze zichzelf kwijtgereaakt en dat bemoeilijkt het responsief reageren op de signalen van hun baby. Het koesteren van de baby's van nu is pas werkelijke preventie. Door hun huilen, hun 'separation distress call', te beantwoorden, kunnen ouders eraan bijdragen dat hun kinderen opgroeien tot stabiele volwassenen die te zijner tijd hun eigen kinderen sensitief kunnen benaderen. (8) (9)

Dat de nabijheid van de primaire verzorgers, meestal de moeder en vader, van onbetwistbaar belang is, is geen mening meer. Het is kennis waar ouders recht op hebben en het is kennis die in de richtlijn pijnlijk ontbreekt. Dat ouders kennis over normaal babygedrag wordt onthouden, maakt het voor hen vrijwel onmogelijk om op basis van de in de richtlijn aangereikte (en door andere zorgverleners doorgegeven) informatie een weloverwogen keuze te maken over hoe ze met het huilen van hun kind kunnen omgaan.

Er zijn daarentegen ook veel ouders die zich goed voelen met de keuzes die ze maken. Zij krijgen helaas geregeld ongevraagd advies over (het omgaan met) het huilen van hun kind.
De gedachte dat het belangrijk is te onderzoeken wat het beste past bij de ouders, willen we graag vervangen door een andere. Wij pleiten voor een aanpak die past bij de behoeften van het kind. Het is belangrijk dat ouders zich zo goed mogelijk aanpassen aan die primaire behoeften van hun pasgeboren baby. Ook professionals moeten hun werkwijzen afstemmen op wat er bekend is over wat baby’s nodig hebben om een stabiele persoonlijkheid te ontwikkelen. Het eerste levensjaar legt de basis voor de toekomst en investeren in een stevige basis is van groot belang. Huilen is in dit licht geen 'probleem' dat zo snel mogelijk uitgedoofd moet worden, maar een poging van de baby om duidelijk te maken wat zij nodig heeft: een uitnodiging tot contact, een vraag om liefde en nabijheid.

Linda Rikkers is Vaktherapeut Beeldend en schrijver over sensitief ouderschap.

Marianne heeft vanaf 2008 als lid van de klankbordgroep feedback gegeven op de vele conceptversies van de richtlijn. De notitie die zij samen met Stephanie Sanders heeft geschreven, was één van de redenen dat het multidisciplinaire richtlijnontwikkelingsproces in gang is gezet. Je vindt die notitie hier. De publieksversie van dit document lees je hier. Marianne heeft van 11 september tot en met 4 december 2013 over de richtlijn geblogd. Ze heeft daarbij uitgebreid uit de meer dan 120 pagina’s van de richtlijn geciteerd. Geïnteresseerden kunnen kennis nemen van deze analyses via www.borstvoedingscentrumpantarhei.blogspot.nl .

Dit blog is ook te vinden op het blog van Linda.




[1]Winnicott, Donald. (1964) Further thoughts on babies as persons. In his The child, the family, and the outside world (pp. 85-92). Harmondsworth, England: Penguin Books. (Original work published 1947)
[3] Evolution, Early Experience and Human Development, Darcia Narvaez et al, p. 427-452 (Prescott, McKenna, Gettler)
[5]https://openaccess.leidenuniv.nl/bitstream/handle/1887/18245/huffmeijer_tekst%20proefschrift.pdf?sequence=2 (zie vooral pagina 87 en verder, samenvatting van het onderzoek in het Nederlands)
[7] A Secure Base, John Bowlby, 1988
[8] Evolution, Early Experience and Human Development, Darcia Narvaez et al, 2013, p. 31-67 (Schore)
[9] The Hormone of Closeness, Kerstin Uvnäs Moberg, 2009/2013

woensdag 19 juni 2013

Boekenjunkie

Vorig jaar in september, na afloop van het SBO-congres in Ede, vroeg ik aan Nils Bergman, die uitgebreid over neuroscience en hersenontwikkeling had verteld: “Is het een goed idee om werk van Allan Schore aan te schaffen?” Allan Schore is wereldwijd één van de grote namen op het gebied van de neuropsychologie, een vakgebied dat allerlei andere disciplines krachtig beïnvloedt, maar deels ook de eigen wortels in die vakgebieden vindt. (En lees vooral ook door op zijn eigen website, waarheen je onderaan de Wiki-pagina een link vindt. Je leest hier en hier over de risico’s die hij ziet aan de heel vroege kinderopvang.)

Gezien alles wat Nils Bergman aanreikt in zijn presentaties over de aanleg van het brein in de vroege levensfase, leek het me zinvol een stap dieper te gaan en Schore te lezen. “Doe maar niet”, zei Nils, “want dat is zó moeilijk lezen; daar kom je niet doorheen.” Dat was een onverwachte reactie, maar wel een die ik serieus nam, zeker ook omdat hij gelukkig wel een andere suggestie had. “Lees liever ‘Affective Neuroscience’ van Jaak Panksepp”, was de tip van Nils; “dat is deels een samenvatting van het werk van Schore en deels eigen werk van Panksepp.” Boekenjunkie als ik ben, altijd in voor goede leesideeën, ging ik op zoek naar het boek. Dat soort lijvige, ‘groundbreaking’ boeken zijn altijd duur, maar ik vond een tweedehands exemplaar en begon er gretig in te lezen. Poeh… als dit prettig leesbaar was in vergelijking met Allan Schore, dan kon ik niet anders dan Nils gelijk geven, want ‘Affective Neuroscience’, over de neurologische mechanismes achter emotie, was ook nog een hele kluif. Tijdens een twee uur durende treinreis kwam ik maar tien bladzijden verder; razend boeiende, maar ook razend ingewikkelde materie behandelt het boek. Ik legde het op de stapel ‘nog te lezen’; misschien moest ik eerst nog andere dingen beter begrijpen.


Ik pakte dus iets anders en de afgelopen weken heb ik drie titels gelezen die ik kocht tijdens het congres dat ik in april in Manchester bezocht: ‘The Red Tent’ (Anita Diamant), ‘The Hormone of Closeness (Kerstin Unväs Moberg) en ‘Birth and Sex’ (Sheila Kitzinger). Als de andere twee die ik daar kocht (‘Childbirth in the Age of Plastics’ van Michel Odent en ‘Childbirth Without Fear’ van Grantly Dick-Read) net zulke page-turners zijn, dan heb ik nog heel wat moois tegoed. Het is ongelooflijk inspirerend en ongelooflijk knap, wat al deze mensen op hun eigen vakgebied hebben gedaan om onze ontwikkeling als mens te beschrijven en te plaatsen in een neurobiologische en psychosociale context. Het is waarachtig niet niks, wat die vroege fase betekent voor de rest van ons leven.

Dat maakt dat je sommige ontwikkelingen met grote zorgen gadeslaat. Er zijn twee gewaardeerde collega’s met wie ik geregeld over deze materie van gedachten wissel: Gabriëlle Jurriaans en Linda Rikkers. De afgelopen dagen hebben we veel gesproken over de methode van Harvey Karp, ‘The Happiest Baby on the Block’. We keken alle drie met afgrijzen naar dit filmpje.

Daarin zie je naar ons idee overduidelijk een baby die, zoals Nils Bergman en Allan Schore zouden beschrijven, in een staat van ‘freezing’ is: doen alsof je dood bent, niet meer bewegen, niet meer communiceren, opdat je het gevaar kunt afwenden. Dit wordt ook wel dissociatie genoemd, je onttrekken aan de ondraaglijke realiteit. Wanneer een kind dit regelmatig moet doen, heeft dat een heftige, negatieve invloed op de hersenontwikkeling en de sociale vaardigheden.

Tijdens ons gesprek erover kwam Linda met een boekenwens die zij nog had: ‘Evolution, Early Experience and Human Development’, geschreven door vele grote namen, waaronder… Darcia Narvaez, Jaak Panksepp en Allan Schore! Dat was wel een heel mooi stel namen! Ik kon me niet bedwingen en ging op zoek. Het duurde niet lang voor ik het had gevonden en al de volgende dag arriveerde het per post. Wat een traktatie, zoveel experts in één boek bij elkaar, met zulke indrukwekkende uitspraken op basis van zoveel onderzoek! Ik lees dit soort boeken altijd met een potlood in de hand om aan te strepen wat ik belangrijk vind en… ik kan wel aan de gang blijven! Deze paragraaf, al aan het begin van het eerste hoofdstuk, bezorgde me kippenvel: "The evidence across animal, human psychological, neurobiological, and anthropological research is increasing and converging to demonstrate lifetime vulnerability of brain and body systems among those with poor early care. Even when medicines are available to alleviate symptoms of dysfunction, the underlying suboptimal structures remain. This problem may be particularly true for emotional and moral functioning."
Dan volgt een indrukwekkend rijtje problemen die kunnen voortvloeien uit die levenslange kwetsbaarheid: ADHD, autisme, angst, depressie, diabetes, hypertensie, obesitas en diverse auto-immuunziektes.

Wat ik in dit alles evenzeer indrukwekkend vind, is de mate waarin de hechtingstheorie van John Bowlby nog steeds als fundament onder al dit werk ligt. Natuurlijk is erop doorgebouwd, maar een bouwsel zonder krachtige basis… dat stort in. En dat doet het huis van de veilige hechting niet. Het staat, na al die jaren, nog fier overeind en Allan Schore geeft Bowlby de eer die hem toekomt, bijvoorbeeld in dit artikel. Ook dat toont aan dat je een echte kei in je vak bent: weten waar je vandaan komt, erkennen dat je veel te danken hebt aan je voorgangers en vaststellen dat jouw prestaties een onderdeel vormen van een zich telkens verder uitbreidend inzicht in de menselijke ontwikkeling. Ik kan tot tranen geroerd raken door dat soort mensen, die van een onderwerp niet alleen hun passie, maar een levenslange carrière hebben gemaakt, mensen die je in één adem associeert met het onderwerp waarvoor ze steeds opnieuw hun nek uitsteken, ook als dat niet altijd even goed valt in de sociale omgeving en het heersende tijdsgewricht.

Bij zulke toppers voel ik mij weliswaar heel klein worden, als een kind dat aan het begin staat, maar niet onveilig of onzeker. Ik voel me, al lezend, aan de hand genomen door de onderzoekers, die mij niet commanderen, mijn denkruimte niet inperken (inbakeren…), en mij niet volstoppen met woorden waarvoor ik me moet afsluiten (dissociatie...), maar die mij wijzen op alles wat zij om zich heen waarnemen. Als wakkere, wijze, oplettende ouders reiken ze me dingen aan waarmee ik mijn gedachten kan vormen en waarmee ik kan leren hoe de wereld in elkaar zit. En weet je wat… dat is een heerlijke wandeling, wanneer je die met redelijk ontbloot lijf, vitamine D tankend op een stretcher in de zomerzon, kunt afleggen!