dinsdag 15 maart 2016

Loslaten... en verbonden blijven

Toen ik vandaag mijn Facebook-posting van gisteren nog eens doorlas en de mooie reacties zag, realiseerde ik me dat het allemaal toch ook wel heel erg te maken heeft met alles waarover ik vanuit de praktijk met en voor ouders spreek. Ik heb daarom besloten de tekst ook nog als blog hier neer te zetten; dat bevordert ook sterk de ‘terugvindbaarheid’ (en nee, dat is geen goed Nederlands woord… hahaha!). (Een mooi plaatje zal ik er later nog even bij zoeken.)

“Vandaag is het 14 maart, de geboortedag van mijn moeder. Ze zou dit jaar 80 zijn geworden, als ze nog had geleefd. Ze stierf in 2006, net als mijn zusje op de 25e, alleen Karin stierf 25 juni en mijn moeder 25 juli. Net als mijn vader, die in 2004 overleed, was ze 70 en ik vond dat bijzonder: dezelfde leeftijd als mijn vader, met wie ze Karin en mij kreeg, en dezelfde dag als haar dochter, de 25e. Dit jaar is het dus tien jaar geleden dat we afscheid van haar namen.

Mijn moeder was moe van het leven; ze had er al jaren geen plezier meer in. Ik heb op veel manieren geprobeerd het haar wat lichter (in beide betekenissen van het woord: minder gewicht, meer licht) te maken en haar te betrekken bij dingen die een mens gelukkig kunnen maken, maar wie zélf het leven diep van binnen niet meer de moeite waard vindt, die kan door een ander niet worden 'gered'. Redden werkt uiteindelijk niet, want het maakt die ander tot een willoos slachtoffer en de 'redder' tot degene die zogenaamd weet wat er moet gebeuren. Het is een onderdeel van de driehoek 'dader-slachtoffer-redder' en dat is een dynamiek die in veel situaties voorkomt. De rollen liggen echter niet vast: wie in de ene sociale setting een slachtoffer is, kan in de andere best een redder of dader zijn. Alle combinaties zijn denkbaar en dat maakt het heel ingewikkeld.

Na jaren van pijn en verdriet om alles wat er niet was en wat niet lukte of steeds weer zo beschadigd raakte, heb ik mijn moeder meer en meer losgelaten. Dat was een heftig en pijnlijk proces, maar ik zag geen andere uitweg. Haar trauma, haar moeizame levensgeschiedenis werd sluipenderwijs mijn eigen problematiek en ik wist dat ik dat niet wilde. De scheiding van mijn ouders, die voor Karin en mij zoveel verdriet had veroorzaakt, wilde ik met alles wat er in mij aan kracht en moed zat, niet herhaald zien in ons eigen gezin. Ik nam min of meer afscheid van mijn moeder terwijl ze nog leefde, zodat ik er voor onze eigen kinderen als een krachtige, blije moeder kon zijn. Dat begreep niet iedereen; velen zagen ook niet hoe moeilijk dat was, hoeveel strijd het in mij veroorzaakte, hoezeer ik leed onder het loyaliteitsconflict, hoe het spanning gaf tussen Nico en mij.
Toch is het gelukt en is ons gezin overeind gebleven. De pijn die mijn moeder vanuit haar jeugd meenam naar haar eigen gezin, de moeite die zij had om vreugdevol door het leven te gaan... die heb ik denk ik goeddeels kunnen loslaten.

Dat vergde het loslaten van mijn moeder. Ik weet nog goed, hoe ze de laatste week van haar leven doorbracht. Ze had aangegeven bij ernstige ziekte niet behandeld te willen worden. Nadat ze een herseninfarct had gehad, kon ze niet meer lopen, niet meer praten, niks meer. Ze was amper bij bewustzijn. Ze kreeg een thuiszorgbed en we kregen nachtzorg van de thuiszorg. Samen met ooms en tantes van mijn moeders kant brachten we in haar flat de dagen door. Af en toe een washandje over haar gezicht, een rustig naast haar zitten... ze zeilde steeds verder weg. Ze kreeg niets te eten en te drinken en raakte langzaam in een schemerwereld. De laatste dag zat ik naast haar en had ik de indruk dat het snel afgelopen kon zijn. Ik riep mijn oom en tante erbij en met z'n drieën hielden we haar hand vast. We zeiden dat het goed was zo en dat ze mocht gaan. Dat deed ze...

Samen met haar jongste zus verzorgde ik haar en ze werd, zoals ze altijd vertelde over haar te vroeg overleden vader, thuis opgebaard. Vanaf dat moment nam ik mijn intrek in haar huis, tot aan de uitvaart. Ik ontving er condoleancebezoek en handelde administratieve zaken af. Af en toe ging ik even bij haar kijken en praatte ik wat tegen haar dode lichaam. Ik sliep in mijn eentje op een matras in de kamer, terwijl zij in de slaapkamer stond. Het waren kostbare dagen. Ik kon alsnog voor haar zorgen, nu zonder strijd, zonder kwetsende woorden. Ik bleef bij haar tot het allerlaatst, zoals ik dat ook bij mijn vader had gedaan (en tot mijn verdriet niet bij mijn zusje was gebeurd...).
Al mijn professionele werk gaat over hoe belangrijk het is dat ouders in het begin vrijwel onafgebroken bij hun kinderen (kunnen) zijn. Andersom denk ik dat het ook belangrijk is dat kinderen tot het laatst bij hun ouders (kunnen) zijn. Daarvoor wens je iedereen toe dat er geen trauma en boosheid tussen hen in staat, niet in het begin en niet aan het einde. En hoe beter we dat begin kunnen vormgeven, hoe beter ongetwijfeld ook dat einde zal kunnen verlopen.
Ik zal morgen een bloemetje brengen naar mijn moeders urnengrafje.”

Inmiddels staat er een roze hyacint in de knop, die de komende dagen onder invloed van het warme voorjaarszonnetje langzaam tot bloei zal komen. Warmte en tot bloei komen… onlosmakelijk verbonden!

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen